Londen-aanslag: gevolg van geheime verstandhouding Britse staat met extremisten

Op 3 juni was de jongste aanslag gepleegd in Londen. De kranten melden dat de drie daders aangestuurd waren door terreurgroep Daesh, maar wat ze haast unaniem over het hoofd zien is de rol gespeeld door de Britse staat. Inderdaad, nader onderzoek naar de achtergrond van de daders onthult facilitatie door de Britse inlichtingendienst. Anders gezegd, de Londen-aanslag, met 8 doden en 48 gewonden, zou niet hebben plaatsgevonden, zonder de geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten.

We zien dat terug bij de drie aanslagplegers:

Rachid Redouane was een product van Brits interventies in Libië en Syrië. De van Marokkaans-Libische origine Ier Redouane (30) vocht in 2011 mee met de door de NAVO gesteunde oppositie tegen de Libische leider Gaddafi. Daar kwam hij in contact met al-Qaida gelieerde rebellengroepen én ontving training van o.a. Britse officiers. Bovendien was zijn uitreis mede mogelijk gemaakt door de Britse inlichtingendienst MI5.

Khuram Shazad Butt (27) wordt gezien als de leider van de bende. Butt kwam in contact met Redouane in Oost-Londen, waar ze beiden woonachtig waren. Butt, Brit van Pakistaanse komaf, was een “zwaargewicht” binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun en beïnvloed door Daesh-ronselaar Anjem Choudary. Al Muhajiroun heeft jarenlang de uitreis van extremisten gefaciliteerd onder toeziend en goedkeurend oog van de Britse inlichtingendienst. Zo kon Anjem Choudary alleen al 500 geradicaliseerde Britten exporteren naar conflictgebieden als Libië, Irak en Syrië.

Youssef Zaghba was een 22-jarige in Marokko geboren Italiaan en niet direct geholpen door de Britse staat, maar via haar begunstigers. Zaghba wilde aanvankelijk zelf uitreizen naar Syrië om daar in eigen woorden een “terrorist” te worden, maar werd door de Italiaanse autoriteiten tegengehouden. In plaats daarvan, vertrok hij naar Londen waar hij in contact kwam met Butt en Redouane – de twee terroristen waarmee hij de aanslag op 3 juni pleegde. Dat betekent dat conflictgebieden als Libië en Syrië niet meer de enige trainingsgronden voor terroristen zijn. Europese landen als Engeland zijn dat inmiddels ook – mede met hulp en facilitatie van de Britse inlichtingendiensten.

De link wordt hieronder per persoon inhoudelijk toegelicht.

 

Van links naar rechts: Youssef Zaghbha, Khuram Butt en Rachid Redouanelondon-bridge-attackers

Rachid Redouane
De Britse Telegraph berichtte het volgende over Redouane:

It was also claimed that Redouane fought in the Libyan revolution against Col Muammar Gaddafi and joined a militia which went on to send jihadist fighters to Syria.

Libyan security and diplomatic sources said he travelled to the North African country in 2011 and then returned in recent years while living in Ireland and the UK.

Hier zijn paralellen te trekken met de Manchester zelfmoordterrorist (Salman Abedi). Net als Redouane reisde ook Abedi in 2011 uit naar Libië. Abedi sloot zich aan bij de Libische al-Qaida, de LIFG.

Rachid RedouaneRedouane

Zoals eerder over geschreven is, werd deze uitreis gefaciliteerd door de Britse inlichtingendienst MI5. Dat werd ook wel de ratline genoemd of het open deuren beleid (lees hier meer daarover). Kort gezegd: MI5 voerde een zogeheten open deuren beleid voor burgers die vanaf het begin van de Libische opstand, naar het Noord-Afrikaanse land wilden uitreizen, om te strijden tegen Gaddafi. De Britse inlichtingendienst ondersteunde die onderneming omdat ze een gemeenschappelijke vijand in het vizier hadden: Muammar Gaddafi. Dat deze militanten wellicht banden hadden met of zich zouden aansluiten bij al-Qaida werd door de vingers gezien. Dit beleid was tussen 2011 en 2013 van kracht en dat was de periode waarin zowel Redouane als Abedi vertrokken naar Libië.

Wat de zaak nog verder compliceert is dat dit open deuren beleid werd overzien door de huidige Britse premier, Theresa May. Zij was toentertijd de minister van Buitenlandse Zaken.

De parallellen met Abedi houden hier niet bij op. Net zoals de Manchester-aanslagpleger sloot ook de Londen-terrorist zich aan bij een al-Qaida gelieerde doodseskader. In geval van Abedi was dat bij de LIFG en Redouane Liwa al-Ummah. De leider van (de Tripoli tak van) Liwa al-Ummah, Mahdi al-Harati, vocht onder hoede van Abdulhakim Belhadj, één van de topcommandanten binnen de Libische al-Qaida (de LIFG) – de groep waar Salman Abedi toe behoorde.

Verder is de kans groot dat Redouane opgeleid is door westerse officiers, wellicht wel Britse. Zo meldt de Noord-Amerikaanse magazine Foreign Policy dat Liwa al-Ummah training kreeg van Qatarese speciale eenheden. Uit Foreign Policy:

Its [ie. Liwa al-Ummah] fighters, who included many Libyan expatriates, had received training from Qatari special forces in Nalut, a town in Libya’s western mountains.

Deze Qatarese speciale eenheden werder ondersteund door o.a. Britse officiers. Dat blijkt uit een Wall Street Journal artikel opgegraven door terrorisme-expert Mark Curtis:

“A team of about 60 Qataris helped set up rebel command centers in Benghazi, the mountain city of Zintan and later in Tripoli, according to Qatari Staff Colonel Hamad Abdullah al-Marri, who later accompanied Mr.Belhaj on the march into Tripoli on Aug. 22, broadcast live on al-Jazeera. Mr. Marri said that during the rebel training, he interacted with about 30 Western liaison officers, including Britons, French and several Americans.” (dikgedrukt niet in origineel)

Daar houdt de westerse, en specifieker Britse, steun aan milities met banden met al-Qaida niet op. Die Britse assistentie liep namelijk door tot in Syrië.

Mahdi al-Harati, de leider van Liwa al-Ummah (in Tripoli), vertrok na de lynching van Gaddafi naar Syrië en richtte daar in 2012 de lokale tak op. Uit het artikel van The Telegraph blijkt dat ook Redouane in Syrië aan de kant stond van al-Qaida terroristen en hoogstwaarschijnlijk westerse steun ontvangen.

Volgens Foreign Policy sloot de Syrische tak van Liwa al-Ummah zich in 2012 aan bij het Vrije Syrische Leger (FSA). Het FSA is de voornaamste partner van het westen in het Syrische conflict en hebben de meeste steun en hulp ontvangen. The New York Times constateerde reeds in 2012 dat het gros van deze (westerse) assistentie is in handen kwam van al-Qaida gelieerde rebellengroepen. Niet verrassend dan dat het FSA eind 2012 haar onvrede uitte over de plaatsing van de Syrische al-Qaida (Jabhat an-Nusra) op de terroristenlijst. Deze stelling wordt verder onderbouwd door het feit dat het Liwa al-Ummah (en het FSA) veelvuldig samenwerkte met de Syrische al-Qaida (Nusra). Militaire blog The Long War Journal rapporteerde in 2014 dat Liwa al-Ummah, als onderdeel van het FSA, niet opgehouden was om samen te vechten met Nusra. Tegenwoordig is het FSA niet meer af te scheiden van Nusra.

Na zijn periode in Syrië keerde Redouane terug naar het Verenigd Koninkrijk. Ondanks deelname aan terroristische organisaties in het buitenland werd Redouane niet gearresteerd, en gezien rechtszaken tegen Syriëgangers valt dat te begrijpen. In 2014 en 2015 was de berechting van twee Syriëgangers namelijk afgebroken omdat anders de Britse inlichtingendienst in verlegenheid gebracht zou worden.

De eerste betrof Moazzam Begg, die in 2012 meermaals reisde naar Syrië. Uit de verslaglegging van de rechtszaak bleek dat Begg “was assisting opposition fighters in their war against Bashar al-Assad’s regime”. Dat was reden voor de Britse veiligheidsdiensten om hem aan te klagen voor het faciliteren van terrorisme in het buitenland. De rechtszaak viel echter nadat:

“MI5 belatedly gave police and prosecutors a series of documents that detailed the agency’s extensive contacts with him before and after his trips to Syria”

Oftewel, MI5 gaf groen licht aan Begg om uit te reizen naar Syrië en de gewapende oppositie te steunen, maar dat werd juist door de veiligheidsdiensten aangekaart als reden om hem te vervolgen!

Een gelijke proces was te zien bij de zaak tegen Bherlin Gildo. Gildo, een Zweedse burger, werd in oktober 2014 gearresteerd en aangeklaagd voor deelname aan terroristische organisaties. De rechtszaak viel echter “after it became clear Britain’s security and intelligence agencies would have been deeply embarrassed had a trial gone ahead”. De advocaten van Gildo beargumenteerden namelijk dat:

British intelligence agencies were supporting the same Syrian opposition groups as he was, and were party to a secret operation providing weapons and non-lethal help to the groups, including the Free Syrian Army.

Hier ook weer: Gildo hielp Syrische rebellengroepen die door de autoriteiten als terroristisch worden aangemerkt, terwijl diezelfde milities gesupport worden door MI5!

Dat geeft wellicht een verklaring waarom teruggekeerde Libië- en Syriëgangers, als de al-Qaida gelieerde Rachid Redouane, zo moeilijk berecht kunnen worden: dat schijnt licht op de geheime verstandhouding van de Britse inlichtingendiensten met al-Qaida gelieerde strijders en rebellengroepen in Libië en Syrië.

Khuram Butt
Khuram Butt werd gezien als een zwaargewicht binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun. Deze organisatie werd in Engeland opgezet in 1986 door de Syriër Omar Bakri Mohammed. In de jaren negentig onderhield oprichter Mohammed contacten met Osama bin Laden en faciliteerde de uitreis naar de Balkan. Daar sloten uitreizigers zich aan bij Bin Laden’s groep. Al Muhajiroun werd uiteindelijk in 2005 verboden na de 7/7 aanslagen in Londen en Omar Bakri Mohammed verbannen naar Libanon. Daar werd hij later meermaals veroordeeld en terecht gezet.

Khuram Butt799051cc9d7434d1e30930fbd0ba6e3af11336377460b4978b298420da4424a9_3971339

De extremistische groep wordt sindsdien geleid door Anjem Choudary – leerling van Omar Bakri Mohammed. Butt was een bekende van Anjem Choudary en vermoedelijk door hem ook geradicaliseerd. Een andere bekende terrorist geradicaliseerd door Choudary was Michael Adebolajo – de man die in 2013 soldaat Lee Rigby overdag in Londen neerstak.

Choudary wordt gezien als de voornaamste Britse ronselaar voor terreurgroep Daesh in Syrië, Irak en Libië; van de 850 Britse uitreizigers heeft Choudary er vermoedelijk 500 verzorgd. Uit gelekte bestanden van Daesh blijkt dat hij daarbij werd ondersteund door zijn mentor Omar Bakri Mohammed.

Twee derde van alle pogingen tot terreurdaden waarin burgers van het Verening Koninkrijk in binnen- en buitenland bij betrokken zijn in de afgelopen twintig jaar, zijn toe te schrijven aan leden van Al Muhajiroun.

Dat deze extremisten zolang hun werk hebben kunnen doen heeft volgens veiligheidsexpert Nafeez Ahmed te maken met een geheime verstandshouding met de Britse staat. Ahmed somt in zijn onderzoeksartikel een groot aantal bronnen op om zijn stelling te onderbouwen, een paar worden hier genoemd:

  1. Voormalig VS leger inlichtingenofficier, John Loftus, beweerde dat drie leden van Al Muhajiroun, waaronder Omar Bakri Mohammad, geworven waren door de Britse MI6 in 1996 om de al-Qaida’s terroristische activiteiten in de Balkan te coördineren;
  2. Omar Bakri Mohammad gaf in 2000 zelf toe Britse moslims naar het buitenland te sturen om te vechten en zei daarover: “The British government knows who we are. MI5 has interrogated us many times. I think now we have something called public immunity”.

Al Muhajiroun kon de uitreis van extremisten naar Libië en Syrië zo lang volhouden, volgens voormalige Britse inlichtingenofficial, Charles Shoebridge, in gesprek met veiligheidsexpert Nafeez Ahmed, omdat ze een gedeelde tegenstander als doelwit hadden: Gaddafi in Libië en Assad in Syrië. De Britten hadden zich in 2011 gecommitteerd om genoemde leiders te verdrijven en in het kader van die doelstelling werd de facilitering van extremistische uitreizigers ondersteund. Shoebridge zegt in die context over de Libië- en Syriëgangers:

““this ‘turning a blind eye’ was actually consistent with the UK govt position of intensive overt and covert support of rebel groups in Libya and Syria in attempting to topple Gaddafi and Assad”

Shoebridge zegt verder dat het wegkijken van de Britse overheid geen incident is, maar in lijn staat met:

“a long record of the UK government allowing, using and facilitating Islamist extremists to destabilise ‘enemy’ states, from Soviet occupied Afghanistan in the 80s, through Bosnia and Chechnya, to Libya and Syria today”

Hij voegt verder toe dat deze geheime verstandhouding pas ophield in 2013, toen terroristische organisaties als Daesh Britse en Noord-Amerikaanse belangen bedreigde en burgers doodde. In reactie hierop zeggen de autoriteiten dat de nodige wetgeving ontbrak om uitreizigers te vervolgen, maar dat wuijft Shoebridge weg: “First, it’s been illegal to take part in terrorist related activities abroad since 2006 and, second, the new legislation introduced since 2013 has itself barely been used.”

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat een extremistische groep als al Muhajiroun niet kon uitgroeien tot een haast terroristische reisbureau ware het niet zonder facilitatie van de Britse inlichtingendienst. Zonder deze steun zou Khuram Butt niet in contact zijn gekomen met de extremistische en Daesh-ronselaar Anjem Choudary en niet in dat netwerk van terroristen zitten en daarmee in aanraking met Rachid Redouane.

Yousef Zaghba
Normaliter reizen geradicaliseerde burgers uit naar landen als Syrië, Irak en Libië om daar opgeleid te worden tot terrorist. Ook Youssef Zaghba was dat van plan. In maart 2016 had hij een enkeltje geboekt naar Turkije met de intentie om door te reizen naar Syrië. Toen hij door de autoriteiten werd tegengehouden en ondervraagd over zijn motivatie, gaf Zaghba toe dat hij naar Syrië wilde om een “terrorist” te worden. Op de telefoon van de jonge Marokkaanse-Italiaan werd propaganda van Daesh gevonden.

Youssef Zaghba
youssef-zaghba2

De Italiaanse autoriteiten zorgden ervoor dat hij niet kon uitreizen. Zaghba was echter nog gedreven om zijn doelstelling te voltooien en zag een ander mogelijkheid om ‘terrorist’ te worden: Londen.

In Londen kwam de jonge Italiaan in het netwerk van de extremistische al-Muhajiroun terecht. Hij leerde daar Khuram Butt kennen, die in 2015 nog door de autoriteiten werd onderzocht voor zijn banden met terroristen. Het is bekend dat Butt geradicaliseerd werd door Anjem Choudary (en de in die kringen populaire haatprediker Ahmed Jibril) en het ligt in de lijn der verwachting dat hij Zaghba beïnvloedde. Daarmee wordt de samenhang met de geheime verstandhouding van de extremistische al Muhajiroun en de Britse staat duidelijk, aangezien de extremisten jarenlang zijn getolereerd door de Britse lichtingendiensten.

Tevens in Londen, kwam Zaghba in contact met Rachid Redouane, die teruggekeerd was van een periode bij terreurorganisaties in Libië en Syrië. De uitreis werd mogelijk gemaakt door het open deuren beleid. Redouane vertrok als geradicaliseerde jongere en kwam terug als professionele terrorist. De training had hij wellicht wel ontvangen van o.a. Britse officiers. De Britse autoriteiten waren niet in staat om zijn terugkeer te verhinderen vanwege collaboratie van de geheime diensten met extremistische organisaties, zoals de gedropte rechtszaken tegen Moazzem Begg en Bherlin Ghado getuigen. Deze ervaring en vaardigheden kon hij delen met andere extremisten als Khuram Butt en Youssef Zaghba. Samen pleegden ze hun gewelddaad op 3 juni.

De geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten heeft de War on Terror naar eigen land gebracht. Geradicaliseerde jongeren als Youssef Zaghba hoeven niet meer de oversteek buiten Europa te maken. Door extremisten in eigen land te laten groeien (als Khuram Butt) en terroristische ervaring in het buitenland op te doen (als Rachid Redouane), zijn plekken als Londen verworven tot trainingsgrond voor terroristen – en thuisplaats voor terroristische aanslagen, zoals de recente aanslagen in Londen en Manchester demonstreren.

Conclusie
Kortom, in de achtergronden van de drie daders, Rachid Redouane, Khuram Butt en Youssef Zaghba, zien we de onbedoelde gevolgen van Britse geheime verstandhouding met extremisten terug. Het is in feite een herhaling van de praktijken van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan. Deze drie landen steunden in de jaren tachtig de Afghaanse oppositie tijdens de Sovjet-Afghaanse Oorlog. Uit die collaboratie kwam al-Qaida en de Taliban voort en zoals bekend is pleegden die extremisten aanslagen in de landen die hen groot hadden gebracht. Oftewel, terroristen bijten altijd de handen die hen gevoed heeft. Zo nu ook in Londen en Manchester.

Waarom “islamitisch” terrorisme niet bestaat

Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;


 

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Voorstanders van de liberale kijk nemen een genuanceerde positie in. Zij stellen dat extremisme een perversie is van de boodschap van Islam en het resultaat van “twentieth-century ideologues who transformed Islam’s essentially benign teachings into an anti-modern, totalitarian, political ideology”. In deze kijk is het dus geen kwestie van een botsing der beschavingen als bij de culturalistische variant. Het is echter een strijd tussen een apolitieke, traditionele Islam die verenigbaar is met westerse waarden versus een totalitaire en extremistische interpretatie met als resultaat een politieke, gewelddadige ideologie. Anders en simpel gezegd: het probleem ligt niet bij alle moslims, maar bij de marge.

Kundnani meent echter dat beide theorieën weinig verklarend vermogen bezitten. Het laakt volgens de wetenschapper aan empirisch bewijs om de stellingen te onderbouwen. In zijn boek The Muslims Are Coming! Islamophobia, Extremism and the Domestic War on Terror (2014) stelt de Indiaas-Britse intellectueel: “there is no demonstrable cause and effect between holding an Islamist ideology and committing acts of terrorist violence” Oftewel, er bestaat geen oorzaak-gevolg relatie tussen het aanhangen van de Islam en het plegen van terroristische aanslagen.

Geen empirisch bewijs
Er is al lange tijd hier kritiek op en die richt zich met name op de modellen die gebruikt worden om radicalisering te verklaren. Kundnani levert daar in zijn boek vernietigend kritiek op. De Brits-Bengaalse terrorisme-expert Nafeez Ahmed doet dat ook in dit kritische stuk. Ahmed laat zien dat er in de afgelopen 40 jaar weinig overtuigend onderzoek is geleverd om empirisch aan te tonen dat het aanhangen van een religie mogelijk kan leiden tot terrorisme.

Vorig jaar werd dat nogmaals bevestigd in een VN-rapport voor de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ben Emmerson, Britse VN-rapporteur voor Counterterrorisme en Mensenrechten, bekritiseerde de vele programma’s gericht op radicalisatie, omdat ze gebaseerd zijn op a simplistic understanding of the process as a fixed trajectory to violent extremism with identifiable markers along the way”.  Er is namelijk niet één hoofdoorzaak aan te wijzen, maar meerdere factoren die bij elk individueel geval op verschillende punten en niveaus samenkomen. Waarom deze (simplistische) modellen alsnog gebruikt worden heeft volgens Emmerson te maken met de functionaliteit. Overheden hoeven dan geen aandacht te schenken aan “the more complex issues, including political issues such as foreign policy and transnational conflicts”. Hierdoor is er teveel focus op “religious ideology as the driver of terrorism and extremism, while factors related to identity, or misguided altruism, are overlooked”.

Eén geval waarin dat sterk naar voren komt is één van de 7/7 aanslagplegers, genaamd Germaine Lindsey. Deze man doodde op 7 juli 2005 in Londen 26 man en verwondde 340. Het verhaal van deze terrorist luidt als volgt: Lindsey werd geboren in Jamaica in 1985 en zijn moeder bekeerde zich tot de islam toen hij 15 was. Hij volgde haar snel op. Nadat zijn moeder vertrok naar de V.S., schijnt hij zich bezig te hebben gehouden met het verkopen van drugs en andere lichte vergrijpen. Vrienden en kennissen deelden mee dat hij vaak zijn ongenoegen uitte over het racistische Engeland. Lindsey deed in oktober 2002 mee met de nationale demonstraties tegen de oorlog in Irak en voor de rechten van Palestijnen. Daar ontmoette hij een vrouw waarmee hij later zou trouwen en twee kinderen krijgen. In 2005, het jaar van de aanslag, was hij negentien jaar. Kundnani merkt op dat het verhaal van Lindsey meestal compleet genegeerd wordt door deskundigen, want: “there was nothing in this story to correspond tot the generally accepted radicalization models”. Met andere woorden, de culturalistische en liberale theorieën houden niet staande tegen de levensloop van Lindsey.

 

Wat terroristen wél motiveert: (gevoel van) onrecht
Er zijn verschillende studies uitgevoerd die zich richten op de motivatie van terroristen. Deze komen over het algemeen tot soortgelijke bevindingen: het is het gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) dat mensen aandrijft tot terrorisme.

Een vaak aangehaalde onderzoek is die van politicoloog Robert Pape. De Noord-Amerikaanse wetenschapper onderzocht 315 gevallen van zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2003 en kwam tot de ontdekking dat 95% van de gevallen niet gemotiveerd waren door religie. Pape concludeert dat de werkelijke oorzaak ligt bij militaire bezetting: “suicide terrorism is mainly a response to foreign occupation”.

Dat is een conclusie die ook gedeeld wordt onder FBI-agenten. Die stellen dat “homegrown terrorists (…) frequently believe the U.S. military is committing atrocities in Muslim countries, thereby justifying their violent aspirations”. Een jaar na de illegale inval van Irak werd dat ook bevestigd door een rapport opgesteld in opdracht van de toenmalige minister van Defensie, Donald Rumsfeld. In het rapport (2004) staat dat als volgt omschreven: “Muslims do not ‘hate our freedom,’ but rather, they hate our policies”. Sindsdien zijn er vele onderzoeken gepubliceerd die tot gelijke conclusies zijn gekomen (zie bijvoorbeeld hier, hier, hier, hier, hier en hier).

Kortom, het is politiek, en niet religie, die mensen motiveert tot het plegen van gewelddaden.

Terroristen: onrecht primaire motivator extremisme
De terroristen beamen bovenstaande onderzoeken. Neem de oprichter van al-Qaida. Osama bin Laden viel naar eigen zeggen de Verenigde Staten (VS) aan uit onvrede over de aanwezigheid van Noord-Amerikaanse troepen in het Saoedische koninkrijk. Dat was voor Bin Laden onacceptabel omdat het land thuis is voor de twee meest heilige steden van de Islam (Mekka & Medina). Bin Laden’s had het daarom tot zijn levensmissie gemaakt om de Noord-Amerikanen te verdrijven uit Saoedi-Arabië.

Of Khalid Sheikh Mohammed. Volgens het 9/11 Commission Report was Mohammad, de architect van de 9/11 aanslagen, niet negatief beïnvloed door zijn studentenperiode in de VS, maar “from his violent disagreement with U.S. foreign policy favoring Israel”. Tevens is dat op te merken bij de nieuwe lichting terroristen – de Syriëgangers. In een eerder stuk schreef ik over de motivatie van jonge Nederlanders om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij een van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. In gesprek met CBS zei de Turks-Nederlandse Yilmaz dat hij gemotiveerd werd door de beelden van onbeschrijflijke pijn en lijden in de oorlog in Syrië en dat hij daardoor “felt the need (…) to stand up and do stuff”. Syriëganger Maher C. ging omdat hij geprikkeld werd door “[h]et onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde”. De conclusie is hier dan ook: een gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) motiveert mensen om eigenhandig actie te ondernemen (en dus niet religie).

 ‘Koran for Dummies’
Desondanks zijn er onderzoekers die alsnog stellen dat religie wél een factor speelt in de motivatie van terroristen. Die stelling houdt echter ook niet lang vol als er gekeken wordt naar de religieuze kennis of religiositeit van terroristen. Neem de twee jonge Britse uitreizigers, die in 2014 veroordeeld waren voor hun deelname aan de oorlog in Syrië, en net voor hun vertrek naar het oorlogsgebied boeken als “Islam for Dummies” en “The Koran for Dummies” hadden gekocht. Dat haalt het narratief van religieus gemotiveerde of geïnspireerde terroristen sterk onderuit.

Dat wordt  nog eens bevestigd door journalisten die in aanraking zijn gekomen met Syrische oppositiegroepen als het Vrije Syrische Leger en de verschillende al-Qaida gelieerde doodseskaders. Eén van die journalisten was de Franse Didier François die gevangen was genomen door Daesh. De Fransman zei in gesprek met CNN’s Christian Amanpower, over de religiositeit van Daesh-terroristen: “It was more hammering what they were believing than teaching us about the Quran. Because it has nothing to do with the Quran.” En verder: “We didn’t even have the Quran. They didn’t want even to give us a Quran.” Het is daarom af te vragen welke en in hoeverre religie een rol speelt bij terroristen.

Religie: ter rechtvaardiging & identiteit
Psychiater Marc Sageman heeft een antwoord daarop. Sageman, een voormalige CIA-officier en bekend van het boek The Black Banners: the Inside Story of 9/11 and the War Against al-Qaeda (2011), zegt, in gesprek met de Brits-Indiaanse journalist Mehdi Hassan, dat religie geen motiverende rol speelt, maar een rechtvaardigend. Terroristen gebruiken religie om hun wandaden goed te praten. Wat heeft Sageman gedaan om als expert te worden aangemerkt?

Mehdi Hassan ziet dat o.a. sterk terugkomen bij Khalid Masood – de 52-jarige man die op 22 maart jl. inreed op een groep mensen op de Westminster Bridge en daarbij 6 burgers (waaronder een agent) doodde. Masood bekeerde zich in 2003 tot het salafisme, maar maakte zich al lang daarvoor schuldig aan allerlei strafbare feiten en geweldsuitspattingen. Hassan twijfelt daarom of religie de primaire motivator was en dat Masood hoogstwaarschijnlijk in die distorted, simplistic and politicized form of Islam [red. oftewel, het jihadi-salafisme] (…) [saw] a ready-made justification for his violence”.

Religie wordt daarnaast gebruikt om hun identiteit te vormen, volgens Sageman. Extremisten die de islam (hoe verdraaid ook) omarmen voelen zich deel van de Ummah en verbonden met hun geloofsgenoten – en handelen ook daarnaar. Dus wanneer zij gruwelijke beelden zien uit conflictgebieden als Syrië en Kasjmir raken ze gemotiveerd; ze willen iets doen tegen het onrecht dat ‘hun mensen’ wordt aangedaan. Doodseskaders als Daesh en al-Qaida spelen daarop in door een antwoord te bieden.  Sageman zegt derhalve: “[i]t’s not about religion, it’s about identity (…) You identify with the victims, [with] the guys being killed by your enemies”.

 

Islamisatie van radicalisme
Met de nieuwe slag terroristen, waarmee voornamelijk maar niet uitsluitend Syriëgangers wordt bedoeld, is een nieuwe groep ontstaan die zich nog moeilijker laat categoriseren. Er is namelijk niet een eenduidig profiel op te maken vanwege de enorme diversiteit aan achtergronden (e.g. witte bekeerlingen, meiden, geprivilegieerde mensen etc.). De Franse Islamkenner Olivier Roy heeft een poging gewaagd om de gemeenschappelijkheden onder westerse Syriëgangers te identificeren. Hoewel dat geen eenvoudige taak is, kwam Roy tot de volgende kenmerken:

  • Ze behoren tot de tweede generatie;
  • Doen overal goed mee met de samenleving;
  • Hebben een geschiedenis van (kleine) misdaad;
  • Zijn geradicaliseerd in gevangenis;
  • Hebben de wens om te sterven bij de uitvoering van de aanslag (bij voorkeur in strijd tegen de politie).

Uit bovenstaande opsomming valt op dat een religieuze achtergrond ontbreekt. Waarom kiest deze groep dan alsnog voor een verdraaide interpretatie van de islam? Roy zegt daarop het volgende:

They do not become radicals because they have misread the texts or because they have been manipulated. They are radicals because they choose to be, because only radicalism appeals to them.

 Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat de extremisten vrijwel allen herboren moslims zijn. Na een periode van alcohol drinken, lichte criminaliteit, uitgaan etc., besluiten ze plots om hun leven religieus in te vullen. Deze plotselinge omschakeling was op te merken bij de Abdeslam broeders – de verantwoordelijken voor de beruchte Bataclan-slachting in Parijs. Van deze terroristen is bekend dat ze voor het plegen van de gewelddaad een bar hadden in Brussel. Zij zijn echter niet de enige.

Inderdaad, uit uitgelekte documenten van Daesh – waardoor geheime en gedetailleerde informatie van meer dan 4,000 buitenlandse strijders openbaar werd – blijkt dat de meeste militanten slechts over basiskennis van de Islam te bezitten. Ze zijn wel relatief hoog opgeleid zijn, maar 70% geeft aan beginners te zijn in het geloof.

Één van hen (met basiskennis van de Sharia) was de Franse Karim Mohammad-Aggad, wiens broer, Foued, een van de drie mannen was die de slachtpartij in de Franse Bataclan aanrichtte. Tegen de rechter zei Karim Mohammad-Aggad over zijn tijd bij Daesh: “My religious beliefs had nothing to do with my departure”. Aggad zei dat de islam gebruikt werd om hem in de val te lokken naar Syrië. Olivier Roy schaart zich dus achter de eerdergenoemde experts en concludeert: “[w]e must understand that terrorism does not arise from the radicalisation of Islam, but from the Islamisation of radicalism”.

 

 Voorbij “islamitisch” terrorisme
Zoals Islamkenner Karin Armstrong terecht opmerkt: als we de IRA niet categoriseren of omschrijven als een katholieke terreurgroep, waarom noemen al-Qaida dan een “islamitische” terreurorganisatie?

Dat is ten eerste foutief, omdat, in de woorden van activist Abdul Cader Asmal, there is nothing ‘’Islamic’ about them”. Terrorisme druist namelijk op elk vlak in tegen de leer van de islam. Ten tweede, terrorisme is ook geen jihad. Jihad betekent geen “heilige oorlog”, maar “inzet” of “struggle”. In de islam wordt onderscheid gemaakt tussen de grote en kleine jihad. De kleine jihad betreft fysieke handelingen. De grote jihad is de struggle tegen de nafs (vrij vertaald: ego). Al-Qaida’s handelingen als jihad labelen is dus een misvatting.

Dit is in overeenstemming met wat moslims en islamitische geleerden reeds jarenlang zeggen. Zij beschouwen terrorisme als onislamitisch. Een aantal voorbeelden:

  • In september 2014 schreven meer dan 120 islamitische geleerden een 18 pagina’s tellende brief aan de leider van Daesh, Abu Bakr el Baghdadi, en ontkrachtten punt voor punt al zijn argumenten;
  • Eind 2015 kwamen 70.000 imams in India bijeen om middels een fatwa al-Qaida en Daesh te bestempelen als onislamitisch;
  • In augustus 2016 kwamen 30.000 moslims in het Verenigd Koninkrijk bijeen om Daesh te verwerpen;
  • En verder: hier 100+ moslimgeleerden en –organisaties die Daesh hebben veroordeeld, hier na Charlie Hebdo en hier na 9/11.

 

Samengevat: de islam motiveert gelovigen niet om aanslagen te plegen, noch worden terroristen daardoor gemotiveerd. Het benoemen als “islamitische terrorisme” is daarom onjuist.

Waarom noemen we dan al-Qaida en Daesh terroristisch? Omdat het dat is wat het primair is: terrorisme. Activisten als Abdul Cader Asmal hebben gepoogd om deze vorm van terrorisme te linken aan de grondlegger: Osama bin Laden. Asmal spreekt daarom van: Binladenisme.

Daarnaast is er groeiende voorkeur binnen de islamitische wereld om te spreken van takfiri terrorisme – takfir is het verketteren van andersgelovigen. Terreurgroepen als al-Qaida en Daesh legitimeren het doden van hun tegenstanders door ze buiten het geloof te plaatsen. Daarmee omzeilen ze de islamitische traditie en gewoonte om niet te moorden (buiten specifieke oorlogssituaties om). Tevens tonen ze hiermee aan dat ze de islam slechts gebruik voor de rechtvaardiging van hun eigen belangen en doeleinden.

Kanttekening: normalisatie van terrorisme
Het uitspreken tegen terrorisme door moslims is een natuurlijke reactie op dat soort barbarisme. Ook in Nederland hebben we onlinecampagnes tegen terrorisme gezien, zoals de hashtag #nietmijnislam. Hoewel dergelijke uitingen begrijpelijk zijn, plaatst dekoloniale wetenschapper Sohail Daulatzai zijn kanttekeningen. De Pakistaans-Amerikaanse intellectueel stelt dat we waakzaam moeten zijn voor de normalisatie van terrorisme.

Een typische reactie vanuit de moslimgemeenschappen na aanslagen van Charlie Hebdo en Brussels is om het toe te schrijven aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen. Het problematische hieraan, volgens Daulatzai, is dat ze daarmee ‘iets’ aanwijzen als terrorisme en daarmee op gevaarlijk terrein komen. Want op het moment dat er iets abstracts als terrorisme kan worden aangewezen, met de legitieme steun van moslims, kan de staat overgaan op:

“to crack down and to narrow the scope of dissent, to violate civil liberties, to torture, to detain, to deport, to invade, to bomb, to kill and to do a whole host of things because there’s a thing called terrorism that everyone accepts as threatening.”

We worden hieraan herinnerd o.a. door Guantanamo Bay en de illegale inval van Irak. Beide werden (en worden) steevast gerechtvaardigd als noodzakelijke maatregelen in de strijd tegen ‘terrorisme’. Daarnaast laten wetenschappers als Arun Kundnani en Hatem Bazian zien hoe de oorlog tegen terrorisme ook een binnenlands aspect kent: het inperken van civiele vrijheden en zelfs fundamentele verworvenheden. Een kritische blik is dus geboden.

Een tweede reden waarom Daulatzai oproept tot voorzichtigheid is dat er zo een onderscheid gecreëerd wordt tussen “good” en “bad Muslims”, tussen gewone burgers en terroristen. Daulatzai stelt dat dit onderscheid een opening creëert voor de staat om in te springen en uit te buiten. We leven immers niet in een vacuüm, maar in een politieke realiteit gekenmerkt door raciale machtsverhoudingen (i.e. witte suprematie & islamofobie). Deze politieke realiteit ontneemt de individualiteit van (geracialiseerde) moslims. In de praktijk zien we dit o.a. bij veiligheidscontroles in de luchthaven, waarbij de lichamen van burgers met een “moslim-achtig uiterlijk” – wat dat ook moge zijn – verdacht zijn.

Bij tot wit gemaakte mensen is het tegenoverstelde op te merken; hun individualiteit wordt wél gerespecteerd. Wanneer een witte extremist als Breivik in Noorwegen of Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn een slachtpartij aanricht, zorgt dit niet ervoor dat witte mensen etnisch geprofileerd worden. Of dat een racistische inreisverbod in het leven wordt geroepen om burgers uit witte landen te weren. Witte terroristen worden gezien “as troubled individuals, exceptions to a white norm,” aldus Daulatzai.

De Amerikaans-Pakistaanse intellectueel stelt daarom dat (geracialiseerde) moslims waakzaam moeten zijn om te blijven hangen in dergelijke campagnes, omdat daarmee de oorzaken van systematisch geweld niet worden aangepakt en die zijn: “white supremacy, capitalism, patriarchy and empire”. De wetenschapper gaat verder en zegt: “[i]f this recognition doesn’t happen, the country will continue to deal with the symptoms and not the problem, like a dog chasing its own tail”.

Inderdaad, terrorisme-expert Nafeez Ahmed heeft berekend dat de zogeheten War on Terror tot wel vier miljoen slachtoffers heeft geleid (vooral moslims). Verder erkende zelfs voormalig president Obama dat een van de (onbedoelde) gevolgen van de War on Terror het ontstaan van terreurgroep Daesh is. De War on Terror leidt dus tot meer pijn en lijden, en wanneer we vaststellen dat onrecht de primaire motivator is van terrorisme, heeft het volgens Daulatzai meer zin om de aandacht te richten op de bron van onrecht (zoals War on Terror) dan door mee te gaan in de dominante lezing (bijv. “het ligt aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen”).

Staatsterrorisme
Een ander aandachtspunt heeft betrekking tot het begrip terrorisme. Zoals wijlen Eqbal Ahmed ons leert, wordt dit niet consequent toegepast en is het afhankelijk van de geopolitieke context. De Pakistaanse intellectueel wijst op de hypocrisie van de VS om dezelfde groepen eerst als vrijheidsstrijders neer te zetten en vervolgens als terroristen. Hij verwijst naar de Afghaanse Moedjahedien, die eerder door president Ronald Reagan werden omschreven als “the moral equivalence of the Founding Fathers”. Toen het nut van deze krijgsheren verdween, schoven hun ideologische opvolgers, de Taliban, op van vrijheidsstrijders naar terroristen.

Daarnaast is terrorisme niet alleen voorbehouden aan niet-statelijke actoren als Daesh. Terrorisme wordt meestal op arbitraire wijze gedefinieerd en onderscheiden van andere geweldsdaden die als normaal, rationeel of noodzakelijk worden gezien. Normaliter wordt bij terrorisme gedacht aan aanslagen door al-Qaida e.d., maar niet aan drone-aanvallen of het droppen van een bijna 10.000 kg wegende bom op een al gehavende land als Afghanistan. Integendeel: dat wordt gezien als ‘normaal’ of  als ‘collateral damage’. Maar wanneer we terrorisme definiëren als geweld tegen onschuldige burgers met een politiek doel, dan is het militaire geweld van vele westerse staten ook als zodanig aan te merken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de door Obama veel gebruikte drone-aanvallen, zoals journalist Glenn Greenwald heeft beargumenteerd. En dit soort terrorisme is volgens Noord-Amerikaanse politicoloog Gregory Holdyk vele malen dodelijker dan het terrorisme van niet-statelijke actoren.

Conclusie
In conclusie: de islam motiveert terroristen niet; het is onrecht dat mensen aandrijft tot terrorisme. In dat licht wordt de islam ge- en misbruikt voor hun eigen belangen en doeleinden. Dit onderscheid is cruciaal, want het is niet alleen een semantieke discussie. Terreur koppelen aan de islam, zoals in een later artikel zal blijken, speelt in en vergroot islamofobe denkbeelden, en wordt doelbewust ingezet ter rechtvaardiging van (geo)politieke ambities.

De cijfers
Hoe zit het dan met de cijfers? Worden de meeste aanslagen dan niet gepleegd door takfiri terroristen? Zitten we nu niet in het midden van een ‘gouden tijdperk’ van terrorisme? In het volgende stuk zal blijken dat dit een stuk genuanceerder ligt. Aanslagen gepleegd door al-Qaida, Daesh en de gelijken behoren namelijk tot de minderheid en de meeste doden in het westen vallen niet in West-Europa of de Verenigde Staten, maar in Oost-Europa. Takfiri terrorisme is in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen, en dodelijker geworden, maar dat kan niet los worden gezien van de nieuwe strijdvelden van de zogeheten War on Terror (bijv. Libië en Syrië) – en in die gebieden vallen ook de overgrote meerderheid van de slachtoffers. Hierover meer in het volgende artikel.

[i] Kundnani gebruikt in zijn boek (het Engelse) reformist”. Ik kies gemakshalve voor liberaal

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

 

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië
In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

 

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; zoverre was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Libische al-Qaida terrorist Abdulhakim Belhaj (links) op de foto met John McCain (rechts)
belhaj

 

 

Abedi en de LIFG
De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

 

Rat line
Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Gemotiveerd door westers buitenlandbeleid
Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback
De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om in te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

De Nieuwe Zijderoute: het einde van MacKinder’ Heartland theorie?

Luidt de Nieuwe Zijderoute (ook wel One Belt, One Road) het einde in van MacKinder’ ‘Heartland’ theorie? Die theorie gaat als volgt: het Heartland (Centraal en West-Azië en de Kaukasus) is een cruciaal gebied in geopolitieke opzicht vanwege haar rijkdom aan grondstoffen en de strategische ligging. Deze regio moet daarom onder controle zijn van de VS (MacKinder schreef vanuit een Anglo-imperialistische blik). Volgens MacKinder vormt Oost-Europa de poort naar het Heartland. Hij komt daarom tot de volgende gevolgtrekking: wie de scepter zwaait over Oost-Europa, controleert daarmee ook het Heartland, en in het verlengde de Euraziatische landmassa. En wie Eurazië in haar macht heeft, kan de wereld dicteren.

Zie afbeelding hieronder:

Er zijn echter nieuwe ontwikkelingen gaande en de Nieuwe Zijderoute is daar een voorbeeld van.

De Chinees gestuurde intercontinentale web van allerlei (verweven) corridors en landbruggen gaat dwars door de Euraziatische landmassa heen, van Beijing tot Berlijn. Zie een visuele representatie hier beneden:

csm_ChinaMapping-Silk-Road-DEC2015-EN_686923c005.jpg

De geopolitieke implicaties van de Nieuwe Zijderoute (OBOR) zijn immens. Het gaat — of: is al, inmiddels — een complete reconfiguratie van geopolitieke, militaire, politieke en economische allianties en verstandhoudingen teweeg brengen. Een voorbeeld is Pakistan.

Zoals te zien is in de afbeelding hierboven vormt Pakistan één van de cruciale corridors binnen het overkoepelende OBOR project: Pakistan is China’s meest dichtbij gelegen toegang tot de Arabische Zee en vormt zo een poort naar de rijke Golfstaten, Oost-Afrika en Europa (via Egypte). Daarnaast is het een alternatieve maritieme handelsroute, die nu grotendeels nog loopt via de Straat van Malakka — wat de spanningen tussen China en de VS enigszins verklaart, gezien het feit dat deze route de levensader is voor de Chinese economie. Pakistan, aan andere kant, hunkert naar investeringen en financiële injecties — iets waar geen gebrek aan is in China. China heeft sinds 2015 meer dan 45 miljard dollars geïnvesteerd in het Chinees-Pakistaanse deel van de Nieuwe Zijderoute (formeel CPEC genoemd, Chinese Pakistani Economic Corridor) — dat is meer dan het totale (militaire) hulp die Pakistan sinds onafhankelijkheid heeft ontvangen van de Verenigde Staten (!).

Economische integratie en samenwerking leidt, zoals we weten van het Europese experiment, ook tot politieke harmonisatie en convergentie. Daar waar het buitenlandbeleid van Pakistan in lijn lag (of in dienst van?) Saoedi-Arabië en de Verenigde Staten, lijken de macro-economische ontwikkelingen sinds 2015 daar verandering aan te brengen. Dat was in dit jaar goed op te merken, door 3 gebeurtenissen:

  1. Pakistan weigerde om deel te nemen aan de Saoedische oorlog tegen Jemen
  2. Pakistan weigerde tevens om lid te worden van de Saoedische “soennitische alliantie” (wat in de regio ook wel opgevat wordt als een anti-Iran, pro-Saoedische samenwerking)
  3. Islamabad nam een neutrale positie in Syrië en sprak zich later zelfs uit tegen regime change in Damascus

Deze posities geven aan dat het Chinees gedreven OBOR-project, naast economische, ook nieuwe geopolitieke en militaire allianties smeed.

Zodra het OBOR-project afgerond is, is de verwachting dat dit ook verlengd zal worden naar alle andere participerende staten. Oftewel: staten, van Rusland, Kazachstan tot Oost en Zuid-Europa, zullen hun buitenlandbeleid meer in lijn gaan brengen met die van Bejing. En daarmee maakt China eigenhandig een einde aan MacKinder’s Heartland theorie en luidt een nieuwe geopolitieke samenstelling van de 21ste eeuw in. De vraag is echter of het OBOR project gaat lukken. Daarover later meer.

Kan Turkije het Westen wel verlaten?

In de afgelopen weken en maanden hebben vele analisten geschreven over een mogelijke Turkse re-oriëntatie. Sterker nog, sommigen spreken zelfs van een scheiding met het Westen.

Het klopt dat recente ontwikkelingen Ankara heeft gedwongen om haar buitenlandbeleid te wijzigen conform de huidige, geopolitieke setting (zoals deze schrijver hier, hier en hier beargumenteerd heeft). Dat verklaart waarom Ankara strategische diepte (ie. vrienden) zoekt en de banden heeft genormaliseerd met regionale grootmachten als Rusland, Iran en Israël.

Een afscheiding, echter, gaat niet gebeuren.

Gekeken naar hard power (ie. op militair en economisch domein), is ondubbelzinnig opmerkbaar dat Turkije té sterk geïntegreerd is met de westerse wereld. Sterker nog: op sommige vlakken is Turkije afhankelijk van het westen voor stabiliteit en groei.

Wat echter wel gaande is dat Ankara beseft dat het afhankelijk is van het westen en daarop reageert. Daarvoor is het jaar 2023 cruciaal — 100 jaar na oprichting van de Turkse republiek. De Turken hopen in dat jaar zowel economische als militaire (relatieve) onafhankelijkheid te bereiken en daarmee hun status als (regionale) grootmacht terug verworven te hebben.

In dit stuk ga ik daar verder op in. Ik probeer meer duidelijkheid te geven op hoe Turkije exact (militair en economisch) verweven is met het westen, wat ze daar aan proberen te doen en wat er van de Turkse re-oriëntatie te maken is.

  1. Veiligheid

Turkije is een cruciale partner binnen de westerse veiligheidsalliantie. Dat heeft niet enkel te maken met haar geavanceerde leger en militaire capaciteiten, maar ook de geostrategische ligging. Turkije is een belangrijke uitvalsbasis voor de uitdagingen komende uit het Midden-Oosten (de strijd tegen IS) en bredere regio (ie. Rusland en in eerdere vorm als de Sovjet-Unie). Hierdoor heeft het Anatolische land zich na aansluiting bij de NAVO kunnen ontwikkelen tot een onmisbare schakel in het westerse alliantiesysteem. Die navelstreng relatie met het Westen is op te merken in de taken die Ankara uitvoert. De Turken zijn verantwoordelijk voor:

  • Het stationeren van tactisch nucleaire raketten van de V.S.;
  • Het schrikt, met deze kernkoppen, vijandig gepercipieerde staten af (ie. primair Rusland, secundair Iran);
  • Het behuist het X-Band radarsysteem, wat onderdeel uitmaakt van de bredere NAVO-luchtverdedigingsstructuur;
  • Het is het speerpunt van de gevechtseenheden van de alliantie — oftewel, het hart van het NAVO rapide responsesysteem.

Daar blijft het niet blij: Turkije importeert haar wapens en andere militaire apparatuur en materiaal voornamelijk vanuit het westen. Dit maakt duidelijk dat Turkije sterk geïntegreerd en afhankelijk is van het westerse alliantiesysteem.

1 Turkse defensie-exports en grootte leger (ivm NAVO partners)
wo-aw203_turkar_16u_20150420182122

Bron: http://www.wsj.com/articles/turkey-shifts-away-from-west-on-defense-1429608604

Ankara is op de hoogte van haar afhankelijke positie. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Ahmet Davutoglu, zei in 2015 dat de “painful experience” uit de Eerste Wereldoorlog leert om niet afhankelijk te zijn voor wapens en dergelijke van externe machten. Het bouwen van een onafhankelijke, binnenlandse wapenindustrie is daarom cruciaal, want: “[a] nation without its own defence industry cannot fight the cause of liberation”, aldus Davutoglu. In 2002, bij aantreden van de nog steeds zittende regering, importeerde Turkije 80% van al haar wapens uit het buitenland, zei Erdogan in 2015. Daar moet verandering in komen, zei de toenmalige Turkse premier en huidige president, door: “to eliminate external dependency on defense equipment supply with ongoing projects and investments by 2023″. Dit maakt duidelijk dat er duidelijk noodzaak heerst in Ankara om zelf wapens te produceren en om daarmee van haar afhankelijkheidsrelatie af te komen. Volgens Burak Bekdil, veiligheidsanalist bij Turkse krant Hurriyet, zit dit diep geworteld in de hoofden van de Turkse beleidsmakers. “Turkey’s rulers firmly believe that Turkey cannot be the regional power they wish it to become without a really deterrent military force,” zei Bekdil tegen Reuters.

De Turkse regeerders willen die doelstellingen bereiken door een eenvoudige stappenplan te volgen. Het doel is om: a) minder wapens en materiaal te importeren en b) deze zelf te ontwikkelen, door: 1) zoveel mogelijk zélf wapens te produceren en 2) indien dat niet mogelijk is, technologische kennis te verkrijgen door gezamenlijke producties met geavanceerde militaire mogendheden aan te gaan.

2. Grootste importeurs en exporteurs van wapens, 2010–14

Exporter Global share (%) Importer Global share (%)
USA 31 India 15
Russia 27 Saudi Arabia 5
China 5 China 5
Germany 5 UAE 4
France 5 Pakistan 4
UK 4 Australia 4
Spain 3 Turkey 3
Italy 3 USA 3
Ukraine 3 South Korea 3
Israel 2 Singapore 3

Bron: https://www.sipri.org/yearbook/2015/10

In relatie tot het importeren van militaire wapens en materiaal vertaalt dit, in de woorden van Erdogan, geuit op 30 april 2016, als volgt:

“Our reliance on [defense imports] has decreased to about 40%, from 80% in 2002. Our target is to bring this down to zero at the centenary of the republic [in 2023]. We’ll  not only be meeting our own needs, but we’ll also become the main supplier of friendly  and brotherly countries.”

Het streven, dus, is om niet alleen de import van defensie te diversificeren, maar ook een (binnenlandse) wapenindustrie te ontwikkelen. De Turken probeerden dit lang samen met haar westerse partners te bereiken, maar die spelen, volgens Ankara, onvoldoende mee. Die gepercipieerde onwelwillendheid wordt gehekeld door de Turken en is sinds de gefaalde putsch van 15 juli in mate (en sterkte) toegenomen. De Turkse minister van Defensie, Fikri Isik, herhaalde en bevestigde op 15 augustus die ergernis. Volgens Isik willen Turkije’ NAVO-partners niet hen helpen verder ontwikkelen en daarom zijn ze genoodzaakt om naar andere partners te kijken:

 If our allies’ approach remains to keep Turkey at arm’s length, that will force us to           develop our own capacity with other types of cooperation. We can’t shut the door to on NATO countries like Russia or China.

Met andere woorden: Ankara ziet het ontwikkelen van haar defensie en militaire capaciteiten als een noodzakelijke ontwikkeling, maar ziet weinig openingen en kansen aan kant van hun NAVO-partners. Dat motiveert ze om de banden te versterken en verbreden met militaire grootmachten als Rusland — een opponent van de NAVO.

Dit is niet de eerste keer dat de Turken hun ongenoegen uiten over hun rol en positie in de westerse alliantie. Geluiden om haar NAVO-lidmaatschap te herzien zijn in de afgelopen jaren meermaals geuit en sterker geworden. Recentelijk nog, in 2015, was de regering van plan om een luchtverdedigingssysteem van Chinese makelij aan te schaffen, dat niet geïntegreerd kon worden in de door NAVO aangelegde en met verweven veiligheidsinfrastructuur. Uiteindelijk ging dat plan niet door (niet ondanks en mede dankzij druk vanuit haar NAVO-partners). Anderen zagen hierin dat Turkije de “Russische kaart” speelde. Oftewel: de Turken dreigde met meer en diepere betrekkingen met Rusland, om zo meer concessies te trekken uit haar westerse bondgenoten. Niettemin, de Turkse dreigingen worden steeds luider en serieuzer. De minister van Buitenlandse Zaken Cavusoglu (10 augustus) zei hierover:

“But, Turkey needs to establish its own air defense system and it needs to develop its own technology with the cooperation of other countries. If you [the West] do not do it, if you do not approach us as NATO allies and if you look at Turkey with a different eye, then Turkey has to set off on a quest,”

Dat is duidelijke taal. Daarnaast lijkt de tijd en context zich ook in het voordeel van het anti-NAVO kamp te scharen. In 2015 werd gemeten dat 30% van de Turken tegen NAVO-lidmaatschap waren. Hoewel dit een significant aantal was (maar geen meerderheid), is de kans groot dat dit percentage flink is toegenomen sinds de mislukte putsch — gezien de beschuldigingen vanuit Ankara aan het adres van Washington (voor o.a. niet het uitleveren van de vermeende leider van de coupplegers, Gülen, en hun eigen (mogelijke) betrokkenheid) en dat de gefaalde coup uitgevoerd werd door het NAVO-gezinde deel van het leger.

In conclusie, Turkije maakt integraal onderdeel uit van het westerse alliantiesysteem. Een mogelijk beperkte of verminderde rol zal verregaande gevolgen hebben, voor zowel Turkije als het westen. Recente ontwikkelingen als de rapprochement met Rusland en de gefaalde putsch van 15 juli hebben de Turken echter geprikkeld om alternatieve opties in (her)overweging te nemen. De Turken zijn vastberaden om hun 2023 doelstelling van militaire zelfvoorzienendheid te bereiken én realiseren zich dat ze buitenlandse partners nodig hebben, maar zullen in het kiezen daarvan pragmatisch mee omgaan.

 

  1. Economie

Op (financieel-)economische vlak zal een mogelijke re-oriëntatie van het westen uiterst moeizaam lopen, indien dat überhaupt mogelijk is. Dat heeft te maken met hoe de regerende partij de economie heeft gebouwd en gestructureerd.

Sinds aantreden in 2002 wist Erdogan’s partij groei te realiseren door een combinatie van factoren, met een grote rol voor het implementeren van een neoliberale regime. Hierdoor werd het land aantrekkelijk gemaakt voor buitenlandse kapitaal. Volgens Turkse journalist Mehmet Cetingulec waren dit de essentiële ingrediënten van het ‘Turkse model’. De voormalige minister van Economie, Mustafa Elitas, beraamde dat Turkije op deze wijze, sinds 2002, $165 miljard aan Foreign Direct Investments (FDI) kon aantrekken. Oftewel: buitenlandse kapitaal was bepalend in de Turkse groei.

De keerzijde van deze groei waren (en zijn):

  • structurele tekorten in het budget
  • deze tekorten worden opgevuld door buitenlandse kapitaal (o.a. “hot money”).

Hierdoor is er een wezenlijke afhankelijkheid ontstaan met en aan buitenlandse kapitaal. Dit is duidelijk merkbaar in de Turkse aandelenmarkt, die, volgens officiële data, momenteel voor 64% in buitenlandse handen is, en kent een (huidig) budget tekort van $30 miljard en schuld van $180 miljard in vreemde valuta. De overgrote meerderheid van deze leningen en geldstromen komen voort uit westers financiële bronnen. Anders gezegd: westers kapitaal heeft Turkije grootgebracht en houdt het ook zo in stand.

3. Turkije’ private schuld

turkey-debt

De structurele tekorten in het Turkse budget worden hoofdzakelijk veroorzaakt door teveel import. Één van de primaire oorzaken hiervan is de afhankelijkheid aan energie. Turkije haalt haar energie (olie en gas) voornamelijk uit landen als Rusland en Iran.

Een ander hoofdoorzaak voor de structurele tekorten in het budget onstaat als gevolg van het hoge percentage aan geïmporteerde halffabricaten in de productie van de Turkse export — dit betekent dat groei in export automatisch een toename in importen met zich meebrengt.

Volgens de Turkse centrale bank wordt dit tekort veroorzaakt door een inadequate binnenlandse bevoorradingsketen. De meeste Turkse bedrijven moeten namelijk het gros van hun materialen en grondstoffen importeren, in sommige sectoren als in de petrochemische industrie tot wel 87%, waardoor het tekort in het budget chronisch is en blijft. “Each percentage point of GDP growth requires more current account deficit than historic averages”, zegt Murat Ucer, econoom bij consultany bureau GlobalSourcePartners, tegen The Financial Times.

Het tekort wordt verder aangedreven door een hoge binnenlandse consumptie, waardoor groei in industriële productie automatisch een toename van imports betekent, wat verder gestuwd wordt door de eenvoudig te verkrijgen consumentenkrediet.

Bovendien kennen de Turkse banken een lage mate aan deposits — oftewel, Turken leggen hun geld niet op de bank — en zijn daarom verder genoodzaakt om te lenen op buitenlandse markten. De binnenlandse schuld is sinds 2002 gestegen van 7 miljard TL naar 372 miljard TL in 2013. Simpel gezegd: Turkije koopt meer dan dat het zelf kan betalen en leent daarom van het westen om die gat op te vullen.

De structurele tekorten in het budget worden opgevuld door te lenen. Dit wordt gedaan op buitenlandse markten, waardoor een sterke afhankelijkheid ontstaat aan en van externe financiers, die vaak op zoek zijn naar een snelle manier om geld te verdienen (en daarom aan korte termijnleningen doen). Deze financiële geldstromen worden ook wel “hot money” genoemd — vanwege de snelheid waarmee het zich van land naar land verplaatst, constant op zoek naar aantrekkelijke rentekoersen.

Hier is de afhankelijkheid van Turkije aan het westen duidelijk op te merken. Het gros van dat buitenlandse kapitaal bestaan volgens Atilla Yesiladas, partner bij een in Istanbul gevestigde denktank, vrijwel volledig uit leningen, korte termijn obligaties en “hot money”. En dat kapitaal origineert hoofdzakelijk vanuit het westen. Inderdaad, het Turkse dagblad Hurriyet kwam tot de conclusie dat 85% van die investeerders uit Europa en Noord-Amerika komen.

4. Oorsprong buitenlandse kapitaal Turkije

turkey-fdi

Daarbij komt dat ongeveer 30% van de Turkse buitenlandse schuld (ie. 120 miljard dollar uit een totaal van $405 miljard) bestaat uit korte termijn leningen en deze komen óók primair voort uit Europese en V.S. financiële bronnen. De conclusie hiervan is evident: Turkije is op financieel vlak compleet afhankelijk van westers kapitaal.

Hier zit volgens Yesilada ook de reden waarom een publieke en permanente botsing tussen Ankara en haar westerse partners niet van lange duur zal zijn:

Without a fresh supply of loans, and financial investors abandoning its bond and equity markets, Turkish lira could weaken precipitously; heavily indebted Turkish companies could not be able to service their foreign debts; and Turkish banks could not be able to extend loans at home. Recession and double-digit inflation could ensue in the upcoming months.

Inderdaad, dat was ook na de mislukte putsch van 15 juli op te merken. De politieke instabiliteit die daarop volgde wekte zorgen op bij investeerders, waardoor gevreesd werd van kapitaalvlucht. Ozlem Derici, hoofd van een in Istanboel gevestigde investeringsmaatschappij, zei tegen Reuters, dat het uitroepen van de noodtoestand zal bijdragen aan onzekerheid onder investeerders. Dit zal leiden tot “capital outflows from conservative, rating-constrained funds while making it costlier for companies and banks to raise finance”. Anders gezegd: om niet op te drogen van financiële geldstromen, moet Turkije politiek stabiel blijven en ook zo overkomen. Dat maakt het uiterst gevoelig voor politieke druk vanuit westerse hoofdsteden.

Met andere woorden, de Turkse economie is intrinsiek verweven met westers financiële kapitalisme. Yesilada beargumenteert daarom dat Turkije de westerse alliantie niet kan verlaten, omdat: “over the years it has developed an umbilical cord to Western capital and goods markets”. Bovendien is het een uitdrukking van de macht en invloed die het westen heeft over Turkije: Europese en VS autoriteiten kunnen eenvoudig en zeer effectief druk uitoefenen op Turkije door hun banken te adviseren om geen geld meer uit te lenen.

Ook op dit vlak is Ankara (overduidelijk en logischerwijs) op de hoogte van haar afhankelijkheidspositie én wil dat ook veranderen. Dit maakt dan ook onderdeel uit van de 2023 visie, die, zoals eerder gezegd, het leven in is geroepen om militaire en economisch onafhankelijkheid te realiseren.

Om die 2023 doelstellingen realiteit te maken, zijn er een aantal megaprojecten gepland. Een aantal van die zijn: Turk Stream, een Trans-Anatolische gaspijplijn en drie nucleaire kerncentrales. Deze megaprojecten zijn bedoeld om de structurele tekorten in het budget weg te werken, door: 1) haar energie importafhankelijkheid te diversificeren en 2) zelf energie op te wekken en produceren.

Tegen 2023 hopen de Turken om met de drie nog te realiseren kerncentrales voor een derde zelf in haar eigen energiebehoeften te voorzien, waardoor de structurele tekorten in het budget sterk teruggedrongen worden. Daarnaast probeert de Erdogan-regering, volgens een Poolse econome gespecialiseerd in de Turkse economie, haar structurele tekorten te reduceren door:

” actively pursuing the policy of promoting Turkish goods abroad and modernising the export structure by increasing the share of high-technology goods in overall exports.

Dit betekent dat de zittende partij in Ankara serieus stappen maakt om haar economie te herstructureren en daarmee ook haar afhankelijkheid aan westers kapitaal.

In conclusie, op korte termijn heeft Turkije weinig tot geen bewegingsvrijheid. Westers kapitaal heeft de Turkse economie in handen. En aangezien de meeste 2023 projecten op lange termijn dividenden zullen opleveren, zal er op korte termijn weinig veranderen. Daarnaast is het nog de vraag of Ankara 1) in staat is om deze maatregelen succesvol te implementeren, 2) of het daadwerkelijk de structurele tekorten en afhankelijkheid aan westerse kapitaal zal terugdringen en, belangrijker, 3) of het weet tot minimaal 2023 in macht te blijven. Aan politieke wil zal het echter niet ontbreken.

Verlaat Turkije het westen?

Terugkomend op de vraag  ‘kan Turkije het westen wel verlaten?’ is het antwoord duidelijk: nee. Wellicht zou de vraag moeten zijn of Ankara dat überhaupt wel wilt. Turkije mag dan weliswaar de betrekkingen hebben genormaliseerd met Rusland en Iran, en dat zal gevolgen hebben op de (geo)politieke betrekkingen met het westen, maar dat is meer een uitdrukking en gevolg van het eigen streven om een regionale grootmacht te worden dan van een wens om het westen per se te willen verlaten. De Turken zoeken partners om die status te bereiken en de huidige wereld biedt meer mogelijkheden dan enkel het westen. Turkije maakt daar simpelweg gebruik van in dienst van haar ‘2023’ doelstellingen.

Turkije valt Syrië binnen. Zet het daarmee de alliantie met Rusland en Iran op het spel?

Op 25 augustus kwamen berichten naar buiten dat het Turkse leger met steun van VS luchtaanvallen en Vrije Syrische Leger (FSA) milities Syrië was binnen gedrongen. Wat zegt dit over de alliantie met de Russen en Iraniërs, die de Syrische soevereiniteit en territoriale integriteit willen beschermen? Oftewel: zet Ankara hiermee haar alliantie met Rusland (en Iran) op het spel? Het antwoord is simpel: Ankara doet wat het altijd gedaan heeft; dat is: haar eigen belangen najagen — of dat nou met de VS of Rusland is.

De Turken hebben de strategische Syrische plaats Jarabulus ingenomen, die tot voorheen in handen was van IS/Daesh. Hoewel de terreurgroep de dienst uitmaakte in het nabij de Turkse grens gelegen noordelijke stad, heeft deze inval daarmee niet te maken. Anders gezegd, de Turken zijn Syrië niet binnen gevallen om Daesh te verdrijven. De Turkse transgressie heeft te maken met de progressie van haar gezworen vijanden: de PKK gelieerde Syrische Koerden.

De Syrische-Koerden zijn in de opmars. Tegen 14 augustus hadden ze de noordelijk gelegen stad Manbij bevrijd van Daesh onder het vlag van de VS-gesteunde Syrian Democratic Forces. Dat leverde het momentum om verder, oostelijk te bewegen naar de strategisch belangrijke stad Jarabulus, die in handen was Daesh en haar laatste grote stad was nabij de Turkse grens. Dit was een ontwikkeling die zorgen baarde in Ankara, aangezien daarmee de kans vergroot werd dat de afzonderlijke Koerdische enclaves verenigd konden wonden in één streek (of Syrisch-Koerdistan).

Het prospect van een relatief autonome Koerdistan is een rode lijn voor de Turkse republiek. De Syrische Koerden werken nauw samen en zijn op vele vlakken verbonden met de (PKK) Koerden in Turkije. Ankara ziet in een Syrisch-Koerdistan derhalve bedreiging voor haar eigen territoriale integriteit en in algemene zin ook de Turkse republiek. Dat is een ontwikkeling die de Turken dus koste wat koste zouden tegengaan.

Het was in dat licht te verwachten dat de Turken actie zouden ondernemen. Ook gaat het waarschijnlijk hier niet bij blijven. De door de Turken gesteunde FSA milities zeiden tegen The Wall Street Journal dat dit onderdeel maakt van een grotere plan. Een leider van een Syrisch-Turkmeense groepering zei:

“Operations are most likely to continue southward; our main aim is to defeat Daesh and repel it from around Aleppo, especially the northern part, and to set up a safe zone there,”

Hoe rijmt dit met de genormaliseerde betrekkingen met Rusland, aangezien Moskou en haar partners allen tegen een opsplitsing van Syrië zijn?

Zoals ik in dit stuk ook heb beargumenteerd, met als voorbeeld het Aleppo offensief begin augustus: dit heeft te maken met 1) de regime change-infrastructuur die de Turken in de afgelopen jaren hebben opgezet, die niet overnacht ontmanteld kunnen worden, én 2) het is een geopolitieke troefkaart op de onderhandelingstafels. Zodra de onderhandelingen gaan starten over de toekomst van Syrië, willen de Turken ook meer macht en invloed gaan uiten en daarom de waarde van hun ‘chips’ vergroten. Het Koerdische aspect speelt daar ook een belangrijke rol in, omdat de Turken hun hand kunnen gebruiken om de Koerden zoveel mogelijk te weren van de onderhandelingstafels of hun plannen te dwarsbomen. Dat is de rationale achter de Turkse beslissing om Syrië binnen te vallen. Ook valt er weinig meer over te onderhandelen als Assad Aleppo heeft veroverd: de Syrische president heeft dan de meest belangrijke steden in handen. Wellicht daarom steunde de Noord-Amerikanen de Turken in hun transgressie.

Wat is de reactie van Rusland? Poetin belde met Erdogan en uitte zijn zorgen over de Turkse inval, maar veroordeelde de aanval niet. Dat betekent dat de Russen of 1) passieve toestemming gaven of 2) weinig aan de situatie kunnen veranderen, aangezien de Turken de goedkeuring en (militaire) support van Washington hadden gekregen. Wellicht is het een combinatie van beide, omdat de Turken met deze inval 1) terreurgroep IS bestrijden en 2) de vorming van een Koerdistan ondermijnen — twee doelstellingen waar de Russen en ook de Syriërs en Iraniërs zich in kunnen vinden. Dat de Turken dan deze actie doorzetten om Aleppo te bereiken en een safe zone op te zetten kan dan gezien worden als een maatregel om hun macht en invloed op de slagvelden te vergroten én daarmee ook op de onderhandelingstafels.

Naar een Moskou-Teheran-Ankara alliantie?

Vlak na de historische ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus ontving Turkije hoog bezoek vanuit Iran. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, bracht op 12 augustus als eerst hoog geklede official bezoek aan het land sinds de coup – een tweede, significante gebeurtenis en teken van de verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen. De gefaalde putsch van 15 juli en de snelle Iraanse response in steun voor Erdogan lijkt opening hebben geboden om een nieuwe axis te creëren: een Moskou-Teheran-Ankara alliantie. In hoeverre is hier sprake van en wat zegt dit over de relatie tussen Turkije en het westen?

De vorming van een dergelijke axis zijn in de afgelopen maanden steeds sterker zichtbaar geworden, en dat begon al voor de gefaalde putsch van 15 juli. Op 9 juni kwamen de Defensie ministers van Rusland, Syrië en Iran voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog in Syrië bijeen in Teheran; de Turks-Russische betrekkingen werden genormaliseerd op 9 augustus (lees hier en hier voor context); een dag voor de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus, was de Russische leider op 8 augustus in Baku (Azerbeijan) om de economische en geopolitieke betrekkingen met Iran en Azerbaijan (zoveel mogelijk) te harmoniseren; na deze ontmoetingen kwamen Russische en Iraanse officials bijeen, op 15 augustus, om Syrië te bespreken. Deze reeks besprekingen hadden tot als gevolg dat Ankara haar buitenlandbeleid vis-à-vis Damascus wijzigde: voor het eerst sinds vijf jaar versoepelen de Turken hun eis m.b.t. het lot van Assad.

Tot voorheen eiste Ankara het vertrek van de Syrische leider. De Turken houden hem verantwoordelijk houden voor de oorlog in het Levantijnse land. Echter, zoals eerder besproken, hebben recente ontwikkelingen Turkije doen dwingen om toenadering te zoeken met Rusland en Iran. Om dit mogelijk te maken moest Ankara haar standpunten ombuigen zodat ze in grote lijnen geïntegreerd konden worden met die van de Russische (en Iraanse). Dat werd bereikt op 20 augustus. De Turkse premier Yildirim zei toen dat “[w]hether we like it or not, Assad is one of the actors” die een oplossing kan brengen in Syrië. Oftewel, het op regime change geörienteerde beleid is tot een eind gebracht. Een overwinning en getuigenis van de groeiende macht van Rusland en Iran.

Dit betekent niet dat er wezenlijke verschillen zijn. Ook met Iran. Maar waar het omgaat is dat er overeenstemming is gevonden op algemene beginselen. Die gemeenschappelijke standpunten worden gevonden op:

  1. de strijd tegen IS,
  2. oppositie tegen Koerdisch separatisme (wat in Iran sinds kort ook opgelaaid is)
  3. anti-Amerikanisme.

Deze gedeelde posities zullen volgens de Iraanse viceminister van Buitenlandse Zaken, Hossein Jaberi Ansar “contribute to creating an environment suitable to solving the Syrian crisis”.  Er is voldoende grond om daar samenwerking m.b.t. Syrië op te baseren. Het zijn op deze drie punten waar ook Rusland aansluiting vindt en daarmee de Moskou-Teheran-Ankara alliantie licht ziet.

Dat is een bijzondere ontwikkeling die ingrijpende gevolgen zal hebben voor toekomstige geopolitieke gebeurtenissen. Dit samenwerkingsverband kan namelijk dienen als de eerste belangrijke test voor de Euraziatische grootmachten in het oplossen van een regionale conflict. Dat wil zeggen, met een minimale tot geen rol voor het westen. Mocht dit trilaterale partnerschap daarom succesvol uitpakken, kan dit verder uitgebouwd en geïntegreerd worden binnen het raamwerk van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie. De Shanghai-samenwerkingsorganisatie is opgericht door de Russen en Chinezen en wordt gezien als de Aziatische NAVO. Iran wordt in 2017 volledig lid en Turkije heeft zich sinds in 2015 “observer status” verworven. Veel hangt dus af in hoeverre er een antwoord voor het Syrische vraagstuk gevonden kan worden.

In Syrië lijkt deze trilaterale toenadering enigszins haar vruchten af te werpen. Zo maakten de Russen onlangs gebruik van een militaire basis in Iran om luchtaanvallen uit te voeren in Syrië – voor het eerst sinds 1979 mocht een buitenlandse macht hier gebruik van maken. Ook suggereerde de Turkse premier dat de Russen gebruik konden maken van de Incirlik militaire basis. Dat wil zeggen, de basis die ook gebruik gemaakt wordt door de VS en andere westerse krachten. Volgens de Turkse premier heeft Ankara de Incirlik militaire basis open gezet voor strijdkrachten die zich inspannen tegen IS en “if necessary” kan Moskou daar ook gebruik van maken. Het moet nog blijken of dit daadwerkelijk zal leiden tot een Russische militaire aanwezigheid in Incirlik, maar de gevolgen van de Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn zichtbaar.

Daarnaast traden ook de Aziatische grootmachten in de afgelopen weken naar voren om hun steun te uiten voor hun Russische en Iraanse bondgenoten. China en India herhaalden en bevestigden hun steun uit voor Assad. Een teken van de zegen en goedkeuring van de belangrijke leden van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie.

Betekent de vroege tekenen van een Moskou-Teheran-Ankara alliantie dat Turkije haar rug keert tegen het westen? Daar is het te vroeg voor. Turkije is en blijft voor de komende tijd onderdeel van het westerse alliantiesysteem en haar economie is sterk verweven met die van het westen.

Aan andere kant, heeft Turkije meermaals aangegeven niet tevreden te zijn met haar rol in de NAVO en ook over het Europese toetredingsproces. Deze onvrede is alleen maar versterkt door de gefaalde putsch en de westerse reactie daarop. Daarbij komt dat recente ontwikkelingen op de grond in Syrië zich niet in het voordeel van Turkije hebben vertaald. Deze gebeurtenissen hebben Ankara ervan overtuigt buiten haar traditionele (westerse) partners te zoeken naar mogelijkheden om haar belangen te vertegenwoordigen.

Daar komen Rusland en Iran in beeld. Moskou en Teheran, twee grootmachten met bovenmatige invloed in de regio, hebben Ankara een opening geboden om zichzelf te herpositioneren in het licht van haar eigen belangen en doelstellingen. Het is derhalve geen kwestie van het aangaan van een alliantie met Moskou en Iran en een mogelijke afscheiding van het westen, maar het volgen van belangen in overeenstemming met de (geopolitieke) realiteit.  Een wereld waarin Rusland (sinds de Russische interventie in Syrië) en (post-nucleaire deal) Iran, naast het westen, een significante rol in spelen.

Het is vanuit dit licht dat Turkije zich zal (her)positioneren. De verwachting is dat de Anatolische macht haar ‘natuurlijke’ positie en rol zal innemen, in historische en geografische zin. Dat wil zeggen: als brug tussen Oost en West. Dat betekent dat Turkije het westen niet zal verlaten en Azië zal joinen, maar het maximale uit beide werelden zal halen. Oftewel: het is niet of of, maar en en. De nieuw geboren Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn daar de eerste tekenen van.