Sheher Khan

Geopolitieke analyses

Mislukte putsch overtuigt Erdogan van aansluiting bij Poetin

De mislukte putsch van 15 juli 2016 tegen de Turkse president, Recep Tayyip Erdogan, lijkt de Turkse integratie met Eurazië (ie. Rusland en China) in een stroomversnelling te hebben geplaatst. Was de Turkse president op 15 mei nog van mening dat de Zwarte Zee dreigde een “Russische meer” te worden, onderneemt hij post-coup de nodige stappen om de gebroken betrekkingen te repareren. De Turken voelen in toenemende mate verminderde steun en vertrouwen vanuit het westen, wat na de gefaalde staatsgreep alleen maar versterkt is geworden. Bovendien dwingen feiten op de grond Ankara om haar buitenlandbeleid aan te passen. De eerste post-coup buitenlandbezoek van Erdogan geeft duidelijk weer waar de Turkse prioriteiten gaan komen te liggen: Moskou.

Veranderende geopolitieke setting motiveert beleid Ankara
De Turks-Russische betrekkingen worden van oudsher gekenmerkt door wantrouwen en spanningen. In de huidige context is dat o.a. op te merken in het Syrische conflict: Ankara eist het aftreden van de Syrische president, terwijl Moskou hem in het zadel wilt houden. Deze tegenstellingen bereikten afgelopen november een hoogtepunt toen de Turken een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig uit de lucht hadden geschoten. Als gevolg daarvan werden alle betrekkingen bevroren.

Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter doen dwingen om hun opstelling vis-à-vis Moskou aan te passen en van koers te wijzigen. De Russische interventie in Syrië, gestart sinds eind september 2015, heeft de Syrische president, Bashar al-Assad, namelijk fermer in zijn zetel geplaatst en deelde mokerslagen uit aan (de door de Turken gesteunde) gematigde oppositie. Daarnaast zijn de Syrische Koerden hard op weg om een eigen staat te vormen — wat als een rode lijn beschouwd wordt voor de Turkse republiek. Kortom, het Turkse buitenlandbeleid ging van het bekende “zero problems” naar “only problems”.

Daarbij komt ook nog dat de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten de Syrische Koerden steunen — die gelieerd zijn aan de in Turkse ogen terroristische groepering PKK. Tevens hebben ze militaire basissen opgezet in de Koerdische delen van Syrië. De impliciete boodschap voor Ankara is evident: de traditionele (westerse) partners scharen zich aan zijde van haar gezworen vijanden.

De Koerden: bindende factor Erdogan en Assad
Gedwongen door deze nieuwe, geopolitieke context besloten de Turken om van tactiek te veranderen. De prioriteit ligt nog steeds bij het ondermijnen van een Syrische Koerdistan, maar nu langs Syrië, en daarvoor is Rusland nodig. Echter, om als een serieuze partner gezien te worden, moest Erdogan dat ook laten zien. Zoveel maakte de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, op 22 juli duidelijk tegen zijn Turkse tegenhanger. “Much will depend on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”, werd Lavrov geciteerd zeggende.

En dat deed Erdogan ook. Hij zette ten eerste op 5 mei zijn toenmalige premier, Ahmet Davutoglu, af. Davutoglu werd gezien als de architect achter het Turkse buitenlandbeleid en was een voorstander van hardere maatregelen tegen Syrië. Verder schreef Erdogan zelf op 12 juni een excuusbrief aan Poetin voor het in november 2015 neerhalen van een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (waarbij de piloot omkwam).

Deze publieke omwenteling kwam na maandenlange geheime onderhandelingen met Syrische diplomaten. Volgens Foreign Policy waren onderhandelaars, namens de zittende regering in Ankara, sinds januari 2016 bezig om een normalisatieproces op gang te krijgen. Een anonieme senior AKP-official rationaliseerde dit besluit tegen Reuters (17 juni) als volgt: “Assad (…) doesn’t support Kurdish autonomy. We may dislike one another, but we pursue similar politics with that regard”. Oftewel, de Turken hopen de vorming van een onafhankelijke Syrisch Koerdistan te ondermijnen, door de Syrische staat als unitaire entiteit te behouden. Daarvoor moet Ankara de betrekkingen normaliseren met Poetin en Assad, iets wat meer dan een maand geleden nog ondenkbaar was.

Hierbij is belangrijk om op te merken dat deze rappochement met Rusland niet spontaan is ontstaan, maar waarvoor de fundamenten reeds aangelegd waren: in 2015 bood Turkije zich aan om lid te worden van de ‘Aziatische NAVO’ (de Shanghai-samenwerkingsorganisatie, waar Rusland en China de oprichters van zijn); was tot voor kort van plan om een Chinees luchtverdedigingssysteem te kopen (significant hieraan is dat dit systeem niet geïntegreerd kan worden in de bredere NAVO luchtverdedigingsinfrastructuur); ging akkoord om Russische gas af te nemen (genaamd Turkish Stream, maar werd in de ijskast gezet na de crisis die ontstand als gevolg van het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig). Kortom, de Turkse aansluiting bij Rusland (en in breder verband China) volgt een reeds ingezette trend, maar die tijdelijk bevroren was wegens (geo)politieke omstandigheden.

Rusland vs. de VS: warm vs koud.
De mislukte putsch van 15 juli tegen Erdogan volgde op met zijn eigen heuse coup: het zuiveren van het staatsapparaat van oppositionele elementen. Hoewel dit ongetwijfeld bedoeld is om de positie van de Turkse leider te verstevigen, lijkt de gefaalde couppoging ook de Turkse re-oriëntatie van het Westen en naar Rusland (en China) te hebben geacceleerd. De daaruit volgende uitval met de Verenigde Staten spreekt boekdelen.

Terwijl de couppoging onderweg was, hield Washington zich afzijdig en veroordeelde de gepoogde machtsovername door het leger van meet af aan niet. Althans, dat is de heersende perceptie in Ankara. Toen eenmaal duidelijk werd dat deze putsch falende was, spraken de Amerikanen pas hun steun uit voor de zittende machthebbers. Deze aarzelende uiting van support werd door de Turkse regering niet in dank afgenomen.

De diplomatieke onenigheid tussen Ankara en Washington verergerde door de situatie rondom geestelijke leider Fethullah Gülen. Gülen, die verblijft in de VS, wordt door Ankara verantwoordelijk gehouden voor de mislukte putsch en eist zijn uitlevering. Washington weigert echter (bij gebrek aan juridisch bewijs) daar gehoor aan te geven. De Turken lieten het daar niet bij en begonnen druk uit te oefenen op hun langdurige NAVO-bondgenoot: op 19 juli werd de stroom voor de militaire basis in Incirlik uitgezet (waar er minimaal 2.500 Amerikaanse soldaten gestationeerd zijn, alsmede 50 tactische nucleaire raketten en wat de uitvalsbasis vormt voor de strijd tegen Daesh in Syrië en Irak); Ankara zette hoger in door op 26 juli president Obama er direct van te beschuldigen om de vermeende couppleger (Gülen) onderdak en rugdekking te geven. Dat werd gedaan door Bekir Bozdag, de minister van Justitie en vertrouweling van Erdogan; op 29 juli uitte ook Erdogan fel kritiek uit op zijn NAVO-partner, toen hij stelde dat de Amerikanen de “kant van de coupplegers” hadden genomen en op 31 juli werd de Incirlik-vliegtuigbasis afgesloten door 1.000 politiekrachten.

In schril contrast staan de (warme) reacties van de Russische president. Russische inlichtingendienst hadden volgens Arabische en Iraanse media hun Turkse collega’s  geïnformeerd over de aanstaande putsch en de volgende dag belde Poetin Erdogan persoonlijk op om zijn steun en vertrouwen in hem uit te spreken. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, was (25 juli) lofend hierover: “Russia has provided us with complete and unconditional support during the coup attempt, for that we are grateful to Putin and all Russian officials”.

Dat Ankara bereid is om de kwestie rondom Gülen zo ver te laten escaleren, is een duidelijke signaal dat de Turken de limieten van hun Atlantische partnerschap opzoeken. Belangrijker nog, dit geeft weer dat de Turkse regering ervan overtuigd is dat de VS een aandeel had in de mislukte putsch. In hoeverre er een zaak hiervoor te maken is, is irrelevant. Het gaat er om wat de Turkse machthebbers denken. Dat is cruciaal, want dat zal Turks beleid beïnvloeden en vormgeven.

Ook in relatie tot de Europese Unie (EU) is te zien dat de Turken hun betrekkingen anders willen vormgeven. Het voornemen om de doodstraf weer in te voeren reflecteert dat. Het introduceren van een dergelijke maatregel zou een potentiële lidmaatschap van de EU namelijk onmogelijk maken. Indien de Turken serieus zijn (om de doodstraf in te voeren), kan afgevraagd worden of ze überhaupt nog lid willen worden van de EU.

Het tijdperk van realisme
De Russische respons (op de mislukte putsch) creëerde een opening om de bevroren relaties met Ankara te ontdooien. Die kans werd ook gelijk gegrepen door de Turken. Vicepremier Mehmet Simsek reisde in de week van 27 juli af naar Moskou om de handelsrelaties weer te herstellen. Verder zijn de onderhandelingen over de gaspijplijn Turkish Stream herstart alsmede over de Akkuyu nucleaire kerncentrale. Bovendien laat de eerste buitenland bezoek (op 9 augustus) van president Erdogan duidelijk zien waar de prioriteit voor Turkije ligt: Rusland. Verwacht wordt dat tijdens deze ontmoeting, in de woorden van de minister van Economie Nihat Zeybekci, “the final impetus” zal worden gegeven aan bovengenoemde projecten. Belangrijker nog: hiermee zal een mijlpaal bereikt worden in de Turkse re-oriëntatie van het westen en naar Rusland en China. Een gebeurtenis die, volgens oud-topdiplomaat M.K. Bhadrakumar, gezien de centrale rol die Turkije speelt in het westerse alliantiesysteem, wellicht significanter zal kunnen uitpakken dan de 1979 Iraanse revolutie.

Een afscheiding zal echter niet gebeuren. EU landen als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijven de belangrijkste bestemmingen voor de Turkse export. Daarentegen staat wel dat de nummer één en drie importpartners respectievelijk China en Rusland zijn. Het Turkse buitenlandbeleid lijkt deze realiteit te volgen. Abdulkader Selvi, senior journalist bij de Turkse krant Hürriyet, typeert deze transitie (van het Turkse buitenlandbeleid) als een omschakeling van een “tijdperk van idealisme” naar een “tijdperk van realisme”. En in dat nieuwe tijdperk spelen Moskou en Peking een belangrijke rol.

De geopolitieke context van de Atatürk Airport terreuraanslag: cui bono?

Er is inmiddels al veel en vanuit verschillende hoeken geschreven over de terreuraanslag op Turkije’ grootste vliegveld, Atatürk Airport. Het geopolitieke aspect is echter wat me enorm interesseert. Hoewel er meerdere aanslagen zijn gepleegd in het afgelopen jaar, steekt deze, op het vliegveld, er boven uit. Dit heeft te maken met de geopolitieke context waarin deze aanslag gebeurd en de politieke geschiedenis van Turkije.
In de afgelopen weken was namelijk de contouren van een nieuw Turks (en post-Davutoglu) buitenlandbeleid op te merken, door: 1) het ontslaan van premier en tevens architect van Erdogan’s (voormalig) buitenlandbeleid, Ahmet Davutoglu; 2) normalisatie met Israël en 3), wellicht wel belangrijkste, rapprochement met Moskou.
Wat dan, heeft de aanslag met deze veranderende geopolitieke context te maken?
Geopolitieke prikkels
Om op bovengestelde vraag antwoord te geven moet als eerst onderzocht worden waar Ankara naar streeft. Oftewel, wat heeft de nieuwe geopolitieke context doen verschuiven?
De regering-Erdogan volgt wat sommige analisten een “neo-Ottomaanse” beleid noemen. Kort gezegd: Turkije moet volgens deze visie streven om haar eens verworven status als regionale grootmacht te heroveren. Davutoglu noemde deze zoektocht een “great restoration”.
Binnen dit kader, en in de context van de ontwikkelingen rondom Syrië, heeft de regering-Erdogan de volgende doelstellingen opgesteld:
  1. Turkije te positioneren als centrale doorvoerland tussen Europa en Azië;
  2. Het voorkomen van de vorming van een Koerdische staat in het noorden van Syrië

Betreft punt 1): De oorlog in Syrië is in vele opzichten een energie-oorlog. Syrië vormt door haar geostrategische ligging, net als Turkije, een belangrijke kruising in de energienetwerken, met name voor gaspijplijnen vanuit Iran en Qatar, en Erdogan wilt dat die pijplijnen, op weg naar de Europese markten, eerst langs Syrië en vervolgens Turkije gaan lopen. Daarmee hoopt Ankara haar machtspositie te vergroten. De Syrische president, Bashar al-Assad, had daar andere plannen over: hier meer daarover.

Dat was één van de hoofdredenen voor Erdogan om Assad te verdrijven en vervangen met een onderdanige cliëntregime, middels een bonte verzameling aan gematigde tot al-Qaida gelieerde milities (waaronder Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham). Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter gedwongen om het vigerend beleid te herzien. Een aantal van deze ‘push’-factoren zijn:
  1. Economische vooruitzichten zijn somber;
  2. Oorlog met PKK destabiliseert het land en heeft 200.000 vluchtelingen veroorzaakt;
  3. Extreme toename IS-aanslagen en andere, terroristische groeperingen;
  4. Russische interventie in Syrië heeft ervoor gezorgd dat Assad voorlopig nog aan de macht blijft (het verdrijven van de Syrische leider was één van de hoofdprioriteiten van Erdogan);
  5. Toetreding tot EU loopt op niets uit;
  6. 2+ miljoen Syrische vluchtelingen legt hevige druk op het land;
  7. Syrische Koerden zijn hard op weg om een eigen staat te vormen in noord-Syrië — een rode lijn voor de Turkse staat.

Betreft punt 2): in de afgelopen weken en maanden is gebleken dat Noord-Amerikaanse, Britse, Duitse en Franse special forces op dit moment aanwezig zijn in noorden van Syrië (ie. zonder toestemming van de regering in Damascus). Ze vechten daar zij aan zij met de Koerdische groepen tegen terreurgroep IS.

Die westerse aanwezigheid (in het noorden van Syrië) wordt door zowel Damascus als Ankara met argusogen bekeken. Zij zien daarin impliciete support áán én vóór een (semi-)onafhankelijke Koerdistan. Dat is iets waar zowel Ankara als Damascus niet willen en zullen laten toestaan. President Assad heeft namelijk al aangegeven alle (verloren) terrein terug te willen heroveren en de vorming van een Syrisch-Koerdistan wordt door Turkse beleidsmakers gezien als een bedreiging voor haar territoriale integriteit.

Anders gezegd: Turkije als Syrië zien binnen een prospect Syrisch-Koerdistan gemeenschappelijke doelen. Het is in dit perspectief dat de heimelijke onderhandelingen tussen Turkse en Syrische officials (gestart sinds april 2016 via Algerije) bezien moet worden: beide partijen proberen hun oppositionele beleid tegen de Koerden te harmoniseren.

Samenvattend: twee van Turkije’ hoofddoelen zijn in de afgelopen periode in gevaar gekomen: 1) het positioneren van Turkije als een cruciale doorvoerland en 2) de vorming van een Syrisch-Koerdistan.

Genoeg prikkels voor Erdogan om van beleid te veranderen, en dat deed hij ook:
  • sinds april 2016 praat Ankara weer met Damascus, dit gebeurde met hulp van Algerije.
  • het afzetten van Davutoglu, de architect van het voormalig buitenlandse beleid van Erdogan.
  • normalisatieproces op gang gezet met Israël ondanks een lopende rechtszaak (mbt het humanitaire schip Mavi Marmara, het liquideren van Turkse activisten en het opheffen van de blokkade op Gaza).
  •  excuses geboden aan Poetin voor het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig (november 2015).
De (Euraziatische) toon is gezet
Turkije zette hiermee stappen naar een meer gebalanceerd buitenlandbeleid, als brug tussen Europa en Azië. Dat wordt onder meer weergegeven in de (militaire) allianties die Ankara wil aangaan: Turkije is reeds lid van de NAVO en meldde zich in 2015 aan om ook lid te worden van de Aziatische variant (de (Chinees-Russische geleide) Shanghai-samenwerkingsorganisatie). Dit weerspiegelt het streven van Turkije om zich te positioneren als verbindende natie tussen Oost en West.
Binnen dit raamwerk moet de rappochement met Rusland en normalisatie met Israël gezien worden: het verdiepen van het Euraziatische integratieproces. Dat wordt gedaan onder meer gedaan door de gaspijplijn met Israël te herstarten en, belangrijker nog, ook die met Rusland (genaamd Turk Stream). De Russische gaspijplijn zal worden verbonden met het zuidoosten van Europa, waardoor Turkije dichterbij haar “neo-Ottomaanse” streven om zich als cruciale doorvoerland te positioneren komt (kort omlijnd hierboven).
Erdogan’s re-oriëntatie moet echter ook niet overschat worden: Turkse militaire eenheden staan nog steeds klaar langs de Syrische grenzen en de veiligheidsdiensten faciliteren nog steeds de bonte verzameling aan jihadisten naar Syrië. Cruciaal is echter dat de toon gezet is.
Turkse re-oriëntatie versus aanslag airport
Hoe kruist deze Turkse geopolitieke re-oriëntatie met de terroristische aanslag op Atatürk Airport?
Ten eerste, elke actie creëert een evenredige reactie. Wie verliest bij genormaliseerde betrekkingen tussen Turkije en Rusland?
De VS is sinds 2014 begonnen aan de Nieuwe Koude Oorlog tegen Rusland. Naast het opleggen van sancties en een groot aantal andere manieren om Rusland te ondermijnen, speelt het verzanden van de Russen in een uitputtingsoorlog in Syrië centraal hierin. Dit is echter niet mogelijk zonder de steun en samenwerking van en met Turkije. Zoals uitgelegd hierboven, brengt Erdogan stapsgewijs aanpassingen aan zijn buitenlandbeleid.
Ten tweede, de eerste coup in Turkije was tegen de regering van Adnan Menderes (Democratische Partij). Deze coup, uitgevoerd door het leger, was gedaan omdat Menderes ontevreden was over de controle van de VS over de Turkse veiligheidsdiensten. Tevens uitte hij kritiek uit op de structuring van het westerse alliantiesysteem en zocht derhalve toenadering tot de Sovjet-Unie, zoals hier uitgelegd wordt:
“As a matter of fact, Menderes was not content with the structure and control the CIA had within Turkey’s National Intelligence Organization (MİT). The U.S. even paid MİT officers’ salaries. Menderes’s visit to Moscow in order to prevent the intervention and find support for his cause irritated the U.S. Moreover, Menderes’s collaboration with Iran, Iraq and Pakistan via the Central Treaty Organization (CENTO) scared the U.K.”
Dat was aanleiding voor de coup. Nadat de coup succesvol was verlopen, spraken de coupplegers onmiddelijk hun steun uit voor en om onderdeel te blijven van het westerse alliantiesysteem:
“Our goal is the full observance of the U.N. Charter and Universal Declaration of Human Rights. Great Atatürk’s ‘Peace at home, peace at world’ principle is our flag. We are loyal to all our alliances and commitments. We are a part of NATO and CENTO,”
Vele analisten stellen dat deze coup uitgevoerd werd op goedkeuren én bevel van Washington.
Ten derde, Britse politieke analist Dan Glazebrook, schrijver van het boek Divide and Ruin, beargumenteert dat toen Egypte, na het aantreden van de autoritaire Sisi, zich meer richting Rusland (en China) begon te bewegen, en daarmee van de westerse sfeer van invloed, IS ook plots toe sloeg door een Russische civiele vliegtuig op te blazen. Als gevolg hiervan legde o.a. de Britten een boycot van toeristen op, waardoor één van Egypte’s meest vitale industrieën sterk is onder te komen lijden.

EXTERNE ARTIKEL – Hoe China haar economie reguleert (ivm VS, Rusland en Japan)

Nog een artikel dat inzicht geeft in de werkingen van de Chinese economie. Dit keer over de verschillende uitkomsten in de aanpak van economische crises. De schrijver legt uit hoe de Chinezen een “harde landing” kunnen vermijden en landen als de V.S., Japan en Rusland minder.

De sleutelquotes heb ik vetgedrukt gemaakt.

My Photo

JOHN ROSS

  • Is Senior Fellow at Chongyang Institute for Financial Studies, Renmin University of China

Why do Western economies have hard landings but China doesn’t?

Introduction

The media outside China periodically carries predictions of a China ‘hard landing’. For example George Soros grabbed headlines earlier this year by declaring of China: ‘A hard landing is practically unavoidable.’ Soros himself has an inaccurate record of investing in Communist Party led, and ex-Communist, countries such as Russia and China – having lost approximately $1 billion in Russia’s Svyazinvest telecommunications company. But similar claims regularly appear in other media.

To anyone dispassionately examining the facts these claims are extremely curious – as they are clearly the exact reverse of reality.  The facts show the only real modern serious economic ‘hard landings’ were not in China but in so called ‘Western’ economies – for example the US after 2007, Japan after 1990, Russia after the introduction of capitalism in 1991. China’s economy for example has not suffered a year of negative growth for at least half a century – in contrast to every major Western economy. Therefore, the real question which has to be explained, and which is examined here, is why do Western economies suffer ‘hard landings’ but China doesn’t?

Defining a hard landing

First it is necessary to define what is meant by a serious ‘hard landing’ – as different usages exist in the Western media. Superficially there are two variants:

  • The first is an actual fall in output – as in the US post-2007 ‘Great Recession’ or in Russia after the introduction of capitalism in 1991,
  • The second is a prolonged period of near economic stagnation – as in Japan after 1990, where for a quarter of a century annual GDP growth averaged less than 1%.

It will be seen, however, that the fundamental mechanism is the same in both cases.

What causes a Western economy’s ‘hard landing’?

A seriously erroneous assumption is sometimes repeated in parts of the media that because consumption is the largest percentage of GDP it must be consumption which is the decisive influence in business cycles – including in ‘hard landings’. This is simply an elementary arithmetic error. Fluctuations in investment are so much more extreme than changes in consumption that although investment is a smaller proportion of the economy it is investment changes which dominate large scale economic downturns. This will be demonstrated in the three largest modern economic ‘hard landings’ – the US ‘Great Recession’ after 2007, Japan’s prolonged stagnation after 1990, and Russia after 1991. Analysing these three cases clearly demonstrates that the same mechanism operated in each – and also shows why China has not and will not have any serious hard landing.

The US ‘Great Recession’

The US ‘Great Recession’, accompanying the international financial crisis, was the deepest US economic downturn since the aftermath of World War II. Taking quarterly data, US GDP fell by more than 4%. On the eve of the Great Recession, in the 4th quarter of 2007, the largest part of the US economy was consumption – total consumption accounted for 82.5% of GDP. In contrast private fixed investment accounted for only 17.1% of US GDP. But the decline in US investment was so much more violent than the decline in consumption that it was the investment fall which dominated the ‘Great Recession’.

Measuring in inflation adjusted dollar prices the maximum fall in US household consumption during the Great Recession was 3% whereas private fixed investment fell by 23% – the percentage fall in private fixed investment was therefore seven times greater than the fall in household consumption. In inflation adjusted dollars, household consumption declined by $275 billion but private fixed investment fell by more than twice as much at $592 billion.

Taking into account government consumption and investment the US trends were even more extreme. World Bank data shows that in 2007-2009 US GDP fell by $461 billion in inflation adjusted terms. But US total consumption, private and government, in this period fell by $59 billion while total fixed investment, private and government, fell by $556 billion. The overall fall in fixed investment in the US during the ‘Great Recession’ was almost ten times as large as the fall in consumption.

The US ‘Great Recession’, in summary, was entirely dominated by the fixed investment decline.

Figure 1

16 04 01 US Great Recession

 

Japan’s post-1990 stagnation

Turning to Japan, since 1990 its annual average GDP growth has been only 0.9%. But Japan’s near stagnation over almost a quarter of a century was caused by entirely contradictory movements in different components of its economy. From 1990-2013, the latest World Bank internationally comparable data, Japan’s total increase in consumption was 41%, whereas Japan’s fixed investment fell 16% – see Figure 2. Japan’s annual average consumption rise was 1.5% while the average annual fixed investment fall was 0.8%.

The extreme severity of Japan’s stagnation was therefore due to its fixed investment decline.

Figure 2

16 04 01 Japan stagnation

 

Russia’s post-1991 collapse and stagnation

After the introduction of capitalism in 1991 Russia suffered the worst peacetime collapse in a major economy since the Industrial Revolution. By 1998 Russia’s GDP was 39% below its 1991 level. Then, following a devaluation and default on Russia’s debts in 1998, on the basis of the now ended commodities price boom of the first decade of 21st century, Russia’s economy recovered from extreme collapse – but nevertheless overall in 1991-2014 Russia’s average annual GDP growth was only 1.0%. Russia may therefore be analysed as a ‘hard landing’ in either of the senses considered – an example of an extreme economic recession or, over the longer term, as an example of stagnation.

This case of Russia after 1991 is particularly crucial for China given that Russia followed the theory proposed by Chinese neo-liberals and as advocated at the time by the World Bank. The claim was that privatisation would aid economic development as it would increase efficiency – in technical economic terms that Total Factor Productivity (TFP) would increase. Leaving aside any reasons for this, Russia’s TFP did indeed increase – taking the latest available data, Russia’s TFP during 1992-2014 increased by an annual average 0.9%, which was higher than any advanced major economy. But this increase in TFP was entirely overwhelmed by the consequences of negative trends in Russia’s investment which produced first an unprecedented peacetime economic collapse and then almost a quarter century of net economic near stagnation.

During the period of economic collapse from 1991-98, during which GDP fell 39%, both Russia’s household and total consumption rose in inflation adjusted prices by 1 trillion roubles above 1991 levels, whereas fixed investment declined to 4 trillion roubles below it – fixed investment fell by 81%. It was therefore the investment decline which caused Russia’s unprecedented economic collapse.

Taking the whole period since the restoration of capitalism, by 2014 Russian total consumption in inflation adjusted prices was 8 trillion roubles above its 1991 level while fixed investment was 2 trillion roubles below its 1991 level. It was this fall in investment which therefore accounted for Russia’s prolonged stagnation – i.e. only 1.0% overall growth over almost a quarter of a century during the 1991-2014 period (See Figure 3).

In summary both Russia’s economic collapse, and its prolonged stagnation, were dominated by negative trends in fixed investment – precisely as in the US post-2007 and Japan post-1990. An increase in TFP was overwhelmed by the investment fall – that is any ‘micro-economic efficiency’ produced was entirely crushed by the ‘macro-economic inefficiency’ of the investment collapse, producing Russia’s economic disaster.

Figure 3

16 04 01 Russia hard landing

 

The above data therefore make clear the mechanism by which the US, Japan and post-1991 Russia suffered severe, in some cases catastrophic, economic ‘hard landings’ – and in turn why China does not. The reason such severe falls in investment, causing ‘hard landings’, are possible in Western economies is because the overwhelming bulk of major companies, and therefore of fixed investment, are privately owned. Under such conditions the state therefore has no mechanisms sufficient to stop such investment collapses. In short these countries suffered ‘hard landings,’ driven by the investment collapses, because they were capitalist economies.

In China, in contrast, there are diverse forms of ownership but with a dominant state sector. This is the structure reaffirmed at the 3rd Plenum of the Central Committee of the 18th Congress of the CPC in November 2013: ‘We must unswervingly consolidate and develop the public economy, persist in the dominant position of public ownership, give full play to the leading role of the state-owned sector.’1 It was reiterated by Xi Jinping at a session of this year Chinese People’s Political Consultative Conference, by stating in China public ownership plays a dominant role with diverse forms of ownership developing side by side.2

Therefore, China possesses a large state sector which can be used to raise investment if the government requires to take anti-recessionary measures. In China existence of this state sector, which is ‘dominant’ not in the sense of being the majority of the economy but of being large enough to give the state the ability to set the overall investment level, therefore gives to China the means to halt or reverse an investment decline. In summary, China does not suffer a hard landing, that is an investment collapse, because it is not a capitalist but a socialist economy.

The reason neo-liberals engage in ‘stereotyped speech’, and avoid using numbers, is because this macro-economic efficiency of China’s ability to use its state sector to control investment levels, and also to avert hard landings, is far greater than any micro-economic processes neo-liberals attempt to point to. If China’s state sector lost its ‘dominant’ position due to privatisation, that is its ability to set the overall investment level, China would no longer have the mechanisms able to avert hard landings of the US, Japan and Russian type.

It is sufficient to compare post-2007 trends in China and the US, that is following the onset of the international financial crisis, to see the contrast between the two economic systems. Taking annual data, to allow a comparison of China and the US, US private fixed investment fell by 22% between 2007 and 2009, whereas China’s fixed investment rose by 35%. As a result, while annual US GDP fell by 3% China’s GDP rose by 20% – the trends for the US were shown in Figure 1 and those for China are shown in Figure 4. In 2007-14 China’s fixed investment rose by 105% creating economic growth of 81%.

Figure 4

16 04 01 China post 2007

 

In short, in China as in the West, it is fluctuations in fixed investment which determine whether hard landings occur (as in the West) or whether these can be averted (as in China). As the Wall Street Journal noted accurately, probably without understanding the significance of what it described: ‘Most economies can pull two levers to bolster growth: fiscal and monetary. China has a third option. The National Development and Reform Commission can accelerate the flow of investment projects.’

But the reason China has such a third mechanism of accelerating (or decelerating in the case of overheating) this flow of investment projects, which no Western economy possesses, is because of its dominant state sector – i.e. because China is a socialist and not capitalist economy. It is this ability to pull the ‘lever’ of investment, due to the large state sector, in contrast to the US, Japan, and Russia’s investment declines, which means that these latter countries have ‘hard landings’ while China does not.

But it is this large state sector which, of course, distinguishes China from any capitalist economy. Most fundamentally China hasn’t and doesn’t suffer ‘hard landings’ because it is a socialist not a capitalist economy.

*   *   *

A slightly edited version of this article originally appeared in Chinese at Sina Finance.

 

References

1. CPC. (2014, January 16). Decision of the Central Committee of the Communist Party of China on Some Major Issues Concerning Comprehensively Deepening the Reform. Retrieved February 2014, 2014, from China.org.cn: http://www.china.org.cn/china/third_plenary_session/2014-01/16/content_31212602_2.htm

2 Xinhua. (2016, March 4). Xi underscores adherence to China’s basic economic system. Retrieved March 21, 2016, from Xinhuanet: http://news.xinhuanet.com/english/2016-03/04/c_135156388.htm

 

EXTERNE ARTIKEL – Waarom de Chinese vastgoedsector niet te vergelijken is met het Westen

Hieronder heb ik een informatieve artikel gepaste van Forbes Magazine over Chinese “ghost cities” — steden volgebouwd met huizen, waarvan verwacht wordt dat die bewoond zullen worden, maar dat niet altijd gebeurd en daardoor leeg blijven. Vaak wordt er in het westen geschreven over de onhoudbaarheid van de Chinese vastgoedsector, maar wat dan meestal niet begrepen wordt is dat de Chinese economie niet te vergelijken is met elk ander land uit het Westen. China heeft haar markten in de laatste decennia weliswaar in meer of mindere mate geopend, maar het is de Communistische Partij die nog alles in handen heeft. Het stuurt de economie naar wens aan en kijkt verder dan de volgende kwartaal. Veel leesplezier!

 

What China Is Doing About Its 450 Million Square Meters Of Unsold Housing

I’d like to introduce some of China’s new ghost cities: Nanguan, Kerqin, Yuhong, Saihan, Yijinhuoluoqi, Dongling. They were uncovered by a Peking University study that used Baidu big data to find cities with large housing developments that the search engine’s users just weren’t going to very often. The rationale was that if nobody is going to these places then there is a good chance that they could be vacant — new “ghost towns” systematically built at the height of China’s urbanization boom.

Although when I looked at the list of places something stood out. Besides having under-populated new areas these cities also have something else in common: nobody’s ever heard of them before. Most are relatively small, relatively unimportant cities floating beyond the peripheries of China’s main economic powerhouses.

When we talk of China’s ghost cities we are no longer really talking about places like Shanghai’s Lujiazui, Guangzhou’s Zhujiang, and Zhengzhou’s Zhengdong New Area, who were once the recipients of international mockery for being under-populated. For the most part, these places have filled up and have become the economically vital engines they were envisioned to become — even Ordos Kangbashi now has 100,000 people. The places we’re focusing on now as having gluts of unsold homes are mostly diminutive new developments that were built by relatively minor cities. Oftentimes, these places are dusty, obsolete mining towns in the north of the country that are trying to develop new industries to become anything other than dusty, obsolete mining towns.

That said, there is a big difference between empty apartments that have been sold and unsold inventory. Purchased housing that’s empty for the short term — as is very common in China — isn’t a sign of any kind of economic calamity: the developers got paid, the local government collected their land sale and tax revenue, investors were often able to resell properties for a higher price than they paid. Beijing itself is technically 20% empty. But in China, just because an apartment is empty doesn’t mean it’s not being used. Vacant property in this country takes on multiple functions, from being a place to store savings to being a future home for offspring to move into when they get married, to a degree that’s unprecedented in the West.

Although there are also real ghost towns in China. According to the National Bureau of Statistics, the country currently has 450 square kilometers of unsold residential floor space, which is nearly enough to completely blanket Boston twice. This is an issue that has shot straight up to the country’s highest echelons of power. President Xi Jinping himself has declared the excess inventory of residential property one of the country’s “four battles of annihilation” that need to be won in order to for the economy to continue progressing, and the destocking of unneeded housing has become a national priority.

 

So what will China do about all of its unsold homes?

Tearing them down

A real estate developer in Heyuan, Guangdong province recently made headlines by tearing down 100 villas that remained unsold for a decade. While the cost of this demolition was reportedly upwards of $18 million, this allows the developer the opportunity to build something else that can actually be salable in their stead.
When we look at the recent wave of new city building that has overtaken China in the past fifteen years what we essentially see is a rough draft of urbanization. By law, developers cannot just sit on the land they buy and wait until a new area is built-up and the market matures around it. No, they must build something almost immediately — it is called urban construction land for a reason. As they take out freehold leases on residential land for 70 year periods and the buildings themselves hardly last half this long, developers essentially have multiple attempts to build something that can ultimately make a profit.

So when we look at China’s seas of empty apartments rest assured that if they don’t sell they will be knocked down and something else will be built in their place before crumble to ruins. Development land in China is just too valuable to allow unprofitable buildings to interminably take up space.

Cut back on building more houses

Municipalities and developers in China are very aware of their unsold housing stock and are often willing to take measures to remedy major imbalances. One of the ways they do this by applying simple supply/demand theory: the less new residential properties going on the market the higher the demand for the available stock.

Local municipalities in China control how much new land they make available for new residential constructions and developers can decide whether it’s in their interest to add to the existing housing stock or to hold off and sell what they already have. The big, unchecked urbanization boom in China is now over, and in places that currently have an excess of unsold housing we’re seeing a drastic cutting back of new inventory being added to the market.

Sell them to the government

I remember the ominous words of a property developer that I once met in Nanhui, a new city that was built to support the Yangshan Free Trade Zone 60 km outside of Shanghai. I asked him how he would fare in the event of a catastrophic crash in the property market, to which he replied, “Don’t worry, the government will take care of it. The government will lose a lot of money but we will be fine.”
In many ways China has a contrived economy. Municipalities, the banks, and many companies are all run by the same organization: the Communist Party of China. So when we talk about things like debt it doesn’t really mean the same thing as it does in the West. The communist party is also an organization that tends to value what it perceives as long term stability over short term profits, and they are often more than willing to bail themselves out — especially when it comes to the real estate market that so many of the country’s other industries depend on.

Guangdong province is currently in the process of enticing some large state-owned enterprises to buy up a large amount of its unsold housing stock, according to the SCMP. Over the next three years, Guangzhou has committed to reducing its unsold commercial housing by 20 million square meters through a program that will see unsold apartments being converted into public rental housing.

What Will Become Of China’s Ghost Cities?

While I wouldn’t say that this is yet a particularly widespread solution for China’s unsold housing inventory, it does show that some municipalities are taking action on a problematic side effect of decades of rampant urban expansion.

Big companies like Starbucks SBUX +2.18% can close hundreds of stores per year and remain a very successful because their gains ultimately outweigh their losses. Urbanization in China can be viewed in the same light. To get an accurate picture of China’s broader real estate situation we need mitigate the failures against the successes and look at the bottom line.

The bottom line here is that the numerous failures of minor developments simply do not measure up against the great urbanization successes that we see in Shenzhen, Shanghai, Wuhan, Guangzhou, Changsha, Zhengzhou, Chengdu — places that have become some of the most economically dynamic cities on the planet. According to Merrill Lynch, in 12 of 50 major Chinese cities there is currently a deficiency of available housing, and the housing supply in economically vital places like Suzhou, Zhuhai, and Nanjing is right on target.

While not every new city is going to be successful and not every expanse of countryside is going to support a forest of high-rises just because they’re planted there, to use the failures of minor new urban developments to make projections on the broader Chinese economy is like using Ironwood, Michigan as an indicator to judge the financial position of the United States. The scale is just too far off.

 

http://www.forbes.com/sites/wadeshepard/2016/03/31/what-china-is-doing-about-its-450-million-square-meters-of-unsold-housing/#26360b4a54e3

Wikileaks Clinton #email-gate: Israël wil Assad weg om Iran, Google biedt hulp

De gelekte mails van presidentskandidaat Hillary Clinton blijven verbazen. In een recente patch uitgebracht door Wikileaks wordt unieke inzage gegeven in de binnenste werkingen van Washington. Een deel van die vrijgegeven mails dateren uit de tijd dat Clinton nog minister van Buitenlandse Zaken was; met betrekking tot de oorlog in Syrië wordt uit de mails duidelijk dat de bondgenoten van de VS, waaronder Israël, haar adviseerde vóór regime change in Damascus. Ook interessant — maar niet geheel verrassend — is dat Washington daarbij ondersteuning kreeg van techgigant Google.

Israël’s voornaamste zorg
Volgens een gedeclassificeerd document verstuurd naar mevrouw Clinton (gedateerd december 2012) bekijkt Tel Aviv de ontwikkelingen in buurland Syrië met argusogen aan. Deze zorgen hebben niet zozeer te maken met de humanitaire gevolgen van de opstand, maar over het verliezen van haar dominante machtspositie in de regio.

Die dominante machtspositie wordt in grote mate mogelijk gemaakt doordat Israël de enige speler in het Midden-Oosten is met nucleaire capaciteiten. Mocht die status quo veranderen, omdat ook Iran nucleaire wapens weet te bemachtigen, dan zou dat tot een fundamentele herwijziging van de machtsbalans leiden. Een dergelijk scenario wil Israël absoluut voorkomen, zo blijkt uit het document.

De oorlog in Syrië en Iran’s nucleaire programma mogen dan op het oog ongerelateerd lijken, zo staat er in het document, maar mocht Teheran tóch nucleaire wapens in handen weten te krijgen, dan zou dit tot het volgende als gevolg hebben:

a precarious nuclear balance in which Israel could not respond to provocations with conventional military strikes on Syria and Lebanon, as it can today.

En:

If Iran were to reach the threshold of a nuclear weapons state, Tehran would find it much easier to call on its allies in Syria and Hezbollah to strike Israel, knowing that its nuclear weapons would serve as a deterrent to Israel responding against Iran itself.

Dat is dus de reden waarom Assad uitgeschakeld moet worden, namelijk: Syrië is de brug naar het Libanese verzet; bewegingen als Hezbollah worden allen getraind, bewapend en gefaciliteerd door Syrië (met hulp van Iran). Daarom scharen Israëlische leiders zich achter de val van de Assad-regering, om die strategische alliantie tussen Hezbollah, Syrië en Iran te breken.

Washington zou dat (volgens het document) kunnen doen door de volgende stappen te ondernemen:

“Washington should start by expressing its willingness to work with regional allies like Turkey, Saudi Arabia, and Qatar to organize, train and arm Syrian rebel forces.

The announcement of such a decision would, by itself, likely cause substantial defections from the Syrian military.

Then, using territory in Turkey and possibly Jordan, U.S. diplomats and Pentagon officials can start strengthening the opposition.

Zoals deze schrijver eerder heeft beargumenteert, Iran vormt inderdaad het primaire doelwit in de oorlog in Syrië én de opstand wordt mede mogelijk gemaakt door de buurlanden van Syrië (eg. Turkije, Saoedi-Arabië, Jordanië en Qatar).

Fragment uit het gedeclassificeerd document uit juli 2012

De strategische voordelen — die het waard zijn om in het geheel te citeren — van het verdrijven van president Assad worden in de brief als volgt opgesomd:

– Iran would be strategically isolated, unable to exert its influence in the Middle East.

– The resulting regime in Syria will see the United States as a friend, not an enemy.

– Washington would gain substantial recognition as fighting for the people in the Arab world, not the corrupt regimes.

– For Israel, the rationale for a bolt from the blue attack on Iran’s nuclear facilities would be eased.

– And a new Syrian regime might well be open to early action on the frozen peace talks with Israel. Hezbollah in Lebanon would be cut off from its Iranian sponsor since Syria would no longer be a transit point for Iranian training, assistance and missiles.

De prijs is dus enorm voor Israël. In een andere brief uit juli 2012 wordt echter duidelijk dat het omver werpen van de zittende regering in Damascus vergaande gevolgen zal hebben voor de gehele regio. Een waarschijnlijke uitkomst zal een regionale sektarische oorlog tussen de twee grootste bevolkingsgroepen, soennieten en sjiieten, zijn. Niettemin, zegt één Israëlische bron uit een juli 2012 mail, kan dat ook ‘positief’ uitpakken:

“if the Assad regime topples, Iran would lose its only ally in the Middle East and would be isolated.

At the same time, the fall of the House of Assad could well ignite a sectarian war between the Shiites and the majority Sunnis of the region drawing in Iran, which, in the view of Israeli commaders would not be a bad thing for Israel and its Western allies.

Oftewel, deze bron beargumenteert dat een regionale oorlog tussen soennieten en sjiieten, die zeer waarschijnlijk zal leiden tot miljoenen doden, ook een gunstige uitwerking zal kunnen hebben. Want, zo zegt die Israëlische bron, zal een dergelijk scenario er toe leiden dat Iran genoodzaakt zou zijn om haar nucleaire programma tot een halt te brengen en wellicht zou dat ook bijdragen aan de val van de Iraanse regering.

“Not just a company”
Ook Google lijkt zich bij de partij te hebben aangesloten. Eind juli 2012 ontving Hillary Clinton een e-mail van Jared Cohen — het hoofd van de toenmalige ‘Google Ideas’ (tegenwoordig Jigsaw). Cohen schrijft in die brief dat ze in samenwerking met (de Qatarese nieuwszender) al-Jazeera bezig zijn om middels een “tool” deserteurs van het Syrische leger te visualiseren. De logica hiervan is om: “encouraging more to defect and giving confidence to the opposition”.

De “tool” werd uiteindelijk gepubliceerd door al-Jazeera, in het Engels en Arabisch, en is hier te vinden. Het groeide uit tot één van de meest bekeken infographics op hun website. Google Ideas/Jigsaw spreekt zelf niet van het aanmoedigen van overlopers of het steunen van de oppositie. De Britse krant The Independent vroeg om een reactie, maar Google weigerde commentaar.

De samenwerking tussen Google en Washington komt niet geheel als een verrassing aan. Wikileaks oprichter Julian Assange gelooft dat Google wezenlijk deel uitmaakt van het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten. In een stuk uit 2015 schreef hij:

“Whether it is being just a company or ‘more than just a company,’ Google’s geopolitical aspirations are firmly enmeshed within the foreign-policy agenda of the world’s largest superpower,””

Daar blijft het niet bij. Britse onderzoeker dr. Nafeez Ahmed laat in twee uitvoerige onderzoeksartikelen zien hoe Google groot is gebracht met hulp van de CIA en inmiddels ferm gepositioneerd is in de massasurveillance.

The ‘Hillarator’
Deze laatste revelaties laten zien hoe koelbloedig men te werk gaat achter de schermen en waarom mevrouw Clinton ook wel ‘The Hillarator’ wordt genoemd. Uit exposés in The New York Times en Washington Post is bekend dat zij de drijvende kracht was achter de 2011 NAVO-interventie in Libië. Er is daarom niet veel voorstellingsvermogen nodig om in te beelden wat drie jaar langer Clinton zou hebben voortgebracht (in relatie tot de oorlog in Syrië) indien ze langer was aangebleven als minister van Buitenlandse Zaken.

Voor wie nog geïnteresseerd is in waarom Frankrijk de Libische leider Muammar Gaddafi uit de weg wilde ruimen, kan dat in een andere gelekte Clintonmail hier lezen.

Erdogan’s “anti-IS” maatregelen zijn niet bedoeld tegen de terreurgroep

(Dit is een oud stuk uit juli 2015 dat ik voor Turks Nieuws had geschreven)

Het Erdogan-regime heeft besloten om actie tegen de Islamitische Staat (IS of Daesh) te ondernemen. Aanleiding was de door IS gepleegde aanslag in Suruc, waarbij 32 Koerdische socialisten omkwamen. Een aantal van die maatregelen zijn: aanvallen op IS-doelen in Syrië, het arresteren van jihadisten (en Koerdische socialisten) én toestemming verlenen aan Washington om haar Incirlik luchtmachtbasis in gebruik te nemen (in strijd tegen IS). Hiermee wekt het Erdogan regime de indruk dat ze (eindelijk) bereid zijn om tegen Daesh op te treden — na jaren van steun en collaboratie.

Genoemde maatregelen zullen echter ontoereikend blijken om de terreurgroep te stoppen, en daar zit Ankara ook niet mee. Het Erdogan regime maakt gebruik van het momentum (voortvloeiend uit de IS-aanslag) om aan haar eigenlijke doelstellingen te werken:1)voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen haar populariteitscijfers te verhogen (in navolging van een parlementaire meerderheid), 2) het ondermijnen van de Koerdische bewegingen in zowel Turkije als Syrië en 3) ter aanvulling op vigerend beleid met betrekking tot Syrië.

Alle politiek is lokaal
Het bekende adagium ‘alle politiek is lokaal’ is een handige vertrekpunt om de daadwerkelijke motieven van het Erdogan regime te achterhalen. Tijdens de afgelopen algemene verkiezingen van 7 juni 2015 kwam de AKP als winnaar uit de bus kwam, maar verloor het haar hegemonische status. De AKP ging van 327 zetels naar 258, en behaalde voor het eerst geen meerderheid in het parlement. Die afname was mede te danken aan het buitenbeleid dat de regerende partij de afgelopen jaren gevoerd heeft, in het bijzonder: Syrië.

In haar streven om de ontwikkelingen in naburig Syrië naar eigen voordeel te sturen keerde het Erdogan regime naar allerlei (takfiri) doodseskaders, waaronder IS. Toen deze terreurgroep haar pijlen ging richten op de Koerdische volkeren in zowel Syrië als Irak, kwamen de spanningen tussen de Koerden en Ankara weer eens tot een hoogtepunt; met name toen Daesh, in september 2014, de Syrisch-Koerdische plaats Kobani/Ayn al-Arab aanviel én het Turkse leger toekeek zonder te handelen en Turks-Koerdische hulp aan hun Syrische verwanten tegenhield.

Dit motiveerde de Turkse Koerden om hun stem in de afgelopen verkiezingen niet op de zittende regering (AKP) uit te brengen, maar op de (pro-)Koerdische HDP — momenteel de vierde partij in het parlement, geleid door de Koerdische socialist Demirtas. Hierdoor kwam de AKP voor het eerst zonder parlementaire meerderheid te zitten en laakt het daarmee het benodigde mandaat om haar beleid voort te zetten.

Dit betekent echter niet dat het Erdogan regime zich bij de verkiezingsuitslagen heeft neergelegd. Sterker nog, de AKP gaat voor een tweede ronde. Dat wordt duidelijk in de houding die president Erdogan sindsdien heeft aangenomen; de Turkse leider heeft de vorming van een nieuwe regering herhaaldelijk weten te vertragen en daarmee verraadt Erdogan zijn ware ontwerp: het (demissionair) kabinet stuurt aan tot nieuwe verkiezingen. De AKP-leiders ontkennen dat zelf ook niet, zoals Turkije-kenner Peter Edel pent in een recente column:

‘Aldus liet Davutoglu doorschemeren dat nieuwe verkiezingen nog altijd de voorkeur hebben voor de AKP, iets waar Erdogan eerder ook al op zinspeelde.’

De maatregelen tegen IS vervullen in dit licht een tweeledige functie: 1) het is een poging om, voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen, verloren stemmers terug te winnen; 2) het dient als een dekmantel om de socialistische Koerden te verzwakken én staat in dienst van haar Syrië-beleid.

Ongeloofwaardig

Het Erdogan regime heeft na jaren protest eindelijk besloten om actie tegen Daesh te ondernemen. Het heeft in de afgelopen dagen o.a. aanvallen op IS-doelwitten uitgevoerd, IS- militanten opgepakt en een plan onthuld om de grens met Syrië te bewaken. Hiermee wil het demissionair kabinet aantonen dat het inderdaad toegewijd is om de Koerden te beschermen, maar de huidige maatregelen zullen daarvoor ontoereikend blijken.

Indien het Erdogan regime daadwerkelijk geïnteresseerd was om IS te ondermijnen, dan zou het: 1) de levering van wapens (afgedrukt met een Turkse stempel) naar IS-milities tot een halt roepen, 2) actoren steunen die een CV in het decimeren van Daesh hebben opgebouwd (ie. Koerdische volkseenheden, Syrië, Iran, Hezbollah & Irak) en 3) zou het zich niet aansluiten bij dezelfde coalitie die überhaupt verantwoordelijk is voor de opkomst van IS!

Bovendien zou het Erdogan regime moeten ophouden om al-Qaida gelieerde doodseskaders te steunen (zoals Jaish al-Fatah, eerder uitgelegd hier), die tevens meerdere malen in het verleden hebben samengewerkt met, wapens verkocht aan en wiens strijders over waren gelopen naar Daesh (meer hier).

Zolang Ankara niet deze maatregelen implementeert is er weinig vertrouwen dat ze echt toegewijd zijn om IS te vernietigen. Tekenend was dat nota bene een dag na de IS-aanslag in Suruc bekend werd dat de dochter van Erdogan betrokken is bij medische verzorging van IS-jihadisten.

Anti-IS of Koerdisch?
Het tweede, werkelijk doel van de anti-IS maatregelen hebben niet alleen met de takfiri terreurgroep te maken, zoals dat ook duidelijk wordt uit onderstaand statement van de Turkse premier Davutoglu:

“The State of the Turkish Republic is adamant on fighting all terrorism without distinction as it has always done, be it the terrorist organisation of Daesh [Isis], the terrorist organisation of the PKK or any other international terrorist organisation,”

Dit verklaart waarom de Turkse autoriteiten tijdens haar invallen op IS-locaties óók Koerdische socialisten heeft gearresteerd, waarbij er één Koerdische DHPK/C-militant is omgekomen (tegenover nul jihadisten). Het Erdogan regime probeert hiermee twee vliegen in één klap te slaan. Enerzijds breekt het de ontwikkeling van een sterke Koerdische beweging in Turkije en ondermijnt het de vorming van een autonome Koerdistan in Syrië, en anderzijds boost het haar populariteitscijfers door naast terreurgroep IS ook de PKK in het vizier te hebben, die door het Turkse regime geclassificeerd wordt als een terroristische organisatie. Anders gezegd: het probeert het Turkse volk achter zich te krijgen door twee (in Turkse ogen) terreurgroepen te bestrijden.

Deze aanpak is des te meer opmerkelijk (en getuige van realpolitik), daar de 32 gedode Koerdische socialisten bij de IS-aanslag in Suruc, dezelfde ideologie delen als de Koerdische socialisten die gearresteerd worden door het Erdogan regime én óók bezig waren om hun Syrische verwanten in het door YPG gerunde Kobani/Ayn al-Arab te helpen!

De rol van Syrië

Het Erdogan regime heeft ook de IS-aanslag in Suruc in dienst van haar buitenlandbeleid weten te laten uitpakken. Het voortvloeiende (politieke) momentum is gebruikt om acties tegen IS-doelen in Syrisch grondgebied uit te voeren, en zo legitimeert Ankara haar militaire aanwezigheid in Syrië. Dit brengt haar dichterbij haar plan om Syrië te ondermijnen (uitgelegd hier).

De Turkse leider heeft in de afgelopen jaren meerdere malen gepoogd om een casus belli voor militaire interventie in Syrië te creëren; case in point is het plot om de tombe van Süleyman Sjah — die sinds kort geleden op Syrisch grondgebied te vinden was — op te blazen. In maart 2014 kwam uit gelekte audiogesprekken tussen hooggeplaatste officials, waaronder de huidige premier Davutoglu, naar voren dat het Erdogan regime van plan was om de tombe van een vaderfiguur uit de Ottomaanse geschiedenis te vernietigen, om daarmee steun voor militaire interventie te legitimeren. Tevens blijkt uit de gesprekken dat ze hiermee de NAVO wilden dwingen om een no-fly-zone in te stellen.

Het heeft er alle schijn van dat het Erdogan regime niet van gedachte is veranderd, zoals blijkt uit de recente deal die ze met Washington hebben afgesloten. In ruil voor Noord-Amerikaanse toegang tot haar luchtmachtbasis in Incirlik, heeft het Obama regime toezegging gedaan om een buffer- en no-fly-zone in Syrië in te stellen. Dit is een lang opgehoopte wens van het Erdogan regime. Hiermee tracht Ankara om een stuk Syrisch grondgebied eigen te maken, waarmee 1) een autonoom Syrisch-Koerdistan ondermijnd kan worden en 2) wapens en jihadisten (zonder Syrische en buitenlandse inmenging) vrije doorgang geboden kan worden, die vervolgens terecht zullen komen bij de door Ankara gesteunde takfiri doodseskaders (meer daarover hier).

Kortom, hoewel het Erdogan regime wil voordoen alsof haar maatregelen bedoeld zijn om IS te verzwakken, zijn de werkelijke doelstellingen het volgende: 1) het wil voor de nieuwe verkiezingen haar waarderingscijfers vergroten in de hoop om een parlementaire meerderheid af te dwingen, 2) de macht van de Koerdische bewegingen/actoren in zowel Turkije als buurland Syrië te verzwakken en 3) dient het ter aanvulling op vigerend beleid met betrekking tot Syrië.

INTERVIEW – Meseret Bahlbi wil een brug slaan tussen Nederland en Eritrea

Meseret Bahlbi (29) is in de afgelopen tijd veelvoudig in het nieuws geweest nadat onderzoekster Mirjam van Reisen (Tilburg University) hem betichtte van “de spil van de inlichtingendienst van Eritrea” te zijn. Die uitspraak deed de wetenschapster in een mei 2015 uitzending van BNR Nieuwsradio, die hier te beluisteren is. Daarna wijdde ook de Volkskrant meerdere artikelen aan hem alsmede buitenlandse media zoals The Guardian.

INTERVIEW - Meseret Bahlbi wil een brug slaan tussen Nederland en EritreaBahlbi, Nederlander van Eritrese komaf, was tussen 2009 en 2015 actief lid van de jongerenbeweging YPFDJ-NL. In de laatste twee jaar van zijn lidmaatschap was hij voorzitter van de organisatie. In zijn professionele leven is hij marketeer en schrijver. Ook runt hij een eigen blog.

In reactie op de aantijgingen van professor van Reisen spande Meseret een zaak wegens smaad en laster aan tegen de hoogleraar die op 10 februari aandiende. Hoewel van Reisen, volgens de rechter niet over concrete bewijzen beschikte, waaruit zou blijken dat Meseret voor de Eritrese inlichtingendienst zou werken, heeft ze echter niet onrechtmatig gehandeld.

Meseret laat het er niet bij zitten. Hij is inmiddels in hoger beroep gegaan en was onlangs met een groep activisten naar Den Haag geweest om te spreken met Tweede Kamerleden. Zo probeert hij de beeldvorming rondom zijn persoon en de Eritrese gemeenschap te verhelderen. In het licht daarvan doet hij ook zijn verhaal tegen Sheher Khan.

Meseret, hoeveel betaalt het regime je?

Haha, niks. Helemaal niks. We zijn allemaal vrijwilligers. Sterker nog, we dragen allen zelf bij aan de events die we organiseren. Dat leeft trouwens sterk bij ons, dat we zelfvoorzienend moeten zijn, en dat heeft te maken met ons verleden. Toen de Afrikaanse naties één voor één bevrijd werden van kolonialisme werd Eritrea naar Ethiopië geschoven… en de internationale gemeenschap zei er niks van.

Toen ontstond het gevoel bij ons dat we in de steek waren gelaten en hebben daardoor het idee dat we alles zelf moeten doen. Dat komt terug in onder andere dat we entree vragen voor onze events, géén subsidie aanvragen doen (zowel niet van de Nederlandse als de Eritrese overheid). Dat komt dus voort uit ons verleden en de daaruit volgende ideologie van self-reliance.

Je was in het verleden actief lid en voorzitter van de jongerenorganisatie YPFDJ Holland. Aangezien jullie dezelfde naam dragen als de regerende partij (ie. de PDFJ), is dat geen indicatie dat jullie ideologisch gezien op één lijn zitten met ‘het regime’ van Eritrea?

Ideologisch gezien wel. Je moet het zo zien, Eritrea is een jong land en het proces van nation building is een recent project. Wat die ideologie (zelfvoorzienendheid, red.) gedaan heeft is dat het de 9 volkeren en de 2 grote religies van Eritrea (de Islam en het christendom, red.) bijeen heeft gebracht. We waren onder controle gekomen van Ethiopië en hebben 30 jaar lang oorlog meegemaakt. Voor ons is het belangrijk dat we eerst een eenheid smeden zodat we verder kunnen werken aan de ontwikkeling van het land.

Maar YPFDJ-NL is vooral actief in Nederland. Ik merk dat de media tot nu toe negatief berichten over YPFDJ-NL, terwijl zo’n organisatie juist  een positieve bijdrage levert aan Nederland en Eritrea. Jongeren worden geactiveerd om mee te denken aan sociale issues, worden uitgedaagd om kritsche discussies te voeren over bijvoorbeeld identiteit en integratie. Ook wordt het netwerk van jongeren enorm verbreed doordat YPFDJ Nederland jaarlijks naar buitenlandse conferenties gaat en daar andere leden van de Eritrese diaspora ontmoet en connect. De meeste actieve jongeren zijn hoogopgeleid en werken hard aan hun carrière. Ze zijn goed thuis in de Europese en Eritrese cultuur. YPFDJ Nederland zou daarom een sterke brug kunnen zijn tussen Nederland en Eritrea. Dit waren voor mij dan ook belangrijke redenen om actief te zijn. Zo een organisatie moet je juist toejuichen en niet afsnauwen. Ook al ben ik geen lid meer vind ik dat YPFDJ vooral voor positiviteit staat.

Maar wek je dan op z’n minst niet de schijn dat je verbonden bent met de regerende partij door jezelf te profileren als de jongerenpartij van de PFDJ?

Die verbondenheid willen we ook behouden. Wij hebben hen ook nodig, wij nodigen hen ook uit om te spreken. Hoe moeten we dan weten wat er dan daar gaande is in Eritrea? Hoe kan je anders dan een daadwerkelijk bijdrage leveren aan Eritrea? Als Nederland iets wil weten over wereldse zaken roepen ze ook de relevante diplomaten op toch? Zij (de PDFJ, red.) zijn diegene die het land regeren en organiseren. Wij nodigen dus hen uit om betrokken te blijven rondom de ontwikkelingen in Eritrea, en dat is ook een belangrijke punt dat ik wil maken: de contacten komen vanuit ons en niet vanuit de regering.

Als de journalisten dit ook aan ons hadden gevraagd zouden ze dit ook weten, maar dat doen ze niet. In plaats dat vragen ze het aan zogenaamde wetenschappers, die ik eerder zou willen typeren als lobbyisten en dat is frustrerend.

Je refereert daarmee naar onderzoekster Mirjam van Reijsen. Voor wie zou ze lobbyen?

Ze is lobbyist voor de regime change agenda. Zij heeft een NGO in Brussel en die heet European External Policy Advisors (EEPA). Ze geeft ook advies aan Nederland.  Als het om Eritrea gaat is zij diegene die de Nederlandse staat adviseert. Dat zou niet moeten kunnen, omdat ze overduidelijk lobby’t met een regime change agenda.

Waarom zou het niet goed zijn dat ze Europa adviseert?

Het is niet slecht als ze onafhankelijk advies zou geven. Zij is echter bezig met regime change. Ze nodigt bijvoorbeeld alleen de Eritrese oppositie uit om te lobbyen bij parlementsleden  en roept ook openlijk op tot regime change. In haar artikel van 2012 riep ze op om Eritrea te helpen aan een Arabische Lente 2.0 .

Waarom zou een Arabische Lente voor Eritrea niet goed zijn?

Dat hangt ervan af aan wie je dat vraagt. Een Arabische Lente is voor ons niet nodig. Kijk wat voor ellende en geweld dat teweeg heeft gebracht. Kijk maar naar Libië en andere staten. Wij hebben geen geweld nodig, maar dialoog. We moeten begrijpen wat het  werkelijke probleem is van Eritrea en dat kan alleen middels dialoog.

Kijk: er is ten eerste een grensconflict met Ethiopië dat Eritrees grondgebied bezet. Er zijn zware sancties opgelegd, die nu zelfs door de VN leden worden erkent als niet-legitiem. Maar mevrouw van Reisen negeert dit bewust en daardoor kan ze geen onafhankelijk advies geven. Ze schetst constant een eenzijdig beeld van Eritrea in haar adviezen aan o.a. de Nederlandse staat.

Een voorbeeld: het Europese Parlement had unaniem besloten dat Eritrea 200 miljoen euro ontwikkelingshulp zou ontvangen. Dat was het gevolg van lange onderhandelingen om de economische situatie en het rechtsysteem in Eritrea  te verbeteren. Europa heeft natuurlijk haar eigen belang: ze willen de vluchtelingenstroom vanuit Eritrea indammen. Maar dan heb je mevrouw van Reisen die actief lobby’t om die hulp tegen te houden. Volgens haar is dat zo, omdat het een dictatuur is. Dat is geen advies meer, dat is actie die ze voert samen met andere activisten om geen hulp aan Eritrea toe te kennen. Zo ver gaat het.

En mevrouw van Reisen wordt in de media neergezet als een objectieve wetenschapper en daartegenover zetten ze mij als een ‘aanhanger van het regime’ . Zo krijg je nooit een eerlijk debat terwijl dat wel iets is waar iedereen gebaat bij is.

Als van Reisen dat doet, en gekeken vanuit jullie ideologie van self-reliance, wat doen jullie eraan om jullie eigen stem naar buiten te brengen?

Wat we doen is dat we in onze vrije tijd vele evenementen organiseren waar iedereen welkom is; we zijn aanwezig bij demonstraties, we waren bijvoorbeeld in 2010 met 10.000 mensen aanwezig in Genève. Dat heeft enorm indruk gemaakt op de EU, maar de media had dat helemaal niet opgepakt. Daarom besloot ik op eigen titel artikelen te schrijven, blogs te maken, clips op YouTube enzovoort. Dat geluid wordt echter niet opgepakt door de mainstream media, maar er zijn genoeg Eritreeërs  actief. We brengen onze mensen bijeen, organiseren events en culturele evenementen, conferenties… daar zijn we mee bezig.

Ik vind echter wel dat we nóg actiever de mainstream media kunnen benaderen. Of ze onze stukken wel of niet plaatsen is een tweede. We doen wel ons best om ons geluid naar buiten te krijgen, maar dat is moeilijk met een vrijwilligersorganisatie. We hebben er ook geen budget voor en doen alles na ons werk of school. Het zou in de toekomst goed zijn om vaste mensen aan te nemen, mits daar budget voor gevonden kan worden. Naar aanleiding van alle negatieve berichtgevingen zijn we bijvoorbeeld onlangs, op 18 februari, naar de Tweede Kamer geweest en hebben daar gesproken met de heer Azmani (VVD) en Kuiken (PvdA). Deze politici hadden kamervragen gesteld over de YPFDJ Holland en Eritrea. We hebben daar met hen over gesproken, contacten gelegd en ook duidelijk gemaakt dat we een open en positieve organisatie zijn. Het was een belangrijk moment. Voor zover ik weet is nooit eerder iemand van YPFDJ Nederland naar de Tweede Kamer geweest.

Wat is volgens jou het verhaal van Eritrea?

Ik kijk daar vanuit een andere perspectief naar dan wat we via mainstream media hierover verteld krijgen. Eritrea is een jong land dat bezig is om een natie te op te bouwen.  Ik kijk vooral naar wat we nodig hebben en wat de prioriteiten zijn. We hebben bijvoorbeeld tussen 1998 en 2000 een grensoorlog gehad met Ethiopië. We hebben stabiliteit nodig; dat de 9 volkeren en de 2 grote religies met elkaar in harmonie kunnen leven… educatie, een goede gezondheidszorg en bovenal het leggen van een fundament om een democratisch en welvarend Eritrea op te bouwen. Het is een proces.

Maar, is het niet zo dat er mensenrechten geschonden worden?

Zoals in veel ontwikkelingslanden zijn er ook in Eritrea mensenrechtenproblemen  — dat heb ik overigens nooit ontkend — en dat is gezien de situatie en conflict met Ethiopië ook niet zo vreemd. Het is een land dat in zoveel opzichten nog in ontwikkeling is en nog in zware spanning leeft met haar buurland. Het staat dus nog in haar kinderschoenen en geheid spelen er zich zaken af die niet goed zijn. Om echter te beweren dat er systematisch mensenrechten worden geschonden gaat te ver. Ja, er wordt op individuele basis machtsmisbruik gepleegd — die verhalen ken ik ook — maar niet systematisch. Het is ook niet in het belang van de overheid om zo het land te besturen. Zo breng je immers het land waar je 30 jaar lang voor in de bergen hebt gevochten in gevaar. De mensen die ik ken in Eritrea zijn bezig om het land te ontwikkelen en maken logischerwijs ook menselijke fouten.

Wat is er mis met om die problemen te benoemen?

Daar is niks mee. Het is wel een probleem om het land om alleen op basis daarvan te definiëren. Het land is veel meer dan dat. Kijk: Eritrea heeft bijna al haar Millenium Development Goals bereikt. Denk hierbij aan de complete uitroeiing van polio, een drastische vermindering van kindersterfziektes, vermindering van HIV, malaria en noem het maar op. Dus op het gebied van gezondheid heeft de regerende partij enorme winst weten te boeken. Dat was tijdens de revolutie begonnen, toen ze nog in de bergen zaten. Toen al waren ze bezig om de bevolking te helpen met medische diensten en voorzieningen.

 

Franse documentaire ‘Come & See’ over het behalen van de Millennium Development Goals door Eritrea:

https://player.vimeo.com/video/114266196

 

Mijn vader was zelf ook dorpsverpleger die opgeleid was door de EPLF (voorganger van de regerende partij, de PFDJ, red.) en in zijn dorp was hij diegene die de mensen verzorgde. Dat soort basisfaciliteiten hebben er voor gezorgd dat  de EPLF een grote aanhang heeft. Als je kijkt naar de landen om ons heen zoals Soedan, Ethiopië, Djibouti, Somalië etc. dan steekt Eritrea er met kop en schouders bovenuit, wat betreft de Millenium Development Goals.

Het is dus gek dat Eritrea zo eenzijdig wordt neergezet… als een mensenrechtenschender zonder respect voor mensenlevens. Eritrea heeft op gebied van gezondheid zoveel bereikt, educatie, landbouw  en andere basis behoeftes, dat zijn ook mensenrechten! Terwijl de Verenigde Naties dat erkent ziet mevrouw van Reisen dat niet. Ze negeert daarbij óók de bezetting van Eritrees grondgebied door Ethiopië. Waarom benoemt ze dat niet? Omdat van Reisen herhaaldelijk een eenzijdig en negatief beeld van Eritrea schetst, heeft dat zijn weerslag op het beleid dat gevoerd wordt ten opzichte van Eritrea. Daar helpt ze Eritrea dus niet mee. Het zou beter zijn als ze zou samenwerken om te kijken naar oplossingen.

Wil mevrouw van Reisen dat niet?

Nee, wat mevrouw van Reisen wil, komt heel duidelijk naar voren uit haar artikelen. Zoek het maar op: ze wil dat ambassades gesloten worden en dat diplomatieke banden verbroken worden. Ook criminaliseert ze Eritrese verenigingen en kerken zoals ze dat met mij heeft gedaan.

Het lijkt meer op haat zaaien dan werken aan oplossingen. Hoe kan ze bijvoorbeeld zeggen dat:

“In zijn algemeenheid  kan je stellen dat verkrachting een belangrijke manier is in de Eritrese gemeenschap om vrouwen monddood te maken”.

Dit gaat mijn pet te boven. Dat iemand dit zomaar kan roepen over een cultuur waar vrouwenrechten al eeuwen in wetten zijn vastgelegd en beschermd. Het verzet kende tijdens de Eritrese revolutie een vrouwenparticipatie van meer dan 30%. Dit is wederom een indicatie dat ze de Eritrese gemeenschap niet kent. Dat journalist Marjon Bolwijn van de Volkskrant hier niet op door heeft gevraagd, verbaast me eveneens.

Kan het niet zo zijn dat mevrouw van Reisen wil dat er een betere partij in Eritrea aan de macht komt in plaats van de huidige, regerende partij?

Dat zou best kunnen dat ze goede bedoelingen heeft, maar dat is niet realistisch en komt niet geloofwaardig over. Hoe kan je achter een betere Eritrea zijn als je alle banden wilt verbreken en extra sancties wil opleggen waar de bevolking de dupe van wordt?

Ik denk dat ze het verhaal van Eritrea niet kent en dat ze daarom met zulke analyses komt. Zij kijkt vanuit een Nederlandse bril naar Eritrea. Dan ga je waarschijnlijk niet veel goeds zien. Ze zou eerder moeten kijken hoe Nederland was toen het een natie aan het bouwen was of toen dat de 7 Nederlanden verenigd werden. Eritrea zit in dit proces van vereniging. Wat ik dan zie is dat er stappen worden gemaakt, al zijn het kleine stappen. Anders vergelijk je dus appels met peren.

Als ik dat aan haar probeer uit te leggen dan geloof ze dat niet en dat leidt er toe dat ik ga denken dat er een andere agenda aan het werk is, die van het imperialisme en neokolonialisme. Daarvoor hoeven we alleen in de regio te kijken om daar bewijs voor te vinden. Kijk bijvoorbeeld naar Ethiopië, Somalië, kijk naar Djibouti. Djibouti is compleet in handen van de Fransen, Amerikanen en binnenkort ook de Chinezen. Dat willen wij niet.

Daarnaast, als je net zoals mevrouw van Reisen van mening bent om nóg meer sancties Eritrea op te leggen, de banden te verbreken en de regering te verdrijven, dan denk ik niet dat je inziet of beseft hoe fragiel de situatie van Eritrea is. Het land bestaat uit 9 verschillende etnische groepen en 2 grote religies. Het heeft lang geduurd om deze verschillende bevolkingsgroepen bij elkaar te brengen en in harmonie te laten leven. Wat mevrouw van Reisen doet, dreigt deze vrede en stabiliteit op te breken. En zal Eritrea honderd jaar terugzetten in de tijd. Wat ik zeg is, laten we Eritrea helpen om die positieve stappen te nemen, het land verder te ontwikkelen en zulke gevaarlijke acties te vermijden.

Kijk: ze beseft niet dat het mensen van vlees en bloed zijn die daar leven.  Ook familie van mij, mijn buren, vrienden met wie ik ben opgegroeid… dat die potentieel terecht kunnen komen in een burgeroorlog. Ze ziet dat gevaar niet in en hoeveel invloed haar adviezen heeft op het beleid van de Europese Unie of Nederland. Voor ons is het persoonlijk. Onze vrienden worden geraakt door zulke acties. Ze is voor meer sancties en dat leidt er toe dat onze vrienden en familie minder of geen eten op tafel kunnen zetten. Daar zullen we ons tegen verzetten.

Laten we naar terug gaan naar Nederland. Mevrouw van Reisen werd naar eigen zeggen achtervolgt

Waarom vraag je dat aan mij.

Zegt dat je niets?

Helemaal niks. Behalve dan dat ik het in de Volskrant las.

In datzelfde artikel wordt geïnsinueerd dat de achtervolging wellicht wel iets te maken zou kunnen hebben met de zaak die je tegen haar gestart hebt?

Hoe ze daarbij komen weet ik niet. Dat kun je beter aan de Volkskrant vragen. Het lijkt beetje op een James Bond-achtige verhaal. En zoals dat jij ook gelijk het idee hebt dat ik er iets mee te maken heb, is één van de redenen dat ik ze heb aangeklaagd voor smaad en laster. Dat doet ze in 3 artikelen, dat ze mij zo direct aanvalt.

De media is op zoek naar sensationele verhalen en mevrouw van Reisen heeft mij neergezet als het gezicht van het “Eritrees regime” dat haar achtervolgt. De Volkskrant heeft dat klakkeloos overgenomen. Kijk bijvoorbeeld naar hoe ze mij omschrijven: als een ‘Eritrëer’. Ik ben wel van Eritrese komaf, maar opgegroeid in Nederland. Ik ben hier naar school geweest, betaal hier me belasting, doe mee met de maatschappij en noem het maar op. Ik ben opeens de verpersoonlijking van de  Eritrese regering  geworden. Ze zoeken natuurlijk naar een gezicht maar dan kunnen ze gewoon contact opnemen met vertegenwoordigers van de regering. Lijkt mij niet zo moeilijk.

Denk je dat haar verhaal niet klopt?

Weet ik niet. Ik denk dat ze dat zelf ook niet zeker weet. Ze vraagt zichzelf ook in haar artikel af of het iemand van het “Eritrese regime” was. De Volkskrant op haar beurt vraagt niet door. Het is  bijvoorbeeld niet duidelijk of de Volkskrant bij de politie heeft nagevraagd of er aangiftes van een mogelijke achtervolging zijn ingediend. Ik vind het raar. Het komt op mij over als  een campagne om haar als slachtoffer neer te zetten en mij als de ‘dader’. Het komt eigenlijk neer op ongegronde  verdachtmakingen en aantijgingenen richting mijn persoon.

Zelfs journalist Kevin P. Robertson is slachtoffer geworden van deze verdachtmakingen en is zodoende bezig met een rechtzaak tegen de Volkskrant. Alleen maar omdat hij een donker persoon is die ook deze zaak aan het onderzoeken is. Imiddels hebben RTL 4 en OneWorld hun artikelen over ons gerectificeerd, omdat zij de stukken van de Volkskrant hadden overgenomen. Natuurlijk speelt racisme hier een rol.

Een “bedreigende” tweet?

En het is echt vreemd: ze ziet sommige tweets van mij als bedreigingen of intimidatie. Je kan het lezen en zelf checken: ik uit niets, maar dan ook niets wat op een bedreiging of intimidatie zou kunnen lijken. Wat ik niet begrijp is, sinds 2008 hebben we contact met elkaar en debatteren we. Indien ze zich echt bedreigd of geïntimideerd voelde door mij, waarom blokkeert ze me niet? Waarom tweet ze met me en blijft ze communiceren? Ze heeft zelfs Tweets van mij ge-retweet. Als ze zich echt bedreigd voelde zou ze me blokkeren.

Nieuwsuur maakte ook een item over de zaak die je tegen van Reisen gestart was. Daar kwam een oud-Eritrese minister (dhr. Dafla) aan het woord die het wél eens was met de hoogleraar.

Wie is hij? Ik kende hem niet.  Ik heb gehoord dat hij  ooit werkzaam was bij de Eritrese Airlines waar hij financieel manager was. Hij heeft ook schriftelijke verklaringen afgelegd voor Mirjam van Reisen alsof hij zou weten hoe YPFDJ Nederland werkt. Dit kon allemaal alleen op basis van wat hij zegt. Hij heeft niets overhandigd, alleen iets over een vermeende positie wat tot op heden nog steeds niet is vastgesteld.  Later heeft hij bij een Eritrese radio-uitzending zelfs nog toegegeven dat het zijn plan was om te pogen om mij als ‘extremist’ neer te zetten voor de zitting (27 januari), en dat was volgens hem ook gelukt.

Maar dat is interessant: hij sprak ook met EenVandaag en mocht zijn zegje ongestoord doen. Vervolgens namen ze contact met mij op. Mij stelde ze maar 3 korte vragen via e-mail.  De pers, omdat ze bang zijn om op de vingers getikt te worden door de Raad van Journalistiek of rechters, stelde mij even snel 3 korte vraagjes en that’s it. Dat is eigenlijk geen wederhoor. Sterker nog, de uitzending was allang af had ik later van iemand intern begrepen. We zouden evenveel tijd en kans moeten krijgen om ons verhaal te kunnen doen, maar die optie wordt ons bewust niet geboden.

Je had een rechtszaak van smaad en laster tegen haar aangespannen. Wat kwam daaruit?

De vorderingen die ik maakte zijn niet toegekend. Het belangrijkste was mijn verzoek tot rectificatie. De  rechter gaf aan dat er weliswaar geen bewijs is dat ik ‘de spil zou zijn van de inlichtingendienst van Eritrea’ zou zijn, maar aangezien ik de voorzitter van YPFDJ Nederland was, mocht mevrouw van Reisen mij wel aanmerken als ‘de spil’. Dat is raar, omdat ik haar persoonlijk heb aangeklaagd en niet vanuit de organisatie (de YPFDJ, red.).

Ik kan je verzekeren dat de YPFDJ ook niet behoort tot een inlichtingendienst, maar helaas is het een politieke proces geworden waarbij de rechter bijna geheel het verhaal van Mirjam van Reisen heeft overgenomen. Verklaringen van YPFDJ-leden zijn niet eens in de beoordeling meegenomen, terwijl verklaringen aan kant van Mirjam van Reisen dat wel waren.

Het is duidelijk dat van Reisen het wil doen overkomen alsof ze door de Eritrese overheid werd aangeklaagd. Het is zorgwekkend dat de media dit klakkeloos overnemen. In sommige landen wordt het als obstructie van de wet gezien, heb ik begrepen. In een radio uitzending zei van Reisen later dat ik haar hier in haar land kom aanklagen en dat ze hier boos over is. Huh? Wat moet ik dan doen om een conflict vreedzaam op te lossen? Mijn mond houden?  Dit is ook mijn land waar mijn familie en vrienden leven, waar ik mijn plichten nakom, maar ook mijn rechten opeis. Het zal waarschijnlijk voor van Reisen en voor de Nederlandse media even wennen zijn dat een Nederlander met een kleur ook rechten heeft zoals het mogen en kunnen aanklagen van een professor die zich niet rechtmatig opstelt. Dat is wat hier ten grondslag ligt: een acceptatieprobleem.

Ok, Meseret, dank voor je openhartigheid. Wat kunnen we in de toekomst van je verwachten?

We gaan in hoger beroep om onze zaak verder aan te vechten. Daarnaast ben ik bezig met een mediabedrijf om stemmen die gemarginaliseerd worden een podium te geven. Met name voor de Afrikaanse diaspora en die hopen we zo spoedig mogelijk te releasen.

Meseret Bahlbi is te volgen op zijn blog en Facebook-pagina

(Nadat dit interview werd gehouden was Bahlbi bij radio EenVandaag in debat gegaan met Europarlementariër Judit Sargentini)

Pijn en lijden in Madaya, Syrië, voer voor oppositiepropaganda

Donderdag 7 januari 2016 kwam het bericht naar buiten dat burgers in de Syrische stad Madaya, ten westen van hoofdstad Damascus, veroordeeld zijn tot de hongerdood. Al Jazeera+ wijdde er een video aan en beweert dat er reeds bewoners zijn omgekomen door het gebrek aan eten en hulp. Volgens het medium is het gebrek ontstaan door een blokkade van hulpgoederen en is vermoedelijk opgelegd door de Syrische overheid (of de aan hen gelieerde groepen).

De realiteit is echter complexer dan dat. Zoals wel vaker is voorgevallen in de afgelopen vijf jaar, het is juist de oppositie die de condities van een tragedie creëert om vervolgens aan de hand van de reactie van de pro-Assad kamp de schuld op hen af te schuiven. Dat is een beproefde methode, die tevens ondersteuning krijgt van anti-Assad zenders zoals Al Jazeera. De in Doha gevestigd nieuwszender heeft in het verleden laten zien te fungeren als een megafoon voor propaganda van de Assad-oppositie, en doet dat met Madaya weer.

Map Syrië (Madaya ten westen van hoofdstad Damascus)

De situatie rondom Madaya
Om de situatie in Madaya te begrijpen is (een korte introductie van) de militaire context noodzakelijk. Grote delen ten westen van hoofdstad Damascus, aan de grens met Libanon, de Qalamoun Bergen, kwamen na het begin van de opstand in controle van allerlei terroristische groeperingen. Denk hierbij aan de aan al-Qaida gelieerde milities Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham (AS).

Om dit strategisch gebied te bevrijden startte Hezbollah, in samenwerking met het Syrische leger, midden 2015 een groot offensief tegen alle terroristische groeperingen die actief zijn in die regio. Inmiddels zijn de Qalamoun Bergen grotendeels bevrijd.

Sinds eind september 2015 is een wapenstilstand onderhandeld tussen Hezbollah en het leger en de oppositie. Dit betreft de regio’s van Zabadani (waaronder ook Madaya) en het noordelijk gelegen Foua en Kefraya. In beide regio’s wordt de oppositie gedomineerd door Jabhat an-Nusra en AS – beiden zijn gelieerd aan al-Qaida. Ook facties van het Vrije Syrische Leger collaboreren met de terreurgroepen.

Madaya (alsmede Zabadani) zijn sindsdien omsingeld door de pro-Syrië groepen en in controle van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. Deze terroristische groeperingen zijn feitelijk de baas in Madaya en regeren over een populatie van tussen de 20 en 30.000.

Waar zijn de hulpgoederen gebleven?
De berichtgevingen van Al Jazeera insinueren dat de blokkade van voedsel en hulp het werk is van de regering in Damascus. Het argument blijkt bij nadere inspectie niet te overtuigen. Hulporganisaties die actief zijn in Syrië – dat wil zeggen, die daar zijn met toestemming van en in samenwerking met Damascus – hebben namelijk meermaals aangegeven  dat de Syrische overheid humanitaire hulp en medicijnen heeft toegelaten. Zo maakte de VN in een statementgepubliceerd op 18 oktober 2015 bekend dat er humanitaire – en medische hulpgoederen geleverd zijn aan de burgers van Madaya (en Zabadani, Fua en Kefraya). In de statement staat het volgende hierover:

The humanitarian and medical supplies to Zabadani and surrounding towns were delivered from Damascus

Anders gezegd, de hulpgoederen zijn vanaf overheid gecontroleerde gebieden vertrokken én afgeleverd in Madaya (dat nabij Zabadani gelegen is). Oftewel, de Syrische overheid liet toe dat er hulpgoederen werden gedropt en werkte mee aan het humanitair programma.

In reactie op de berichtgevingen van mogelijke hongerdood in Madaya zegt de woordvoerder van de Internationaal Comité van het Rode Kruis, in gesprek met Mayadeen TV, dat de hulporganisatie inderdaad midden oktober 2015 daar voor het laatst goederen hadden afgeleverd. Ook namen ze aan dat het voldoende zou zijn voor twee maanden (dat wil zeggen, tot eind december 2015).

Daarnaast heeft Damascus meermaals geprobeerd om zieken en gewonden te evacueren van Medaya. The Guardian schreef op 29 december 2015:

Under the terms of the deal, (…), 126 people were evacuated from Zabadani and Madaya by land to Lebanon and then taken to Beirut where they were flown to Turkey.

Dat geeft aan dat de Syrische overheid meewerkt met de oppositiegroepen ten behoeve van de hulpvragers. Dit zou niet mogelijk zijn geweest indien Damascus een beleid voerde om de bewoners van Madaya en omstreken te ‘straffen’ en uit te hongeren, zoals beweerd wordt door de oppositie.

De vraag die rest is: wat is er met de hulp gebleven?

Wie blokkeert wat?
Om een antwoord op bovengestelde vraag te geven is het nodig om Madaya vanuit de huidige militair-politieke context te benaderen. Zoals eerder gezegd, Madaya wordt gecontroleerd door Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham. Met andere woorden, twee terroristische groeperingen die overal in Syrië chaos en verwoesting met zich hebben meegebracht.

De al-Qaida gelieerde doodseskaders hebben zich o.a. schuldig gemaakt aan: het onthoofden van burgers; minderheden levend verbranden in ovens; vrouwen executeren vanwege beschuldigingen van overspel; burgers als menselijk schild te gebruiken.

Het wijst erop dat ook het onthouden van vitale hulpgoederen ook op de rekening van Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham bijgeschreven kan worden. In deze video (geüpload op 6 januari 2016) is te zien hoe burgers zich uitspreken tegen de blokkade van voedsel tegen de aanwezige militanten. ‘Heb jij niet honger? Wij hebben honger!’ is één van de demonstranten horen te zeggen. Dit geeft aan dat de bewoners van Madaya het gevoel hebben dat er voedsel en hulp is en deze aan hen onthouden wordt.

Soortgelijke beschuldigingen tegen de oppositie waren ook te horen bij een demonstratie in Madaya gedateerd 29 november 2015. In deze video is de nationale vlag van Syrië te zien en zijn overduidelijk pro-Assad en leger kreten te horen alsmede hun afkeer van de oppositie naar wie ze als “terroristen” refereren. De burgers van Madaya laten hiermee zien dat ze de oppositie verwerpen en aan kant van Damascus scharen.

Daarnaast is in een andere video (geüpload 30 november 2015), vermoedelijk van dezelfde demonstratie in Madaya, te zien dat de burgers hun steun uiten voor het Syrische leger en Hezbollah. Bekende pro-Damascus leuzen als ‘Allah, Souria, Bashar ou bas’ zijn te horen. Dat wil zeggen, vijf weken voordat het bericht van uithongering in Madaya naar buiten kwam (dwz, 7 januari 2016) waren er nog pro-Assad en Hezbollah demonstraties gehouden in Madaya.

Hieruit valt te concluderen dat er tussen de burgers van Madaya pro-Assad facties bevinden én anti-oppositie zijn. De logische vraag die volgt is waarom het Syrische leger deze burgers, die aan hen zijde staan, zou uithongeren zoals de berichtgevingen van al-Jazeera en co doet suggereren?

Hezbollah, een pro-Syrië beweging actief in die regio, laat indirect weten dat er wel sprake is van een belegering op de stad Madaya. Dat is echter in reactie op de aanvallen op de troepen van Hezbollah en het Syrische leger vanuit Madaya. De stad fungeert dus als een uitvalsbasis en daarmee is de oppositie in overtreding van de in september overeengekomen wapenstilstand. Een andere overtreding van de wapenstilstand is de belegering dóór de oppositie op de noordelijk gelegen (civiele) dorpen van Foua en Kefraya. Oftewel, de oppositiegroepen bestoken burgerdoelwitten en weigeren ze van belangrijke hulpgoederen te voorzien. Hierdoor staat de wapenstilstand op nog lossere schroeven en dat creëert volgens het hoofd van de Syrische Halve Maan, in gesprek met al-Masdar News, een onwerkbare situatie om de toevoer van humanitaire hulp te garanderen. De Libanese verzetsbeweging ontkent echter alle aantijgingen dat het de burgers van Madaya zou uithongeren.

Daarnaast laten bovengenoemde video’s zien dat het de oppositie is die weigert om Madaya te voorzien van voedselpakketten en andere hulp. De hulporganisaties hebben bevestigd dat er in oktober voldoende voedsel- en hulppakketten afgeleverd waren voor twee maanden. Deze zijn echter niet aangekomen bij de lokale burgers. Daarbij laten de video’s zien dat de burgers van Madaya de oppositie smeken om voedsel en hulp. Deze wanhoop wordt genadeloos uitgebuit door de oppositiegroepen daar ze volgens meerdere berichten op sociale media woekerprijzen hanteren voor basis hulpgoederen als rijst, melk en bloem. Dit komt erop neer dat de oppositie enerzijds de burgers van Madaya uithongert en anderzijds ze uitbuit.

Uithongeren in de hoop voor westerse interventie
Wat motiveert de al-Qaida gelieerde doodseskaders om de overdracht van hulpgoederen te weigeren? De terroristische groepen doen dat volgens Hezbollah, omdat ze 1) grof geld willen verdienen aan de in het nauw gedreven burgers van Madaya en 2) dat inzetten als een propaganda campagne tegen Syrië en het verzet. Ook is het een teken van hun dovende macht en dat ze de wanhoop nabij zijn.

Dit is echter niet de eerste keer dat de oppositie haar toevlucht zoekt tot dergelijk brute en wrede tactieken. Het onthouden van voedsel en hulp aan burgers is namelijk eerder toegepast door o.a. de in Douma gevestigde Jaish al-Islam en Nusra Front in Yarmouk.

In het geval van Yarmouk hebben oppositie ‘rebellen’, op meerdere momenten tijdens de bijna vijf jaar durende oorlog, hulpgoederen geweigerd aan de inwoners van de kamp, die voornamelijk bevolkt is (was) door nakomelingen van Palestijnse vluchtelingen. Dit deden ze telkens als ze in het nauw gedreven waren door de pro-Assad groepen (waaronder de Palestijnse verzetsbeweging PFLP).

Om de opmars van de pro-Assad krachten te stoppen creëerden de terroristische groeperingen in Yarmouk zelf een humanitaire catastrofe door o.a. voedsel- en hulppakketten te weigeren aan de inwoners van de kamp. Op deze wijze vestigt de oppositie de aandacht van de internationale gemeenschap op de inhumane gevolgen van de blokkade. De pro-Assad krachten zijn dan vervolgens genoodzaakt om de bevrijding van Yarmouk tot een halt te brengen.

Een ander samenhangende tactiek van de oppositie is om president Assad verantwoordelijk voor de humanitaire ramp te houden (zoals hier, met betrekking tot Yarmouk).

Deze brute tactiek werd echter gelijk doorzien en verworpen door Palestijnse autoriteiten. Zo zei Anwar Raja, lid van de Palestijnse verzetsbeweging PFLP-GC, tegen RT dat oppositiegroepen als Jabhat an-Nusra handelen over de ruggen (of beter gezegd, magen) van het volk:

 They want to say to the world: ‘See: the people are hungry.’ It’s like the residents are kidnapped inside their own camp, inside their own home, and the militants are negotiating over them, negotiating their souls,”

Raja zegt verder over het (politiek) doel van deze barbaarse praktijken het volgende:

They claim that the Syrian state is besieging Palestinians in the camp. They want to invert the image and the truth, saying that the Syrian government is part of the killing force, as they don’t do anything to protect the people. They want people to hate the regime.”

Kortom, het weigeren van voedselpakketten en hulp is een koelbloedig, gecalculeerde zet van de oppositie om 1) de burgers van Madaya te straffen voor hun loyaliteit aan het leger en Damascus, 2) ze af te persen voor grote sommen geld, 3) de Syrische overheid (en de aan haar gelieerde groepen) te demoniseren in de ogen van de wereld en 4) een poging om de opmars van de pro-Assad krachten tot een halt te brengen.

Megafoon voor oppositiepropaganda
Het is echter niet alleen de oppositie in Syrië die zich schuldig maakt aan deze hevige verdraaiing van feiten. Al-Jazeera, die de video samenstelde en binnen 24 uur meer dan 40 miljoen views genereerde, zit diep embedded met de terroristische groeperingen. Het medium is gevestigd in en wordt gefinancierd door Qatar. Het is een publiek geheim dat de regeerders van de oliestaat, de koninklijke familie al-Thani, de in Syrië gevestigde al-Qaida gelieerde doodseskaders steunen.

Eerder stapten daarom aan het begin van de Arabische Opstand topjournalisten van de zender op. Ze waren het oneens met de partijdigheid van het in Doha gevestigd medium. Recentelijk nog kwam uit een gelekte e-mail naar voren dat Al Jazeera haar redacteuren opdraagt om niet meer naar Jabhat an-Nusra te referen als “al-Qaida”, maar als “rebellen”. Dit zou het conflict onnodig “complex” maken. Of, het zou duidelijk maken dat al-Jazeera en Nusra feitelijk collega’s van elkaar zijn daar ze betaald worden door dezelfde werkgever.

De geniepige rol van Al Jazeera gaat verder dan het promoten van terroristische groeperingen. In het geval van Madaya heeft de Qatarese nieuwszender foto’s verspreid waaruit zou blijken dat de burgers van het belegerd Syrische stad op sterven na dood zijn. Later bleek dat deze foto’s van het internet geplukt waren.  Ook het hoofd van het Internationale Comité van het Rode Kruis bevestigde dat. Het medium laat hiermee zien dat ze inderdaad positie nemen in de oorlog tegen Syrië.

Dat wordt ook duidelijk in de selectie van burgers die Al Jazeera waardig genoeg acht om over te rapporteren. Twee dorpen gelegen in het noordelijke provincie Idlib, Foua en Kefraya, worden namelijk sinds maart 2015 belegerd door Jaish al-Fatah – een takfiri alliantie bestaande uit hoofdzakelijk Ahrar ash-Sham, Jabhat an-Nusra, maar ook het Vrije Syrische Leger. Dit collectief heeft sindsdien duizenden raketten afgevuurd op burgerdoelwitten en tientallen vrouwen en kinderen vermoordt. Tevens weerhoudt het humanitaire hulp en medicijnen aan de burgers van de twee dorpen, net zoals hun takfiri kameraden dat doen in Madaya. In deze video is te zien dat demonstranten die blokkade zat zijn en het Syrische leger eisen om harder in te grijpen tegen deze terroristen. Hierover helaas weinig tot geen berichtgeving, omdat zenders als Al Jazeera hun pijn en lijden niet kunnen ge- of misbruiken voor politieke doeleinden én ze niet deel uitmaken van de dominante religieuze denominatie (ie. het zijn sjiieten).

Wapens als hulp voor de oppositie?
Het positieve aan de aandacht voor de pijn en het lijden van de burgers van Madaya is dat er druk gecreëerd is om hulpgoederen aan niet alleen de belegerde stad te leveren, maar ook Zabadani, Foua en Kefraya. Echter, dit moet ook met argusogen bekeken worden. Zo meldde al-Akhbar in 2013 dat de Qatarese tak van de Rode Halve Maan feitelijk de bewapening van takfiri doodseskaders financierde en de (door mysterieuze omstandigheden omgekomen) PressTV reporter, Serena Shim, documenteerde in 2014 hoe humanitaire hulpkonvooien heimelijk wapens en andere illegale waren vervoerde naar terroristische groeperingen. Humanitaire hulp kan dus gebruikt worden als een vehikel om stiekem wapens en ander militaire hulp door te sluizen naar de oppositie — die compleet gedomineerd wordt door takfiri doodseskaders.

Zolang de levering van hulpgoederen gecoördineerd wordt met de officiële autoriteiten is de kans echter wel groot dat de Syriërs verlicht zullen worden van hun onmenselijk lijden… al is dat waarschijnlijk wel tijdelijk totdat de volgende ‘Madaya’ gecreëerd is.

Wat gebeurde er in Srebrenica?

Nadat Bosnisch Servische troepen Srebrenica overnamen gingen er naar verluid ‘8.000 Moslimmannen en -jongens’ dood in wat het Joegoslavië-tribunaal een ‘genocide’ noemt. Echter, al gelijk na de val van Srebrenica kwamen er geluiden, vanuit de hoogste regionen van de mondiale instituties, opspelen die de validiteit van het officiële narratief betwisten.

8.000 of 800?
Het getal van 8.000 werd als eerst geopperd door het Rode Kruis. Zij kwamen op dit getal door het aantal in gevangen genomen (3.000) én het aantal vermiste personen (5.000) op te tellen. Later werd bekend dat een groot deel van de vermiste Moslims (ie. Bosnische moslims) in veilig gebied waren aangekomen en ook dat vele soldaten waren omgekomen in gevechten. Dit getal is sindsdien niet meer neerwaarts aangepast (zie hier meer over de eerste schattingen bij de val van Srebrenica).

Dat is opvallend terwijl dat wel vaker gebeurd. Ter vergelijking: de eerste schattingen van het aantal slachtoffers bij de terroristische aanslag in New York (9/11) kwamen uit op meer dan 6.700. Dat aantal werd later verminderd naar 2.749. Of tijdens het begin van de Bosnische Burgeroorlog werd er geclaimd dat er volgens sommige schattingen wel 200.000 slachtoffers waren gevallen, en ook dit werd later aangepast (naar 40.000). Waarom in het geval van Srebrenica de initiële schattingen niet meer waren aangepast, heeft volgens (de veel bekritiseerde) professor Edward Herman weinig te maken met bewijs, maar met politieke belangen.

Herman is echter niet enige die het officiële narratief bekritiseert. De leider van de Nederlandse Dutchbat, luitenant-kolonel Karremans, heeft geschat dat er rond de 1.250 doden waren gevallen; Philip Corwin, toentertijd de hoogst aangewezen civiele official van de Verenigde Naties in Bosnië-Herzegovina, beweert dat er niet 8.000 slachtoffers vielen, maar 800. Waarom er volgens Corwin toch wordt vastgehouden aan ‘8.000’ heeft te maken met politieke redenen:

“There is much more shock value in the death of 8,000 than in the death of 800.”

Tevens plaatst Carlos Martins Branco, voormalige VN vice-directeur van VN Monitoring in Bosnië, die ook op de grond aanwezig was bij de val van Srebrenica, serieuze twijfels bij het officiële narratief en schrijft dat het slachtofferaantal van 8.000 is “used and manipulated for propaganda purposes”. Het is buitengewoon merkwaardig dat officials, die dergelijk hoge posities bekleden, forse kritiek uiten op het officiële narratief. Is er wat voor die beweringen te zeggen?

Het bewijs

Cijfermatige discrepantie
Wat ten eerste opvalt is dat, indien er 8.000 burgers omgekomen zijn, het cijfermatig terug zou moeten komen. Anders gezegd: de post-juli populatie van Srebrenica zou moeten overeenkomen met de pre-juli inwoneraantallen minus ‘8.000’ doden. Bij nader onderzoek lijkt er sprake te zijn van een cijfermatige discrepantie. Volgens rapporten van Amnesty International en plaatselijke VN-organisaties waren er tussen de 38 en 39.000 gedocumenteerde overlevers van Srebrenica. Hierbij moeten ook soldaten opgeteld worden die omkwamen bij gevechten; dat aantal varieert van enkele honderden (volgens de Dutchbat), 2.000 volgens de Servische autoriteiten en wel meer dan 2.600 volgens Bosnische Moslimgeneraal Enver Hadzihasanovic.  Indien er 8.000 inwoners van Srebrenica waren geëxecuteerd, dan moet de pre-juli populatie van Srebrenica uitkomen op minimaal 46.000 (38.000 + 8.000). Dat komt echter niet overeen met de pre-juli populatie schattingen van de Bosnische president (35.000), rechter Patricia Wald (van het Joegoslavië-tribunaal) en Human Rights Watch (38-39.000).

Doodsoorzaak onzeker
Indien er sprake was van executie moet dat wetenschappelijk bepaald worden. Servische forensisch analist Ljubisa Simir heeft 3.568 autopsierapporten van de aanklager bij het Joegoslavië-tribunaal (ICTY) onderzocht, en concludeerde dat het werkelijke aantal lichamen ergens tussen 1.919 en 1.923 ligt — niet 3.568. Simir komt op dit getal door te constateren dat ongeveer 44.4% van de autopsierapporten (1.583) uit slechts enkele lichaamsdelen bestaan en vaak zelfs alleen een bot. Dit komt doordat vele burgers én soldaten waren omgekomen door landmijnen. Hierdoor kan er ook volgens de Servische analist de precieze doodsoorzaak van 92.4% van alle gevallen niet overtuigend bepaald worden. Anders gezegd: het is volgens Simir niet met zekerheid te stellen of een groot deel van de slachtoffers door wijze van executie zijn omgebracht. Verder kunnen er 442 lichamen wel in verband gebracht worden met dood door executie; van 1.480 kon de exacte doodsoorzaak niet bepaald worden en voor 477 kan gesteld worden dat ze tijdens een gevecht zijn omgekomen — niet door executie. Het ICTY heeft echter in de afgelopen jaren meer lichamen (en massagraven) ontdekt, maar hiervoor gaat eenzelfde logica op. Indien de exacte doodsoorzaak niet wetenschappelijk bepaald kan worden, kan er geen overtuigende case ontwikkeld worden voor dood door executie. Is dat wel het geval, dan zou dat moeten opgeteld worden bij de officiële aantallen. Verder, Zwitserse analist Alexander Dorin beargumenteert, in zijn boek ‘Srebrenica — The History of Salon Racism’, dat het aantal lichamen gevonden door ICTY onderzoekers (ie. 2.570) min of meer overeenkomt met het aantal Bosnische Moslims die tijdens gevechten zijn omgekomen — dat zijn er 2.628 volgens Moslimgeneraal Enver Hadzihasanovic). Teven kwam BBC-verslaggever Jonathan Rooper tot de conclusie dat er in het nabijgelegen Tuzla een groot aantal lichamen verzameld zijn — 7.500 of meer, maar dat de link met de val van Srebrenica niet met overtuigende zekerheid te bepalen is.

Onbetrouwbare getuigen
Dan zijn er nog de getuigenissen van een aantal Serviërs en commandanten van het Bosnisch Servische leger, zoals Drazen Erdemovic, wiens verklaringen volgens de Hongaarse academicus George Szamuely, centraal staat in de case van het Joegoslavië-Tribunaal. Erdemovic — een etnische Kroaat die zich naar eigen zeggen had aangesloten bij de Bosnisch Servische troepen — had deelgenomen aan de executie van 1.200 Moslimmannen en -jongens. Het is noemenswaardig dat hij nooit voor genocide is aangeklaagd, maar voor misdaden tegen de mensheid. Hiervoor werd Erdemovic aanvankelijk 10 jaar celstraf opgelegd; dat werd na hoger beroep verminderd naar vijf, en heeft uiteindelijk minder dan vijf jaar in gevangenschap doorgebracht. Opmerkelijk is dat een commissie van experts Erdemovic (op 27 juni 1996) ontoerekeningsvatbaar had beoordeeld was, maar enkele dagen later, op 6 juli, hij wel geschikt was om te getuigen de Bosnisch Servische leiders — Radavon Karadzic en Ratko Mladic. Verder, academicus Szamuely heeft de beweringen van Erdemovic en concludeert dat het vol met fouten en contradicties zit, en komt tot de volgende conclusie:

It seems that as Erdemovic was prepared to say what the ICTY and its sponsors wanted said, nothing more was required for this faux judicial process. The search for truth was not on the agenda.

Selectiviteit (nog aanpassen)

Tot slot, als het Joegoslavië-tribunaal begaan is met het onrecht dat de Balkanbevolking is aangedaan, is het volgens generaal Charles Boyd onduidelijk waarom genocide en etnische zuiveringscampagnes, gepleegd door Moslim en Kroatische krachten, niet dezelfde aandacht krijgen. In de buurt van Srebrenica hebben Bosnische Moslimtroepen namelijk in de drie jaar voor juli 1995 tussen de 1.000 en 3.287 Serviërs vermoord, en de Kroaten hebben in mei en augustus van 1995 meer dan 2.500 Servische burgers gedood en honderdduizenden van hun huizen weggejaagd. Voormalig luchtmachtgeneraal en NAVO-commandant, Charles Boyd stelde daarom:

“Ethnic cleansing evokes condemnation only when it is committed by Serbs, not against them.”

N.B.: het argument dat ik wil ontwikkelen is niet dat er geen burgers zijn gedood of dat er geen slachting heeft plaatst gevonden, want dat was zeker wél het geval. Wat ik echter heb geprobeerd met deze laatste series artikelen over Srebrenica, is om aan waarheidsvinding te doen. Waarom moet er per se worden vastgehouden aan het aantal van 8.000? Wat als het er meer zijn? Of minder? Maakt het het minder erg? Of belangrijker: wie wilt het zo in stand houden? En: waarom krijgen Servische slachtoffers en Moslim/Kroatische misdadigers niet even veel aandacht?

Waarom Srebrenica moest vallen

Of de val van Srebrenica te vermijden was, is een vraag die velen in de afgelopen decennia heeft bezig gehouden. De ‘val van Srebrenica’ kan echter ook in een alternatief perspectief geplaatst worden, namelijk: de Bosnische Moslimautoriteiten lieten Srebrenica vallen om daarmee hun afscheiding (van voormalig Joegoslavië) te verzekeren en om westerse interventie te legitimeren.

‘No good guys no bad guys’
In 1995 schreef Charles Boyd, voormalig luchtmacht generaal en commandant van de NAVO, dat de Verenigde Staten (VS) een campagne voerde om de Balkanoorlogen in (valse) noties van goed versus kwaad, of agressor versus slachtoffer, af te beelden. De Bosnische Serviërs waren de slechte in deze lezing, en de Moslims (en Kroaten) waren de onschuldigen. Dat komt echter volgens Boyd niet overeen met de reële ontwikkelingen: beide partijen maakten zich namelijk schuldig aan allerlei misdaden tegen de mensheid.

De vele slachtpartijen aangericht door Moslim krijgsheer Naser Oric zijn daar een voorbeeld van. Volgens Britse journalist Joan Philips had Naser Oric (in Srebrenica) tegen eind maart 1993 1.200 Serviërs vermoord, 3.000 verwond, waren 26 van de 29 Servische dorpen vernietigd en moesten duizenden Serviërs vluchten. Philips kwam eind maart 1993 tot de volgende constatering: “Today, there are virtually no Serbs left in the entire Srebrenica municipality”.

De leider van de Nederlandse Dutchbat, luitenant-kolonel Karremans, kwam tot een soortgelijke conclusie:

 “[W]e know that in the area surrounding the Srebrenica enclave alone, 192 villages were razed to the ground and all the inhabitants killed.”

Niet verwonderlijk dat Karremans sprak van “no good no bad guys” in dit verhaal.

Het is echter opvallend dat Naser Oric, in tegenstelling tot de Bosnische Serviërs, nooit voor genocide is veroordeeld. Volgens Noord-Amerikaanse onderzoeker George Bognadich heeft dat te maken met de lens waarmee de oorlog geïnterpreteerd wordt. In deze context zijn Bosnische Serviërs de boosdoeners en Moslims en Kroaten de good guys.

Ook meerdere VN-commandanten, waaronder de Canadese generaal Lewis MacKinzie, onderstrepen die ongelijke representatie van feitelijkheden. Sterker nog, Lewis MacKinzie stelt dat de Moslims juist er alles aan deden om de situatie te laten escaleren. Zo werden allen van de 19 wapenstilstanden (die MacKenzie onderhandelde) gebroken door de Moslim troepen. Volgens generaal MacKinzie werkten de Bosnische Moslims tegen, omdat: “their policy was, and is, to force the West to intervene”.

Wapens en jihadisten
Meer bewijs voor de onevenredig steun aan de Moslims is op te merken in de wijze waarop ze omgingen met de door de VN aangestelde safe areas. Deze veiligheidsgebieden horen gedemilitariseerd te zijn, maar die regel bleek niet te gelden voor de Bosnische Moslims. De Moslims hadden hun wapens namelijk niet ingeleverd, en, volgens correspondent David Hackworth, werden ze bewapend door o.a. Iran en werd die operatie gefaciliteerd door de Verenigde Staten.

Dat was niet het enige wat de Bosnische Moslims (met toestemming van Washington) importeerden. De Nederlandse inlichtingenexpert, Cees Wiebes, constateerde dat al-Qaida gelieerde jihadisten ook het land in gesmokkeld. In een Nederlands rapport uit 2002 kwam het volgende naar voren:

“[M]ojahedin fighters were also flown in, and that the US was “very closely involved” in the operation which was in flagrant breach of the embargo.”

Bovendien kwam de Balkancorrespondent van de Duitse krant Der Spiegel, Renate Flottau, Osama bin Laden (in 1994) tot tweemaal toe tegen in de kantoor van de Bosnische president, Alija Izetgevovic. Bin Laden verwierf zelfs de Bosnische nationaliteit en zijn jihadisten werden opgenomen als ‘speciale troepen’ in het Zevende Korps van het Bosnische Leger.

Srebrenica als valstrik?
De door de VN aangestelde safe areas dienden ook als lanceerpaden, waaruit aanvallen op Bosnisch Servische gevechtseenheden werden uitgevoerd. VN-commandant Francis Briquemont rapporteerde het volgende hierover:

 “[I]n Sarajevo, the Bosnian Army provokes the Serbs on a daily basis. Since the middle of December [1993], the Bosnian Army jumped another step by launching heavy infantry attacks from Sarajevo to the Serb held suburbs of the city.”

De Moslims (en Kroaten) probeerden hiermee een (militaire) reactie van de Bosnische Serviërs uit te lokken.

Hikja Meholic, voormalige hoofd van de politie in Srebrenica en kameraad van Naser Oric, bevestigd dat. Volgens Meholic zou de Bosnische president, Alija Izetbegovic, tijdens een Bosniak Conferentie in Sarajevo (September 1993), dat als volgt hebben geredeneerd:

 “You know, I was offered by Clinton in April 1993 that the Chetnik forces enter Srebrenica, carry out a slaughter of 5,000 Muslims, and then there will be a military intervention.” 

Meholic zei dat ook tegen Nederlandse documentairemakers, hier te zien.

Het zou tevens niet de eerste keer zijn dat Moslimautoriteiten bereid waren om hun slachtoffers op te offeren voor een hoger doel, zoals de ‘breadline massacre’ bewijst. Hierbij werden 16 burgers gedood in de hoop om westerse interventie te rechtvaardigen, en volgens o.a. VN-officials (in de Britse krant The Independent) werd ten onrechte gewezen naar de Servische krachten. Dit bloedbad was aangericht door de Bosnische Moslims.

Ook de beslissingen op de grond wijzen uit op dat de Moslims Srebrenica wilden laten vallen. Een maand voor de Servische verovering van Srebrenica (mei 1995) koos de Bosnische autoriteiten er namelijk abrupt voor om 18 van hun topcommandanten terug te trekken uit Srebrenica.

Generaal Halilovic bevestigde dat de Bosnische president, Alija Izetbegovic, krijgsheer Naser Oric er van overtuigd had om zich samen met zijn bondgenoten uit Srebrenica terug te trekken. Tevens zagen Nederlandse troepen Moslim troepen weg vluchten uit Srebrenica. Later getuigde Halilovic voor het Internationale Tribunaal in Den Haag dat de Bosnische overheid bewust zou zijn geweest van de gevolgen hiervan, omdat:

“[T]he combat readiness and…defence capability of Srebrenica would be significantly affected.”

Indien Bosnische Moslimautoriteiten er voor hadden gekozen om Srebrenica te verdedigen, konden ze volgens George Bogdanich met 5.000 gewapende troepen overtuigend de 200 Bosnische Servische troepen afweren. Ibran Mustafic, hoofd van de Moslim partij (SDA) in Srebrenica, is zelfs van mening dat de inwoners van Srebrenica doelbewust zijn opgeofferd. In gesprek met de krant Slobodna Bosna zegt Mustafic het volgende:

“The scenario for the betrayal of Srebrenica was consciously prepared. Unfortunately the Bosnian presidency and the Army command were involved in this business.” 

Britse luitenant-kolonel Jim Baxter, assistent van VN-commandant Rupert Smith, was eenzelfde mening toebedeeld:

“They [the Bosnian government] knew what was happening in Srebrenica. I am certain they decided it was worth the sacrifice.” 

Tenslotte, voormalig CIA-agent Robert Baer geeft waardevolle insiders-informatie achter het vallen van Srebrenica:

A month before the supposed genocide in Srebrenica he [ie. zijn leidinggevende] told me that this town would be known around the world and we were instructed to inform the media. When I asked him why he said I will see. We received an order that with the newly formed Bosnian army we should attack the houses and people of Srebrenica. Of course the Serbs followed suite as they would have been incited and paid to do so also.

Een onlangs verschenen onderzoek (in The Guardian) bevestigt dat ook Washington (en Londen en Parijs) Srebrenica overlieten aan de Bosnische Serviërs in de hoop om vrede te bewerkstelligen. Uit bovenstaande kan echter het volgende afgevraagd worden: werd er daadwerkelijk getracht om Srebrenica te beschermen of waren de Bosnische Serviërs in een val gelopen?

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.