Sheher Khan

Geopolitieke analyses

Kan Turkije het Westen wel verlaten?

In de afgelopen weken en maanden hebben vele analisten geschreven over een mogelijke Turkse re-oriëntatie. Sterker nog, sommigen spreken zelfs van een scheiding met het Westen.

Het klopt dat recente ontwikkelingen Ankara heeft gedwongen om haar buitenlandbeleid te wijzigen conform de huidige, geopolitieke setting (zoals deze schrijver hier, hier en hier beargumenteerd heeft). Dat verklaart waarom Ankara strategische diepte (ie. vrienden) zoekt en de banden heeft genormaliseerd met regionale grootmachten als Rusland, Iran en Israël.

Een afscheiding, echter, gaat niet gebeuren.

Gekeken naar hard power (ie. op militair en economisch domein), is ondubbelzinnig opmerkbaar dat Turkije té sterk geïntegreerd is met de westerse wereld. Sterker nog: op sommige vlakken is Turkije afhankelijk van het westen voor stabiliteit en groei.

Wat echter wel gaande is dat Ankara beseft dat het afhankelijk is van het westen en daarop reageert. Daarvoor is het jaar 2023 cruciaal — 100 jaar na oprichting van de Turkse republiek. De Turken hopen in dat jaar zowel economische als militaire (relatieve) onafhankelijkheid te bereiken en daarmee hun status als (regionale) grootmacht terug verworven te hebben.

In dit stuk ga ik daar verder op in. Ik probeer meer duidelijkheid te geven op hoe Turkije exact (militair en economisch) verweven is met het westen, wat ze daar aan proberen te doen en wat er van de Turkse re-oriëntatie te maken is.

  1. Veiligheid

Turkije is een cruciale partner binnen de westerse veiligheidsalliantie. Dat heeft niet enkel te maken met haar geavanceerde leger en militaire capaciteiten, maar ook de geostrategische ligging. Turkije is een belangrijke uitvalsbasis voor de uitdagingen komende uit het Midden-Oosten (de strijd tegen IS) en bredere regio (ie. Rusland en in eerdere vorm als de Sovjet-Unie). Hierdoor heeft het Anatolische land zich na aansluiting bij de NAVO kunnen ontwikkelen tot een onmisbare schakel in het westerse alliantiesysteem. Die navelstreng relatie met het Westen is op te merken in de taken die Ankara uitvoert. De Turken zijn verantwoordelijk voor:

  • Het stationeren van tactisch nucleaire raketten van de V.S.;
  • Het schrikt, met deze kernkoppen, vijandig gepercipieerde staten af (ie. primair Rusland, secundair Iran);
  • Het behuist het X-Band radarsysteem, wat onderdeel uitmaakt van de bredere NAVO-luchtverdedigingsstructuur;
  • Het is het speerpunt van de gevechtseenheden van de alliantie — oftewel, het hart van het NAVO rapide responsesysteem.

Daar blijft het niet blij: Turkije importeert haar wapens en andere militaire apparatuur en materiaal voornamelijk vanuit het westen. Dit maakt duidelijk dat Turkije sterk geïntegreerd en afhankelijk is van het westerse alliantiesysteem.

1 Turkse defensie-exports en grootte leger (ivm NAVO partners)
wo-aw203_turkar_16u_20150420182122

Bron: http://www.wsj.com/articles/turkey-shifts-away-from-west-on-defense-1429608604

Ankara is op de hoogte van haar afhankelijke positie. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Ahmet Davutoglu, zei in 2015 dat de “painful experience” uit de Eerste Wereldoorlog leert om niet afhankelijk te zijn voor wapens en dergelijke van externe machten. Het bouwen van een onafhankelijke, binnenlandse wapenindustrie is daarom cruciaal, want: “[a] nation without its own defence industry cannot fight the cause of liberation”, aldus Davutoglu. In 2002, bij aantreden van de nog steeds zittende regering, importeerde Turkije 80% van al haar wapens uit het buitenland, zei Erdogan in 2015. Daar moet verandering in komen, zei de toenmalige Turkse premier en huidige president, door: “to eliminate external dependency on defense equipment supply with ongoing projects and investments by 2023″. Dit maakt duidelijk dat er duidelijk noodzaak heerst in Ankara om zelf wapens te produceren en om daarmee van haar afhankelijkheidsrelatie af te komen. Volgens Burak Bekdil, veiligheidsanalist bij Turkse krant Hurriyet, zit dit diep geworteld in de hoofden van de Turkse beleidsmakers. “Turkey’s rulers firmly believe that Turkey cannot be the regional power they wish it to become without a really deterrent military force,” zei Bekdil tegen Reuters.

De Turkse regeerders willen die doelstellingen bereiken door een eenvoudige stappenplan te volgen. Het doel is om: a) minder wapens en materiaal te importeren en b) deze zelf te ontwikkelen, door: 1) zoveel mogelijk zélf wapens te produceren en 2) indien dat niet mogelijk is, technologische kennis te verkrijgen door gezamenlijke producties met geavanceerde militaire mogendheden aan te gaan.

2. Grootste importeurs en exporteurs van wapens, 2010–14

Exporter Global share (%) Importer Global share (%)
USA 31 India 15
Russia 27 Saudi Arabia 5
China 5 China 5
Germany 5 UAE 4
France 5 Pakistan 4
UK 4 Australia 4
Spain 3 Turkey 3
Italy 3 USA 3
Ukraine 3 South Korea 3
Israel 2 Singapore 3

Bron: https://www.sipri.org/yearbook/2015/10

In relatie tot het importeren van militaire wapens en materiaal vertaalt dit, in de woorden van Erdogan, geuit op 30 april 2016, als volgt:

“Our reliance on [defense imports] has decreased to about 40%, from 80% in 2002. Our target is to bring this down to zero at the centenary of the republic [in 2023]. We’ll  not only be meeting our own needs, but we’ll also become the main supplier of friendly  and brotherly countries.”

Het streven, dus, is om niet alleen de import van defensie te diversificeren, maar ook een (binnenlandse) wapenindustrie te ontwikkelen. De Turken probeerden dit lang samen met haar westerse partners te bereiken, maar die spelen, volgens Ankara, onvoldoende mee. Die gepercipieerde onwelwillendheid wordt gehekeld door de Turken en is sinds de gefaalde putsch van 15 juli in mate (en sterkte) toegenomen. De Turkse minister van Defensie, Fikri Isik, herhaalde en bevestigde op 15 augustus die ergernis. Volgens Isik willen Turkije’ NAVO-partners niet hen helpen verder ontwikkelen en daarom zijn ze genoodzaakt om naar andere partners te kijken:

 If our allies’ approach remains to keep Turkey at arm’s length, that will force us to           develop our own capacity with other types of cooperation. We can’t shut the door to on NATO countries like Russia or China.

Met andere woorden: Ankara ziet het ontwikkelen van haar defensie en militaire capaciteiten als een noodzakelijke ontwikkeling, maar ziet weinig openingen en kansen aan kant van hun NAVO-partners. Dat motiveert ze om de banden te versterken en verbreden met militaire grootmachten als Rusland — een opponent van de NAVO.

Dit is niet de eerste keer dat de Turken hun ongenoegen uiten over hun rol en positie in de westerse alliantie. Geluiden om haar NAVO-lidmaatschap te herzien zijn in de afgelopen jaren meermaals geuit en sterker geworden. Recentelijk nog, in 2015, was de regering van plan om een luchtverdedigingssysteem van Chinese makelij aan te schaffen, dat niet geïntegreerd kon worden in de door NAVO aangelegde en met verweven veiligheidsinfrastructuur. Uiteindelijk ging dat plan niet door (niet ondanks en mede dankzij druk vanuit haar NAVO-partners). Anderen zagen hierin dat Turkije de “Russische kaart” speelde. Oftewel: de Turken dreigde met meer en diepere betrekkingen met Rusland, om zo meer concessies te trekken uit haar westerse bondgenoten. Niettemin, de Turkse dreigingen worden steeds luider en serieuzer. De minister van Buitenlandse Zaken Cavusoglu (10 augustus) zei hierover:

“But, Turkey needs to establish its own air defense system and it needs to develop its own technology with the cooperation of other countries. If you [the West] do not do it, if you do not approach us as NATO allies and if you look at Turkey with a different eye, then Turkey has to set off on a quest,”

Dat is duidelijke taal. Daarnaast lijkt de tijd en context zich ook in het voordeel van het anti-NAVO kamp te scharen. In 2015 werd gemeten dat 30% van de Turken tegen NAVO-lidmaatschap waren. Hoewel dit een significant aantal was (maar geen meerderheid), is de kans groot dat dit percentage flink is toegenomen sinds de mislukte putsch — gezien de beschuldigingen vanuit Ankara aan het adres van Washington (voor o.a. niet het uitleveren van de vermeende leider van de coupplegers, Gülen, en hun eigen (mogelijke) betrokkenheid) en dat de gefaalde coup uitgevoerd werd door het NAVO-gezinde deel van het leger.

In conclusie, Turkije maakt integraal onderdeel uit van het westerse alliantiesysteem. Een mogelijk beperkte of verminderde rol zal verregaande gevolgen hebben, voor zowel Turkije als het westen. Recente ontwikkelingen als de rapprochement met Rusland en de gefaalde putsch van 15 juli hebben de Turken echter geprikkeld om alternatieve opties in (her)overweging te nemen. De Turken zijn vastberaden om hun 2023 doelstelling van militaire zelfvoorzienendheid te bereiken én realiseren zich dat ze buitenlandse partners nodig hebben, maar zullen in het kiezen daarvan pragmatisch mee omgaan.

 

  1. Economie

Op (financieel-)economische vlak zal een mogelijke re-oriëntatie van het westen uiterst moeizaam lopen, indien dat überhaupt mogelijk is. Dat heeft te maken met hoe de regerende partij de economie heeft gebouwd en gestructureerd.

Sinds aantreden in 2002 wist Erdogan’s partij groei te realiseren door een combinatie van factoren, met een grote rol voor het implementeren van een neoliberale regime. Hierdoor werd het land aantrekkelijk gemaakt voor buitenlandse kapitaal. Volgens Turkse journalist Mehmet Cetingulec waren dit de essentiële ingrediënten van het ‘Turkse model’. De voormalige minister van Economie, Mustafa Elitas, beraamde dat Turkije op deze wijze, sinds 2002, $165 miljard aan Foreign Direct Investments (FDI) kon aantrekken. Oftewel: buitenlandse kapitaal was bepalend in de Turkse groei.

De keerzijde van deze groei waren (en zijn):

  • structurele tekorten in het budget
  • deze tekorten worden opgevuld door buitenlandse kapitaal (o.a. “hot money”).

Hierdoor is er een wezenlijke afhankelijkheid ontstaan met en aan buitenlandse kapitaal. Dit is duidelijk merkbaar in de Turkse aandelenmarkt, die, volgens officiële data, momenteel voor 64% in buitenlandse handen is, en kent een (huidig) budget tekort van $30 miljard en schuld van $180 miljard in vreemde valuta. De overgrote meerderheid van deze leningen en geldstromen komen voort uit westers financiële bronnen. Anders gezegd: westers kapitaal heeft Turkije grootgebracht en houdt het ook zo in stand.

3. Turkije’ private schuld

turkey-debt

De structurele tekorten in het Turkse budget worden hoofdzakelijk veroorzaakt door teveel import. Één van de primaire oorzaken hiervan is de afhankelijkheid aan energie. Turkije haalt haar energie (olie en gas) voornamelijk uit landen als Rusland en Iran.

Een ander hoofdoorzaak voor de structurele tekorten in het budget onstaat als gevolg van het hoge percentage aan geïmporteerde halffabricaten in de productie van de Turkse export — dit betekent dat groei in export automatisch een toename in importen met zich meebrengt.

Volgens de Turkse centrale bank wordt dit tekort veroorzaakt door een inadequate binnenlandse bevoorradingsketen. De meeste Turkse bedrijven moeten namelijk het gros van hun materialen en grondstoffen importeren, in sommige sectoren als in de petrochemische industrie tot wel 87%, waardoor het tekort in het budget chronisch is en blijft. “Each percentage point of GDP growth requires more current account deficit than historic averages”, zegt Murat Ucer, econoom bij consultany bureau GlobalSourcePartners, tegen The Financial Times.

Het tekort wordt verder aangedreven door een hoge binnenlandse consumptie, waardoor groei in industriële productie automatisch een toename van imports betekent, wat verder gestuwd wordt door de eenvoudig te verkrijgen consumentenkrediet.

Bovendien kennen de Turkse banken een lage mate aan deposits — oftewel, Turken leggen hun geld niet op de bank — en zijn daarom verder genoodzaakt om te lenen op buitenlandse markten. De binnenlandse schuld is sinds 2002 gestegen van 7 miljard TL naar 372 miljard TL in 2013. Simpel gezegd: Turkije koopt meer dan dat het zelf kan betalen en leent daarom van het westen om die gat op te vullen.

De structurele tekorten in het budget worden opgevuld door te lenen. Dit wordt gedaan op buitenlandse markten, waardoor een sterke afhankelijkheid ontstaat aan en van externe financiers, die vaak op zoek zijn naar een snelle manier om geld te verdienen (en daarom aan korte termijnleningen doen). Deze financiële geldstromen worden ook wel “hot money” genoemd — vanwege de snelheid waarmee het zich van land naar land verplaatst, constant op zoek naar aantrekkelijke rentekoersen.

Hier is de afhankelijkheid van Turkije aan het westen duidelijk op te merken. Het gros van dat buitenlandse kapitaal bestaan volgens Atilla Yesiladas, partner bij een in Istanbul gevestigde denktank, vrijwel volledig uit leningen, korte termijn obligaties en “hot money”. En dat kapitaal origineert hoofdzakelijk vanuit het westen. Inderdaad, het Turkse dagblad Hurriyet kwam tot de conclusie dat 85% van die investeerders uit Europa en Noord-Amerika komen.

4. Oorsprong buitenlandse kapitaal Turkije

turkey-fdi

Daarbij komt dat ongeveer 30% van de Turkse buitenlandse schuld (ie. 120 miljard dollar uit een totaal van $405 miljard) bestaat uit korte termijn leningen en deze komen óók primair voort uit Europese en V.S. financiële bronnen. De conclusie hiervan is evident: Turkije is op financieel vlak compleet afhankelijk van westers kapitaal.

Hier zit volgens Yesilada ook de reden waarom een publieke en permanente botsing tussen Ankara en haar westerse partners niet van lange duur zal zijn:

Without a fresh supply of loans, and financial investors abandoning its bond and equity markets, Turkish lira could weaken precipitously; heavily indebted Turkish companies could not be able to service their foreign debts; and Turkish banks could not be able to extend loans at home. Recession and double-digit inflation could ensue in the upcoming months.

Inderdaad, dat was ook na de mislukte putsch van 15 juli op te merken. De politieke instabiliteit die daarop volgde wekte zorgen op bij investeerders, waardoor gevreesd werd van kapitaalvlucht. Ozlem Derici, hoofd van een in Istanboel gevestigde investeringsmaatschappij, zei tegen Reuters, dat het uitroepen van de noodtoestand zal bijdragen aan onzekerheid onder investeerders. Dit zal leiden tot “capital outflows from conservative, rating-constrained funds while making it costlier for companies and banks to raise finance”. Anders gezegd: om niet op te drogen van financiële geldstromen, moet Turkije politiek stabiel blijven en ook zo overkomen. Dat maakt het uiterst gevoelig voor politieke druk vanuit westerse hoofdsteden.

Met andere woorden, de Turkse economie is intrinsiek verweven met westers financiële kapitalisme. Yesilada beargumenteert daarom dat Turkije de westerse alliantie niet kan verlaten, omdat: “over the years it has developed an umbilical cord to Western capital and goods markets”. Bovendien is het een uitdrukking van de macht en invloed die het westen heeft over Turkije: Europese en VS autoriteiten kunnen eenvoudig en zeer effectief druk uitoefenen op Turkije door hun banken te adviseren om geen geld meer uit te lenen.

Ook op dit vlak is Ankara (overduidelijk en logischerwijs) op de hoogte van haar afhankelijkheidspositie én wil dat ook veranderen. Dit maakt dan ook onderdeel uit van de 2023 visie, die, zoals eerder gezegd, het leven in is geroepen om militaire en economisch onafhankelijkheid te realiseren.

Om die 2023 doelstellingen realiteit te maken, zijn er een aantal megaprojecten gepland. Een aantal van die zijn: Turk Stream, een Trans-Anatolische gaspijplijn en drie nucleaire kerncentrales. Deze megaprojecten zijn bedoeld om de structurele tekorten in het budget weg te werken, door: 1) haar energie importafhankelijkheid te diversificeren en 2) zelf energie op te wekken en produceren.

Tegen 2023 hopen de Turken om met de drie nog te realiseren kerncentrales voor een derde zelf in haar eigen energiebehoeften te voorzien, waardoor de structurele tekorten in het budget sterk teruggedrongen worden. Daarnaast probeert de Erdogan-regering, volgens een Poolse econome gespecialiseerd in de Turkse economie, haar structurele tekorten te reduceren door:

” actively pursuing the policy of promoting Turkish goods abroad and modernising the export structure by increasing the share of high-technology goods in overall exports.

Dit betekent dat de zittende partij in Ankara serieus stappen maakt om haar economie te herstructureren en daarmee ook haar afhankelijkheid aan westers kapitaal.

In conclusie, op korte termijn heeft Turkije weinig tot geen bewegingsvrijheid. Westers kapitaal heeft de Turkse economie in handen. En aangezien de meeste 2023 projecten op lange termijn dividenden zullen opleveren, zal er op korte termijn weinig veranderen. Daarnaast is het nog de vraag of Ankara 1) in staat is om deze maatregelen succesvol te implementeren, 2) of het daadwerkelijk de structurele tekorten en afhankelijkheid aan westerse kapitaal zal terugdringen en, belangrijker, 3) of het weet tot minimaal 2023 in macht te blijven. Aan politieke wil zal het echter niet ontbreken.

Verlaat Turkije het westen?

Terugkomend op de vraag  ‘kan Turkije het westen wel verlaten?’ is het antwoord duidelijk: nee. Wellicht zou de vraag moeten zijn of Ankara dat überhaupt wel wilt. Turkije mag dan weliswaar de betrekkingen hebben genormaliseerd met Rusland en Iran, en dat zal gevolgen hebben op de (geo)politieke betrekkingen met het westen, maar dat is meer een uitdrukking en gevolg van het eigen streven om een regionale grootmacht te worden dan van een wens om het westen per se te willen verlaten. De Turken zoeken partners om die status te bereiken en de huidige wereld biedt meer mogelijkheden dan enkel het westen. Turkije maakt daar simpelweg gebruik van in dienst van haar ‘2023’ doelstellingen.

Turkije valt Syrië binnen. Zet het daarmee de alliantie met Rusland en Iran op het spel?

Op 25 augustus kwamen berichten naar buiten dat het Turkse leger met steun van VS luchtaanvallen en Vrije Syrische Leger (FSA) milities Syrië was binnen gedrongen. Wat zegt dit over de alliantie met de Russen en Iraniërs, die de Syrische soevereiniteit en territoriale integriteit willen beschermen? Oftewel: zet Ankara hiermee haar alliantie met Rusland (en Iran) op het spel? Het antwoord is simpel: Ankara doet wat het altijd gedaan heeft; dat is: haar eigen belangen najagen — of dat nou met de VS of Rusland is.

De Turken hebben de strategische Syrische plaats Jarabulus ingenomen, die tot voorheen in handen was van IS/Daesh. Hoewel de terreurgroep de dienst uitmaakte in het nabij de Turkse grens gelegen noordelijke stad, heeft deze inval daarmee niet te maken. Anders gezegd, de Turken zijn Syrië niet binnen gevallen om Daesh te verdrijven. De Turkse transgressie heeft te maken met de progressie van haar gezworen vijanden: de PKK gelieerde Syrische Koerden.

De Syrische-Koerden zijn in de opmars. Tegen 14 augustus hadden ze de noordelijk gelegen stad Manbij bevrijd van Daesh onder het vlag van de VS-gesteunde Syrian Democratic Forces. Dat leverde het momentum om verder, oostelijk te bewegen naar de strategisch belangrijke stad Jarabulus, die in handen was Daesh en haar laatste grote stad was nabij de Turkse grens. Dit was een ontwikkeling die zorgen baarde in Ankara, aangezien daarmee de kans vergroot werd dat de afzonderlijke Koerdische enclaves verenigd konden wonden in één streek (of Syrisch-Koerdistan).

Het prospect van een relatief autonome Koerdistan is een rode lijn voor de Turkse republiek. De Syrische Koerden werken nauw samen en zijn op vele vlakken verbonden met de (PKK) Koerden in Turkije. Ankara ziet in een Syrisch-Koerdistan derhalve bedreiging voor haar eigen territoriale integriteit en in algemene zin ook de Turkse republiek. Dat is een ontwikkeling die de Turken dus koste wat koste zouden tegengaan.

Het was in dat licht te verwachten dat de Turken actie zouden ondernemen. Ook gaat het waarschijnlijk hier niet bij blijven. De door de Turken gesteunde FSA milities zeiden tegen The Wall Street Journal dat dit onderdeel maakt van een grotere plan. Een leider van een Syrisch-Turkmeense groepering zei:

“Operations are most likely to continue southward; our main aim is to defeat Daesh and repel it from around Aleppo, especially the northern part, and to set up a safe zone there,”

Hoe rijmt dit met de genormaliseerde betrekkingen met Rusland, aangezien Moskou en haar partners allen tegen een opsplitsing van Syrië zijn?

Zoals ik in dit stuk ook heb beargumenteerd, met als voorbeeld het Aleppo offensief begin augustus: dit heeft te maken met 1) de regime change-infrastructuur die de Turken in de afgelopen jaren hebben opgezet, die niet overnacht ontmanteld kunnen worden, én 2) het is een geopolitieke troefkaart op de onderhandelingstafels. Zodra de onderhandelingen gaan starten over de toekomst van Syrië, willen de Turken ook meer macht en invloed gaan uiten en daarom de waarde van hun ‘chips’ vergroten. Het Koerdische aspect speelt daar ook een belangrijke rol in, omdat de Turken hun hand kunnen gebruiken om de Koerden zoveel mogelijk te weren van de onderhandelingstafels of hun plannen te dwarsbomen. Dat is de rationale achter de Turkse beslissing om Syrië binnen te vallen. Ook valt er weinig meer over te onderhandelen als Assad Aleppo heeft veroverd: de Syrische president heeft dan de meest belangrijke steden in handen. Wellicht daarom steunde de Noord-Amerikanen de Turken in hun transgressie.

Wat is de reactie van Rusland? Poetin belde met Erdogan en uitte zijn zorgen over de Turkse inval, maar veroordeelde de aanval niet. Dat betekent dat de Russen of 1) passieve toestemming gaven of 2) weinig aan de situatie kunnen veranderen, aangezien de Turken de goedkeuring en (militaire) support van Washington hadden gekregen. Wellicht is het een combinatie van beide, omdat de Turken met deze inval 1) terreurgroep IS bestrijden en 2) de vorming van een Koerdistan ondermijnen — twee doelstellingen waar de Russen en ook de Syriërs en Iraniërs zich in kunnen vinden. Dat de Turken dan deze actie doorzetten om Aleppo te bereiken en een safe zone op te zetten kan dan gezien worden als een maatregel om hun macht en invloed op de slagvelden te vergroten én daarmee ook op de onderhandelingstafels.

Naar een Moskou-Teheran-Ankara alliantie?

Vlak na de historische ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus ontving Turkije hoog bezoek vanuit Iran. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, bracht op 12 augustus als eerst hoog geklede official bezoek aan het land sinds de coup – een tweede, significante gebeurtenis en teken van de verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen. De gefaalde putsch van 15 juli en de snelle Iraanse response in steun voor Erdogan lijkt opening hebben geboden om een nieuwe axis te creëren: een Moskou-Teheran-Ankara alliantie. In hoeverre is hier sprake van en wat zegt dit over de relatie tussen Turkije en het westen?

De vorming van een dergelijke axis zijn in de afgelopen maanden steeds sterker zichtbaar geworden, en dat begon al voor de gefaalde putsch van 15 juli. Op 9 juni kwamen de Defensie ministers van Rusland, Syrië en Iran voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog in Syrië bijeen in Teheran; de Turks-Russische betrekkingen werden genormaliseerd op 9 augustus (lees hier en hier voor context); een dag voor de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus, was de Russische leider op 8 augustus in Baku (Azerbeijan) om de economische en geopolitieke betrekkingen met Iran en Azerbaijan (zoveel mogelijk) te harmoniseren; na deze ontmoetingen kwamen Russische en Iraanse officials bijeen, op 15 augustus, om Syrië te bespreken. Deze reeks besprekingen hadden tot als gevolg dat Ankara haar buitenlandbeleid vis-à-vis Damascus wijzigde: voor het eerst sinds vijf jaar versoepelen de Turken hun eis m.b.t. het lot van Assad.

Tot voorheen eiste Ankara het vertrek van de Syrische leider. De Turken houden hem verantwoordelijk houden voor de oorlog in het Levantijnse land. Echter, zoals eerder besproken, hebben recente ontwikkelingen Turkije doen dwingen om toenadering te zoeken met Rusland en Iran. Om dit mogelijk te maken moest Ankara haar standpunten ombuigen zodat ze in grote lijnen geïntegreerd konden worden met die van de Russische (en Iraanse). Dat werd bereikt op 20 augustus. De Turkse premier Yildirim zei toen dat “[w]hether we like it or not, Assad is one of the actors” die een oplossing kan brengen in Syrië. Oftewel, het op regime change geörienteerde beleid is tot een eind gebracht. Een overwinning en getuigenis van de groeiende macht van Rusland en Iran.

Dit betekent niet dat er wezenlijke verschillen zijn. Ook met Iran. Maar waar het omgaat is dat er overeenstemming is gevonden op algemene beginselen. Die gemeenschappelijke standpunten worden gevonden op:

  1. de strijd tegen IS,
  2. oppositie tegen Koerdisch separatisme (wat in Iran sinds kort ook opgelaaid is)
  3. anti-Amerikanisme.

Deze gedeelde posities zullen volgens de Iraanse viceminister van Buitenlandse Zaken, Hossein Jaberi Ansar “contribute to creating an environment suitable to solving the Syrian crisis”.  Er is voldoende grond om daar samenwerking m.b.t. Syrië op te baseren. Het zijn op deze drie punten waar ook Rusland aansluiting vindt en daarmee de Moskou-Teheran-Ankara alliantie licht ziet.

Dat is een bijzondere ontwikkeling die ingrijpende gevolgen zal hebben voor toekomstige geopolitieke gebeurtenissen. Dit samenwerkingsverband kan namelijk dienen als de eerste belangrijke test voor de Euraziatische grootmachten in het oplossen van een regionale conflict. Dat wil zeggen, met een minimale tot geen rol voor het westen. Mocht dit trilaterale partnerschap daarom succesvol uitpakken, kan dit verder uitgebouwd en geïntegreerd worden binnen het raamwerk van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie. De Shanghai-samenwerkingsorganisatie is opgericht door de Russen en Chinezen en wordt gezien als de Aziatische NAVO. Iran wordt in 2017 volledig lid en Turkije heeft zich sinds in 2015 “observer status” verworven. Veel hangt dus af in hoeverre er een antwoord voor het Syrische vraagstuk gevonden kan worden.

In Syrië lijkt deze trilaterale toenadering enigszins haar vruchten af te werpen. Zo maakten de Russen onlangs gebruik van een militaire basis in Iran om luchtaanvallen uit te voeren in Syrië – voor het eerst sinds 1979 mocht een buitenlandse macht hier gebruik van maken. Ook suggereerde de Turkse premier dat de Russen gebruik konden maken van de Incirlik militaire basis. Dat wil zeggen, de basis die ook gebruik gemaakt wordt door de VS en andere westerse krachten. Volgens de Turkse premier heeft Ankara de Incirlik militaire basis open gezet voor strijdkrachten die zich inspannen tegen IS en “if necessary” kan Moskou daar ook gebruik van maken. Het moet nog blijken of dit daadwerkelijk zal leiden tot een Russische militaire aanwezigheid in Incirlik, maar de gevolgen van de Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn zichtbaar.

Daarnaast traden ook de Aziatische grootmachten in de afgelopen weken naar voren om hun steun te uiten voor hun Russische en Iraanse bondgenoten. China en India herhaalden en bevestigden hun steun uit voor Assad. Een teken van de zegen en goedkeuring van de belangrijke leden van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie.

Betekent de vroege tekenen van een Moskou-Teheran-Ankara alliantie dat Turkije haar rug keert tegen het westen? Daar is het te vroeg voor. Turkije is en blijft voor de komende tijd onderdeel van het westerse alliantiesysteem en haar economie is sterk verweven met die van het westen.

Aan andere kant, heeft Turkije meermaals aangegeven niet tevreden te zijn met haar rol in de NAVO en ook over het Europese toetredingsproces. Deze onvrede is alleen maar versterkt door de gefaalde putsch en de westerse reactie daarop. Daarbij komt dat recente ontwikkelingen op de grond in Syrië zich niet in het voordeel van Turkije hebben vertaald. Deze gebeurtenissen hebben Ankara ervan overtuigt buiten haar traditionele (westerse) partners te zoeken naar mogelijkheden om haar belangen te vertegenwoordigen.

Daar komen Rusland en Iran in beeld. Moskou en Teheran, twee grootmachten met bovenmatige invloed in de regio, hebben Ankara een opening geboden om zichzelf te herpositioneren in het licht van haar eigen belangen en doelstellingen. Het is derhalve geen kwestie van het aangaan van een alliantie met Moskou en Iran en een mogelijke afscheiding van het westen, maar het volgen van belangen in overeenstemming met de (geopolitieke) realiteit.  Een wereld waarin Rusland (sinds de Russische interventie in Syrië) en (post-nucleaire deal) Iran, naast het westen, een significante rol in spelen.

Het is vanuit dit licht dat Turkije zich zal (her)positioneren. De verwachting is dat de Anatolische macht haar ‘natuurlijke’ positie en rol zal innemen, in historische en geografische zin. Dat wil zeggen: als brug tussen Oost en West. Dat betekent dat Turkije het westen niet zal verlaten en Azië zal joinen, maar het maximale uit beide werelden zal halen. Oftewel: het is niet of of, maar en en. De nieuw geboren Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn daar de eerste tekenen van.

Turkije: lid van het westen of Russische bondgenoot?

De ontmoeting op 9 augustus in St. Petersburg tussen de Turkse president en zijn Russische tegenhanger was zeker historisch te noemen. Binnen driekwart jaar gingen de Russen van vijanden naar “lieve vriend”, zoals Recep Tayyip Erdogan zijn Russische collega, Vladimir Poetin, liefkozend noemde. Maar het bleven niet enkel bij woorden. De Turken hebben veel concessies moeten leveren en zijn dichterbij de Russische positie komen te liggen. De vraag die rijst: hebben de Turken hun rug gekeerd tegen het westen? Of speelt Ankara de “Russische hand” om daarmee druk te oefenen op hun westerse partners? Beide niet. Wat de verzoening aangeeft is dat Turkije realiseert dat de wereld veranderd is, en in die nieuwe realiteit spelen de Russen een belangrijke rol. De Turkse heroriëntatie is derhalve bedoeld om zich in het licht van hun eigen belangen en doelstellingen te positioneren in die nieuwe context.

De deal, 2023 visie en interafhankelijkheid
De bevroreren relaties met de Russen heeft Turkije sterk geschaad. In economische termen heeft de Turkse economie, sinds het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (24 november 2015), klappen moeten verduren. Alleen al in de eerste vijf maanden van 2016 was de handel tussen beide landen gezakt met 43% (uit een jaarlijkse volume van $30 miljard). Inkomsten uit toerisme, een pilaar van de Turkse economie, nam vanuit Rusland af met 87%, wat vertaalt naar een schadepost van $840 miljoen. Ook waren economische projecten als de Akkuyu nucleaire reactor en Turk Stream gaspijplijn tot een halt gebracht.

Het terug op gang zetten van deze megaprojecten is niet alleen essentieel om de Turkse economie enigszins te herstellen, maar ook voor de ‘2023 visie’. De Erdogan-regering heeft zich binnen de ‘2023 visie’ als doel gesteld om aansluiting te vinden bij de top 10 economieën van de wereld. Dat moet bereikt worden in het jaar 2023 — 100 jaar na stichting van de Turkse republiek. In die doelstelling hoort een te realiseren BNP van $2 biljoen met een gemiddelde per capita inkomen van $20.000 (van een 2015 BNP van $718 miljard en een BNP per capita van $11.500). Om in de buurt van dat ambitieuze doel te komen speelt Rusland een cruciale rol: het (deels) zelf voorzien van en diversificeren van de Turkse energiebehoefte (waarover later meer). In algemene zin is het doel (binnen het kader van de 2023 visie) om de jaarlijkse handel tussen Turkije en Rusland toe te laten nemen van $30 naar $100 miljard — dat komt neer op meer dan een 8ste van de huidige BNP. Kortom: Rusland is een essentiële partner voor de Turken om haar 2023 te bereiken.

Rusland, aan andere kant, heeft Turkije ook nodig. Moskou kan niet meer via Oekraïne gas leveren aan Europa en heeft nieuwe ingangen nodig naar Europa. Daar komt Turkije in beeld. Middels Turk Stream vindt Rusland een opening naar de Europese markten. Dat is het niet alleen: deze projecten worden verder opgenomen in het bredere raamwerk van Euraziatische samenwerkingsverbanden, zoals de Russisch geleide Europees Economische Unie (en gekoppeld aan de Chinees gedreven Nieuwe Zijderoute). Maar, zo maakte de Russische Minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, voor de ontmoeting (op 22 juli) duidelijk: het repareren van de relaties zou sterk afhangen van “on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”.

Eens over Syrië, oneens over de strijdende partijen
De onderhandelingen over Syrië leken aanvankelijk niet verder te komen dan wat vooraf bekend en meer of minder reeds besloten was. Er was overeenstemming gevonden in: 1) het behoud van de Syrisch territoriale integriteit, 2) een wapenstilstand en 3) dat een toekomstige regering in Damascus alleen ingevuld kan worden op democratische wijze. Er bleven nog genoeg onenigheden over.

Tegenstellingen werden gevonden in het lot van de Syrische president, Bashar al-Assad. Moskou en Ankara nemen in zijn geval tegenovergestelde posities in: de Russen willen dat de Syrische leider in het zadel blijft; de Turken willen hem verdrijven. Veel van een mogelijke verzoening tussen Turkije en Rusland zou hiervan afhangen.

Erdogan gaf vlak voor de ontmoeting met Poetin een interview af aan de Russische staatszender TASS. In dit interview bevestigde en herhaalde hij zijn positie van de afgelopen jaren. Erdogan eiste: “the departure of Bashar Assad who is guilty for the deaths of 600,000 people”. Moskou verwerpt dat en staat achter Assad.

Verder onenigheid was m.b.t. de oppositiegroepen in Syrië. Het ging hierbij om welke oppositiegroepen als een terroristische groepering aangemerkt konden worden. De Russen zien álle gewapende groepen die embedded zijn met één van de terroristische groeperingen (ie. IS/Daesh en Jabhat an-Nusra/Fatah ash-Sham) als legitieme doelwit — in lijn met het VS onderhandelde raamwerk; Turkije is het eens betreft IS, maar niet over Fatah ash-Sham, voormalig Jabhat an Nusra, omdat: “al-Nusra front is also fighting against the Islamic State”, volgens Erdogan. Niettemin, de strijd tegen IS levert voldoende grond om de bilaterale betrekkingen tussen beide landen daarop te bouwen, wat volgens Poetin “the most important element of our joint work [is]”.

Samenvattend: ondanks dat beide partijen op vele punten dichterbij elkaar waren gekomen, waren er nog wezenlijke (geopolitieke) verschillen. Poetin bleek echter aan het eind van de sessie optimistisch: “We had a substantial and, I would like to stress, constructive conversation on the entire spectrum of bilateral ties, and on the international agenda”. Daags later gingen ministers en diplomaten aan de slag om de resterende kreuken zoveel mogelijk plat te strijken.

Toenadering en harmonisatie van beleid
De Turkse Mininister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, pakte de volgende dag de draad verder op en zei: “We have similar views on the ceasefire in Syria, humanitarian aid and political settlement”. Daar bleef het niet bij. Het lijkt erop dat Cavusoglu, en zijn konvooi van militaire, diplomatieke en inlichtingenexperts, met de taak berust waren op de Turkse positie te harmoniseren met die van hun Russische tegenhangers. Dat werd duidelijk uit het gezamenlijke verdedigingsmechanisme dat die dag, 10 augustus, werd geconstrueerd:

“Many countries are engaged in Syria actively. There could be mistakes (…) In order to prevent that, we need to put into practice the solidarity and cooperation [mechanism] between us including sharing of real-time intelligence.”

Dat is een significante gebeurtenis, niet alleen omdat hiermee het raamwerk om de strijd tegen IS te baseren gecreëerd werd, maar de Turkse beleidsmakers gaven hiermee ook aan dat ze een incident als het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig willen voorkomen. Dat is in zichzelf een belangrijke ontwikkeling, aangezien hiermee afgevraagd kan worden wat voor rol de Turken nog willen gaan spelen in het licht van de groeiende confronterende verhoudingen tussen de NAVO en Rusland.

De Turkse minister van Buitenlandse Zaken stelde echter zijn NAVO-partners direct gerust door te stellen dat dit samenwerkingsverband beslist geen “move against NATO” is, maar maakte wel duidelijk dat Ankara verder gaat kijken naar opties om haar belangen te verdedigen.

De daaropvolgende dag, 11 augustus, twee dagen na de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin, vonden de Turken meer aanknopingspunten met de Russen. Cavusoglu maakte de volgende statement: “”We think the same as Russia on Syria’s future. The next administration in Syria should be inclusive and cover everyone,” en voegde eraan toe dat de volgende regering “must be a secular one”. Dit was een indirecte toezegging dat: 1) de islamistische (ie. sektarische) oppositie geen zal toekomst hebben in Damascus en 2) hield de deur open voor de huidige machtshebbers in Syrië (de seculiere Ba’ath-partij).  Kortom: Ankara doet meer water bij de wijn en komt steeds dichterbij de Russische positie te liggen.

Geopolitieke troefkaart
Dit wil niet zeggen dat de Turken compleet hun positie hebben verlaten: Turkije steunt nog steeds de gewapende oppositie en probeert de uitkomst van de oorlog te beïnvloeden. Dat bleek onder andere uit het Aleppo offensief van 11 augustus. The Financial Times kwam met een rapport naar buiten dat dit offensief mede mogelijk werd gemaakt door buitenlandse hulp én dat Turkije daar een centrale rol in speelde. Uit het bericht:

 [T]he offensive against President Bashar al-Assad’s troops may have had more foreign    help than it appears: activists and rebels say opposition forces were replenished with   new weapons, cash and other supplies before and during the fighting.

(…)

  “At the border yesterday we counted tens of trucks bringing in weapons,” said one           Syrian activist, who crosses between Syria and neighbouring Turkey. “It’s been         happening daily, for weeks… weapons, artillery — we’re not just talking about some       bullets or guns.”

 

 Two other rebels (…) described cash and supplies being ferried in for weeks. They and    others believe the money and supplies came from regional backers, including Saudi      Arabia and Qatar, and were sent in trucks across Turkey’s border with Syria.

Dit geeft aan dat de uitspraken van Erdogan (gemaakt op 9 augustus, voor de ontmoeting met Poetin) niet alleen voor de achterban was. In de afgelopen vijf+ jaar is een enorme infrastructuur opgebouwd om de oppositiegroepen in Syrië te trainen, faciliteren, bewapenen en op allerlei andere manieren te steunen, waardoor deze operatie niet overnacht ontmanteld kan worden. Daarnaast: de Turkse steun en rol, in het door de oppositie uitgevoerde offensief in Aleppo, kan worden gezien als een poging om haar invloed op de toekomstige onderhandelingstafels (over de toekomst van Syrië) te vergroten. Dat wordt in het FT stuk als volgt uitgelegd:

 The city is Syria’s largest and the last remaining urban stronghold of the rebels, who        have been fighting for five years against Mr Assad. Without it, they could become a             rural rebellion with far less pressure to bear on political negotiations that world powers   hope will end the bloodshed.

De verwachting is dan ook dat de Turkse steun niet plots zal ophouden, althans niet voor een politieke en militaire oplossing is gevonden.

Naar een driestappenplan
Voor de punten waar Turkije en Rusland overeenstemming hebben gevonden, heeft Ankara een driestappenplan uitgebracht. De Turkse premier, Binali Yildirim, vatte deze tijdens een persconferentie op 15 augustus als volgt samen:

  • Het behouden en beschermen van de territoriale integriteit van Syrië.
  • Een inclusieve, seculiere overheid.
  • Het terug laten keren van de Syrische vluchtelingen.

De Turkse premier Yildirim bevestigt dat de vorming van een autonome Koerdistan (in het noorden van Syrië) bepalend was om de bevroren relaties met Rusland te ontdooien. Ook significant aan dit driestappenplan was welke rol het lot van Assad inneemt. Voor het eerst sinds vijf plus jaar lieten de Turken hun wens dat de huidige president van Syrië weg moest los. Althans, niet op korte termijn maar wel op “the long run” — wat betekent dat er ruimte wordt gelaten zodat Assad deel uit te maken van een transitieregering of kan meedoen aan verkiezingen.

De stapsgewijze Turkse toenadering tot de Russische is een demonstratie van de invloed en macht van Moskou en de huidige geopolitieke verhoudingen. Op algemene beginselen zijn de Turken op lijn van de Russen gekomen en daarmee is er voldoende grond gecreëerd om daarop de toekomstige samenwerkingen op te bouwen. Moskou heeft genoeg om mee samen te werken. Daarnaast was het Ankara die haar best moest doen om aanknopingspunten te vinden met de Russen. Dit geeft weer dat de Russen over de betere kaarten bezaten (en zitten). Verder heeft Moskou een invloedrijke partner er bij voor de komende onderhandelingen. Dat is iets wat met name Washington zal hekelen.

Turkije: ex-lid van het westen en vriend van Rusland?
De vraag die rest is: heeft Turkije nu afscheid genomen van het westen en aansluiting gevonden bij Rusland? Nee, een afscheiding van het westen gaat niet gebeuren en sterker nog: dat kan ook niet. Dat heeft te maken met de Turkse integratie in de westerse (financieel)economische en militaire wereld (daarover in een volgend stuk meer).

Echter, in geopolitiek perspectief, en in het bijzonder de crisis in Syrië, hebben spanningen tussen de VS en Turkije Ankara doen kijken naar andere partners om haar Koerdische zorgen weg te nemen. Daar komen de Russen in spel. Naast het belang van Rusland in het kader van de Turkse ‘2023 visie’, heeft Moskou de geopolitieke kaarten in handen. Sinds de Russische interventie september 2015 heeft Moskou haar plek in de regio terug weten op te eisen. De Turks-Russische rapprochement is een getuigenis en uitkomst van die status. En in die nieuwe realiteit is Ankara gedwongen om rekening te houden met de Russen, zoals de historische ontmoeting van 9 augustus bewijst.

In conclusie, Turkije zal zich niet scheiden van het westen, maar heeft zich in ieder geval ten opzichte van Syrië aan kant van Rusland gepositioneerd. Daarmee leveren ze een enorme klap uit aan vijf jaar regime change beleid van de VS (in relatie tot Syrië) én Rusland herclaimt haar status als grootmacht. Ongetwijfeld zullen beleidsmakers in Washington denken aan een countermove. The game is on.

Mislukte putsch overtuigt Erdogan van aansluiting bij Poetin

De mislukte putsch van 15 juli 2016 tegen de Turkse president, Recep Tayyip Erdogan, lijkt de Turkse integratie met Eurazië (ie. Rusland en China) in een stroomversnelling te hebben geplaatst. Was de Turkse president op 15 mei nog van mening dat de Zwarte Zee dreigde een “Russische meer” te worden, onderneemt hij post-coup de nodige stappen om de gebroken betrekkingen te repareren. De Turken voelen in toenemende mate verminderde steun en vertrouwen vanuit het westen, wat na de gefaalde staatsgreep alleen maar versterkt is geworden. Bovendien dwingen feiten op de grond Ankara om haar buitenlandbeleid aan te passen. De eerste post-coup buitenlandbezoek van Erdogan geeft duidelijk weer waar de Turkse prioriteiten gaan komen te liggen: Moskou.

Veranderende geopolitieke setting motiveert beleid Ankara
De Turks-Russische betrekkingen worden van oudsher gekenmerkt door wantrouwen en spanningen. In de huidige context is dat o.a. op te merken in het Syrische conflict: Ankara eist het aftreden van de Syrische president, terwijl Moskou hem in het zadel wilt houden. Deze tegenstellingen bereikten afgelopen november een hoogtepunt toen de Turken een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig uit de lucht hadden geschoten. Als gevolg daarvan werden alle betrekkingen bevroren.

Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter doen dwingen om hun opstelling vis-à-vis Moskou aan te passen en van koers te wijzigen. De Russische interventie in Syrië, gestart sinds eind september 2015, heeft de Syrische president, Bashar al-Assad, namelijk fermer in zijn zetel geplaatst en deelde mokerslagen uit aan (de door de Turken gesteunde) gematigde oppositie. Daarnaast zijn de Syrische Koerden hard op weg om een eigen staat te vormen — wat als een rode lijn beschouwd wordt voor de Turkse republiek. Kortom, het Turkse buitenlandbeleid ging van het bekende “zero problems” naar “only problems”.

Daarbij komt ook nog dat de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten de Syrische Koerden steunen — die gelieerd zijn aan de in Turkse ogen terroristische groepering PKK. Tevens hebben ze militaire basissen opgezet in de Koerdische delen van Syrië. De impliciete boodschap voor Ankara is evident: de traditionele (westerse) partners scharen zich aan zijde van haar gezworen vijanden.

De Koerden: bindende factor Erdogan en Assad
Gedwongen door deze nieuwe, geopolitieke context besloten de Turken om van tactiek te veranderen. De prioriteit ligt nog steeds bij het ondermijnen van een Syrische Koerdistan, maar nu langs Syrië, en daarvoor is Rusland nodig. Echter, om als een serieuze partner gezien te worden, moest Erdogan dat ook laten zien. Zoveel maakte de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, op 22 juli duidelijk tegen zijn Turkse tegenhanger. “Much will depend on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”, werd Lavrov geciteerd zeggende.

En dat deed Erdogan ook. Hij zette ten eerste op 5 mei zijn toenmalige premier, Ahmet Davutoglu, af. Davutoglu werd gezien als de architect achter het Turkse buitenlandbeleid en was een voorstander van hardere maatregelen tegen Syrië. Verder schreef Erdogan zelf op 12 juni een excuusbrief aan Poetin voor het in november 2015 neerhalen van een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (waarbij de piloot omkwam).

Deze publieke omwenteling kwam na maandenlange geheime onderhandelingen met Syrische diplomaten. Volgens Foreign Policy waren onderhandelaars, namens de zittende regering in Ankara, sinds januari 2016 bezig om een normalisatieproces op gang te krijgen. Een anonieme senior AKP-official rationaliseerde dit besluit tegen Reuters (17 juni) als volgt: “Assad (…) doesn’t support Kurdish autonomy. We may dislike one another, but we pursue similar politics with that regard”. Oftewel, de Turken hopen de vorming van een onafhankelijke Syrisch Koerdistan te ondermijnen, door de Syrische staat als unitaire entiteit te behouden. Daarvoor moet Ankara de betrekkingen normaliseren met Poetin en Assad, iets wat meer dan een maand geleden nog ondenkbaar was.

Hierbij is belangrijk om op te merken dat deze rappochement met Rusland niet spontaan is ontstaan, maar waarvoor de fundamenten reeds aangelegd waren: in 2015 bood Turkije zich aan om lid te worden van de ‘Aziatische NAVO’ (de Shanghai-samenwerkingsorganisatie, waar Rusland en China de oprichters van zijn); was tot voor kort van plan om een Chinees luchtverdedigingssysteem te kopen (significant hieraan is dat dit systeem niet geïntegreerd kan worden in de bredere NAVO luchtverdedigingsinfrastructuur); ging akkoord om Russische gas af te nemen (genaamd Turkish Stream, maar werd in de ijskast gezet na de crisis die ontstand als gevolg van het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig). Kortom, de Turkse aansluiting bij Rusland (en in breder verband China) volgt een reeds ingezette trend, maar die tijdelijk bevroren was wegens (geo)politieke omstandigheden.

Rusland vs. de VS: warm vs koud.
De mislukte putsch van 15 juli tegen Erdogan volgde op met zijn eigen heuse coup: het zuiveren van het staatsapparaat van oppositionele elementen. Hoewel dit ongetwijfeld bedoeld is om de positie van de Turkse leider te verstevigen, lijkt de gefaalde couppoging ook de Turkse re-oriëntatie van het Westen en naar Rusland (en China) te hebben geacceleerd. De daaruit volgende uitval met de Verenigde Staten spreekt boekdelen.

Terwijl de couppoging onderweg was, hield Washington zich afzijdig en veroordeelde de gepoogde machtsovername door het leger van meet af aan niet. Althans, dat is de heersende perceptie in Ankara. Toen eenmaal duidelijk werd dat deze putsch falende was, spraken de Amerikanen pas hun steun uit voor de zittende machthebbers. Deze aarzelende uiting van support werd door de Turkse regering niet in dank afgenomen.

De diplomatieke onenigheid tussen Ankara en Washington verergerde door de situatie rondom geestelijke leider Fethullah Gülen. Gülen, die verblijft in de VS, wordt door Ankara verantwoordelijk gehouden voor de mislukte putsch en eist zijn uitlevering. Washington weigert echter (bij gebrek aan juridisch bewijs) daar gehoor aan te geven. De Turken lieten het daar niet bij en begonnen druk uit te oefenen op hun langdurige NAVO-bondgenoot: op 19 juli werd de stroom voor de militaire basis in Incirlik uitgezet (waar er minimaal 2.500 Amerikaanse soldaten gestationeerd zijn, alsmede 50 tactische nucleaire raketten en wat de uitvalsbasis vormt voor de strijd tegen Daesh in Syrië en Irak); Ankara zette hoger in door op 26 juli president Obama er direct van te beschuldigen om de vermeende couppleger (Gülen) onderdak en rugdekking te geven. Dat werd gedaan door Bekir Bozdag, de minister van Justitie en vertrouweling van Erdogan; op 29 juli uitte ook Erdogan fel kritiek uit op zijn NAVO-partner, toen hij stelde dat de Amerikanen de “kant van de coupplegers” hadden genomen en op 31 juli werd de Incirlik-vliegtuigbasis afgesloten door 1.000 politiekrachten.

In schril contrast staan de (warme) reacties van de Russische president. Russische inlichtingendienst hadden volgens Arabische en Iraanse media hun Turkse collega’s  geïnformeerd over de aanstaande putsch en de volgende dag belde Poetin Erdogan persoonlijk op om zijn steun en vertrouwen in hem uit te spreken. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, was (25 juli) lofend hierover: “Russia has provided us with complete and unconditional support during the coup attempt, for that we are grateful to Putin and all Russian officials”.

Dat Ankara bereid is om de kwestie rondom Gülen zo ver te laten escaleren, is een duidelijke signaal dat de Turken de limieten van hun Atlantische partnerschap opzoeken. Belangrijker nog, dit geeft weer dat de Turkse regering ervan overtuigd is dat de VS een aandeel had in de mislukte putsch. In hoeverre er een zaak hiervoor te maken is, is irrelevant. Het gaat er om wat de Turkse machthebbers denken. Dat is cruciaal, want dat zal Turks beleid beïnvloeden en vormgeven.

Ook in relatie tot de Europese Unie (EU) is te zien dat de Turken hun betrekkingen anders willen vormgeven. Het voornemen om de doodstraf weer in te voeren reflecteert dat. Het introduceren van een dergelijke maatregel zou een potentiële lidmaatschap van de EU namelijk onmogelijk maken. Indien de Turken serieus zijn (om de doodstraf in te voeren), kan afgevraagd worden of ze überhaupt nog lid willen worden van de EU.

Het tijdperk van realisme
De Russische respons (op de mislukte putsch) creëerde een opening om de bevroren relaties met Ankara te ontdooien. Die kans werd ook gelijk gegrepen door de Turken. Vicepremier Mehmet Simsek reisde in de week van 27 juli af naar Moskou om de handelsrelaties weer te herstellen. Verder zijn de onderhandelingen over de gaspijplijn Turkish Stream herstart alsmede over de Akkuyu nucleaire kerncentrale. Bovendien laat de eerste buitenland bezoek (op 9 augustus) van president Erdogan duidelijk zien waar de prioriteit voor Turkije ligt: Rusland. Verwacht wordt dat tijdens deze ontmoeting, in de woorden van de minister van Economie Nihat Zeybekci, “the final impetus” zal worden gegeven aan bovengenoemde projecten. Belangrijker nog: hiermee zal een mijlpaal bereikt worden in de Turkse re-oriëntatie van het westen en naar Rusland en China. Een gebeurtenis die, volgens oud-topdiplomaat M.K. Bhadrakumar, gezien de centrale rol die Turkije speelt in het westerse alliantiesysteem, wellicht significanter zal kunnen uitpakken dan de 1979 Iraanse revolutie.

Een afscheiding zal echter niet gebeuren. EU landen als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijven de belangrijkste bestemmingen voor de Turkse export. Daarentegen staat wel dat de nummer één en drie importpartners respectievelijk China en Rusland zijn. Het Turkse buitenlandbeleid lijkt deze realiteit te volgen. Abdulkader Selvi, senior journalist bij de Turkse krant Hürriyet, typeert deze transitie (van het Turkse buitenlandbeleid) als een omschakeling van een “tijdperk van idealisme” naar een “tijdperk van realisme”. En in dat nieuwe tijdperk spelen Moskou en Peking een belangrijke rol.

De geopolitieke context van de Atatürk Airport terreuraanslag: cui bono?

Er is inmiddels al veel en vanuit verschillende hoeken geschreven over de terreuraanslag op Turkije’ grootste vliegveld, Atatürk Airport. Het geopolitieke aspect is echter wat me enorm interesseert. Hoewel er meerdere aanslagen zijn gepleegd in het afgelopen jaar, steekt deze, op het vliegveld, er boven uit. Dit heeft te maken met de geopolitieke context waarin deze aanslag gebeurd en de politieke geschiedenis van Turkije.
In de afgelopen weken was namelijk de contouren van een nieuw Turks (en post-Davutoglu) buitenlandbeleid op te merken, door: 1) het ontslaan van premier en tevens architect van Erdogan’s (voormalig) buitenlandbeleid, Ahmet Davutoglu; 2) normalisatie met Israël en 3), wellicht wel belangrijkste, rapprochement met Moskou.
Wat dan, heeft de aanslag met deze veranderende geopolitieke context te maken?
Geopolitieke prikkels
Om op bovengestelde vraag antwoord te geven moet als eerst onderzocht worden waar Ankara naar streeft. Oftewel, wat heeft de nieuwe geopolitieke context doen verschuiven?
De regering-Erdogan volgt wat sommige analisten een “neo-Ottomaanse” beleid noemen. Kort gezegd: Turkije moet volgens deze visie streven om haar eens verworven status als regionale grootmacht te heroveren. Davutoglu noemde deze zoektocht een “great restoration”.
Binnen dit kader, en in de context van de ontwikkelingen rondom Syrië, heeft de regering-Erdogan de volgende doelstellingen opgesteld:
  1. Turkije te positioneren als centrale doorvoerland tussen Europa en Azië;
  2. Het voorkomen van de vorming van een Koerdische staat in het noorden van Syrië

Betreft punt 1): De oorlog in Syrië is in vele opzichten een energie-oorlog. Syrië vormt door haar geostrategische ligging, net als Turkije, een belangrijke kruising in de energienetwerken, met name voor gaspijplijnen vanuit Iran en Qatar, en Erdogan wilt dat die pijplijnen, op weg naar de Europese markten, eerst langs Syrië en vervolgens Turkije gaan lopen. Daarmee hoopt Ankara haar machtspositie te vergroten. De Syrische president, Bashar al-Assad, had daar andere plannen over: hier meer daarover.

Dat was één van de hoofdredenen voor Erdogan om Assad te verdrijven en vervangen met een onderdanige cliëntregime, middels een bonte verzameling aan gematigde tot al-Qaida gelieerde milities (waaronder Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham). Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter gedwongen om het vigerend beleid te herzien. Een aantal van deze ‘push’-factoren zijn:
  1. Economische vooruitzichten zijn somber;
  2. Oorlog met PKK destabiliseert het land en heeft 200.000 vluchtelingen veroorzaakt;
  3. Extreme toename IS-aanslagen en andere, terroristische groeperingen;
  4. Russische interventie in Syrië heeft ervoor gezorgd dat Assad voorlopig nog aan de macht blijft (het verdrijven van de Syrische leider was één van de hoofdprioriteiten van Erdogan);
  5. Toetreding tot EU loopt op niets uit;
  6. 2+ miljoen Syrische vluchtelingen legt hevige druk op het land;
  7. Syrische Koerden zijn hard op weg om een eigen staat te vormen in noord-Syrië — een rode lijn voor de Turkse staat.

Betreft punt 2): in de afgelopen weken en maanden is gebleken dat Noord-Amerikaanse, Britse, Duitse en Franse special forces op dit moment aanwezig zijn in noorden van Syrië (ie. zonder toestemming van de regering in Damascus). Ze vechten daar zij aan zij met de Koerdische groepen tegen terreurgroep IS.

Die westerse aanwezigheid (in het noorden van Syrië) wordt door zowel Damascus als Ankara met argusogen bekeken. Zij zien daarin impliciete support áán én vóór een (semi-)onafhankelijke Koerdistan. Dat is iets waar zowel Ankara als Damascus niet willen en zullen laten toestaan. President Assad heeft namelijk al aangegeven alle (verloren) terrein terug te willen heroveren en de vorming van een Syrisch-Koerdistan wordt door Turkse beleidsmakers gezien als een bedreiging voor haar territoriale integriteit.

Anders gezegd: Turkije als Syrië zien binnen een prospect Syrisch-Koerdistan gemeenschappelijke doelen. Het is in dit perspectief dat de heimelijke onderhandelingen tussen Turkse en Syrische officials (gestart sinds april 2016 via Algerije) bezien moet worden: beide partijen proberen hun oppositionele beleid tegen de Koerden te harmoniseren.

Samenvattend: twee van Turkije’ hoofddoelen zijn in de afgelopen periode in gevaar gekomen: 1) het positioneren van Turkije als een cruciale doorvoerland en 2) de vorming van een Syrisch-Koerdistan.

Genoeg prikkels voor Erdogan om van beleid te veranderen, en dat deed hij ook:
  • sinds april 2016 praat Ankara weer met Damascus, dit gebeurde met hulp van Algerije.
  • het afzetten van Davutoglu, de architect van het voormalig buitenlandse beleid van Erdogan.
  • normalisatieproces op gang gezet met Israël ondanks een lopende rechtszaak (mbt het humanitaire schip Mavi Marmara, het liquideren van Turkse activisten en het opheffen van de blokkade op Gaza).
  •  excuses geboden aan Poetin voor het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig (november 2015).
De (Euraziatische) toon is gezet
Turkije zette hiermee stappen naar een meer gebalanceerd buitenlandbeleid, als brug tussen Europa en Azië. Dat wordt onder meer weergegeven in de (militaire) allianties die Ankara wil aangaan: Turkije is reeds lid van de NAVO en meldde zich in 2015 aan om ook lid te worden van de Aziatische variant (de (Chinees-Russische geleide) Shanghai-samenwerkingsorganisatie). Dit weerspiegelt het streven van Turkije om zich te positioneren als verbindende natie tussen Oost en West.
Binnen dit raamwerk moet de rappochement met Rusland en normalisatie met Israël gezien worden: het verdiepen van het Euraziatische integratieproces. Dat wordt gedaan onder meer gedaan door de gaspijplijn met Israël te herstarten en, belangrijker nog, ook die met Rusland (genaamd Turk Stream). De Russische gaspijplijn zal worden verbonden met het zuidoosten van Europa, waardoor Turkije dichterbij haar “neo-Ottomaanse” streven zal komen om zich als cruciale doorvoerland te positioneren (kort omlijnd hierboven).
Erdogan’s re-oriëntatie moet echter ook niet overschat worden: Turkse militaire eenheden staan nog steeds klaar langs de Syrische grenzen en de veiligheidsdiensten faciliteren nog steeds de bonte verzameling aan jihadisten naar Syrië. Cruciaal is echter dat de toon gezet is.
Turkse re-oriëntatie versus aanslag airport
Hoe kruist deze Turkse geopolitieke re-oriëntatie met de terroristische aanslag op Atatürk Airport?
Een voorbeeld uit het verleden wordt gehaald om deze aanslag in perspectief te plaatsen: de eerste coup in Turkije was tegen de regering van Adnan Menderes (Democratische Partij). Deze coup, uitgevoerd door het leger, was gedaan omdat Menderes ontevreden was over de macht en invloed van de VS over de Turkse veiligheidsdiensten. Tevens uitte hij kritiek uit op de structurering van het westerse alliantiesysteem en zocht derhalve toenadering tot de Sovjet-Unie, zoals hier uitgelegd wordt:
“As a matter of fact, Menderes was not content with the structure and control the CIA had within Turkey’s National Intelligence Organization (MİT). The U.S. even paid MİT officers’ salaries. Menderes’s visit to Moscow in order to prevent the intervention and find support for his cause irritated the U.S. Moreover, Menderes’s collaboration with Iran, Iraq and Pakistan via the Central Treaty Organization (CENTO) scared the U.K.”
Dat was aanleiding voor de coup. Nadat de coup succesvol was verlopen, spraken de coupplegers onmiddelijk hun steun uit voor en om onderdeel te blijven van het westerse alliantiesysteem:
“Our goal is the full observance of the U.N. Charter and Universal Declaration of Human Rights. Great Atatürk’s ‘Peace at home, peace at world’ principle is our flag. We are loyal to all our alliances and commitments. We are a part of NATO and CENTO,”
Dit was aanleiding voor vele analisten om te suggereren dat deze coup uitgevoerd werd op goedkeuren én bevel van Washington. De vraag is: is een zelfde model toegepast op Turkije? En indien dat het geval is: wat staat Erdogan en Turkije nog meer te verwachten?

EXTERNE ARTIKEL – Hoe China haar economie reguleert (ivm VS, Rusland en Japan)

Nog een artikel dat inzicht geeft in de werkingen van de Chinese economie. Dit keer over de verschillende uitkomsten in de aanpak van economische crises. De schrijver legt uit hoe de Chinezen een “harde landing” kunnen vermijden en landen als de V.S., Japan en Rusland minder.

De sleutelquotes heb ik vetgedrukt gemaakt.

My Photo

JOHN ROSS

  • Is Senior Fellow at Chongyang Institute for Financial Studies, Renmin University of China

Why do Western economies have hard landings but China doesn’t?

Introduction

The media outside China periodically carries predictions of a China ‘hard landing’. For example George Soros grabbed headlines earlier this year by declaring of China: ‘A hard landing is practically unavoidable.’ Soros himself has an inaccurate record of investing in Communist Party led, and ex-Communist, countries such as Russia and China – having lost approximately $1 billion in Russia’s Svyazinvest telecommunications company. But similar claims regularly appear in other media.

To anyone dispassionately examining the facts these claims are extremely curious – as they are clearly the exact reverse of reality.  The facts show the only real modern serious economic ‘hard landings’ were not in China but in so called ‘Western’ economies – for example the US after 2007, Japan after 1990, Russia after the introduction of capitalism in 1991. China’s economy for example has not suffered a year of negative growth for at least half a century – in contrast to every major Western economy. Therefore, the real question which has to be explained, and which is examined here, is why do Western economies suffer ‘hard landings’ but China doesn’t?

Defining a hard landing

First it is necessary to define what is meant by a serious ‘hard landing’ – as different usages exist in the Western media. Superficially there are two variants:

  • The first is an actual fall in output – as in the US post-2007 ‘Great Recession’ or in Russia after the introduction of capitalism in 1991,
  • The second is a prolonged period of near economic stagnation – as in Japan after 1990, where for a quarter of a century annual GDP growth averaged less than 1%.

It will be seen, however, that the fundamental mechanism is the same in both cases.

What causes a Western economy’s ‘hard landing’?

A seriously erroneous assumption is sometimes repeated in parts of the media that because consumption is the largest percentage of GDP it must be consumption which is the decisive influence in business cycles – including in ‘hard landings’. This is simply an elementary arithmetic error. Fluctuations in investment are so much more extreme than changes in consumption that although investment is a smaller proportion of the economy it is investment changes which dominate large scale economic downturns. This will be demonstrated in the three largest modern economic ‘hard landings’ – the US ‘Great Recession’ after 2007, Japan’s prolonged stagnation after 1990, and Russia after 1991. Analysing these three cases clearly demonstrates that the same mechanism operated in each – and also shows why China has not and will not have any serious hard landing.

The US ‘Great Recession’

The US ‘Great Recession’, accompanying the international financial crisis, was the deepest US economic downturn since the aftermath of World War II. Taking quarterly data, US GDP fell by more than 4%. On the eve of the Great Recession, in the 4th quarter of 2007, the largest part of the US economy was consumption – total consumption accounted for 82.5% of GDP. In contrast private fixed investment accounted for only 17.1% of US GDP. But the decline in US investment was so much more violent than the decline in consumption that it was the investment fall which dominated the ‘Great Recession’.

Measuring in inflation adjusted dollar prices the maximum fall in US household consumption during the Great Recession was 3% whereas private fixed investment fell by 23% – the percentage fall in private fixed investment was therefore seven times greater than the fall in household consumption. In inflation adjusted dollars, household consumption declined by $275 billion but private fixed investment fell by more than twice as much at $592 billion.

Taking into account government consumption and investment the US trends were even more extreme. World Bank data shows that in 2007-2009 US GDP fell by $461 billion in inflation adjusted terms. But US total consumption, private and government, in this period fell by $59 billion while total fixed investment, private and government, fell by $556 billion. The overall fall in fixed investment in the US during the ‘Great Recession’ was almost ten times as large as the fall in consumption.

The US ‘Great Recession’, in summary, was entirely dominated by the fixed investment decline.

Figure 1

16 04 01 US Great Recession

 

Japan’s post-1990 stagnation

Turning to Japan, since 1990 its annual average GDP growth has been only 0.9%. But Japan’s near stagnation over almost a quarter of a century was caused by entirely contradictory movements in different components of its economy. From 1990-2013, the latest World Bank internationally comparable data, Japan’s total increase in consumption was 41%, whereas Japan’s fixed investment fell 16% – see Figure 2. Japan’s annual average consumption rise was 1.5% while the average annual fixed investment fall was 0.8%.

The extreme severity of Japan’s stagnation was therefore due to its fixed investment decline.

Figure 2

16 04 01 Japan stagnation

 

Russia’s post-1991 collapse and stagnation

After the introduction of capitalism in 1991 Russia suffered the worst peacetime collapse in a major economy since the Industrial Revolution. By 1998 Russia’s GDP was 39% below its 1991 level. Then, following a devaluation and default on Russia’s debts in 1998, on the basis of the now ended commodities price boom of the first decade of 21st century, Russia’s economy recovered from extreme collapse – but nevertheless overall in 1991-2014 Russia’s average annual GDP growth was only 1.0%. Russia may therefore be analysed as a ‘hard landing’ in either of the senses considered – an example of an extreme economic recession or, over the longer term, as an example of stagnation.

This case of Russia after 1991 is particularly crucial for China given that Russia followed the theory proposed by Chinese neo-liberals and as advocated at the time by the World Bank. The claim was that privatisation would aid economic development as it would increase efficiency – in technical economic terms that Total Factor Productivity (TFP) would increase. Leaving aside any reasons for this, Russia’s TFP did indeed increase – taking the latest available data, Russia’s TFP during 1992-2014 increased by an annual average 0.9%, which was higher than any advanced major economy. But this increase in TFP was entirely overwhelmed by the consequences of negative trends in Russia’s investment which produced first an unprecedented peacetime economic collapse and then almost a quarter century of net economic near stagnation.

During the period of economic collapse from 1991-98, during which GDP fell 39%, both Russia’s household and total consumption rose in inflation adjusted prices by 1 trillion roubles above 1991 levels, whereas fixed investment declined to 4 trillion roubles below it – fixed investment fell by 81%. It was therefore the investment decline which caused Russia’s unprecedented economic collapse.

Taking the whole period since the restoration of capitalism, by 2014 Russian total consumption in inflation adjusted prices was 8 trillion roubles above its 1991 level while fixed investment was 2 trillion roubles below its 1991 level. It was this fall in investment which therefore accounted for Russia’s prolonged stagnation – i.e. only 1.0% overall growth over almost a quarter of a century during the 1991-2014 period (See Figure 3).

In summary both Russia’s economic collapse, and its prolonged stagnation, were dominated by negative trends in fixed investment – precisely as in the US post-2007 and Japan post-1990. An increase in TFP was overwhelmed by the investment fall – that is any ‘micro-economic efficiency’ produced was entirely crushed by the ‘macro-economic inefficiency’ of the investment collapse, producing Russia’s economic disaster.

Figure 3

16 04 01 Russia hard landing

 

The above data therefore make clear the mechanism by which the US, Japan and post-1991 Russia suffered severe, in some cases catastrophic, economic ‘hard landings’ – and in turn why China does not. The reason such severe falls in investment, causing ‘hard landings’, are possible in Western economies is because the overwhelming bulk of major companies, and therefore of fixed investment, are privately owned. Under such conditions the state therefore has no mechanisms sufficient to stop such investment collapses. In short these countries suffered ‘hard landings,’ driven by the investment collapses, because they were capitalist economies.

In China, in contrast, there are diverse forms of ownership but with a dominant state sector. This is the structure reaffirmed at the 3rd Plenum of the Central Committee of the 18th Congress of the CPC in November 2013: ‘We must unswervingly consolidate and develop the public economy, persist in the dominant position of public ownership, give full play to the leading role of the state-owned sector.’1 It was reiterated by Xi Jinping at a session of this year Chinese People’s Political Consultative Conference, by stating in China public ownership plays a dominant role with diverse forms of ownership developing side by side.2

Therefore, China possesses a large state sector which can be used to raise investment if the government requires to take anti-recessionary measures. In China existence of this state sector, which is ‘dominant’ not in the sense of being the majority of the economy but of being large enough to give the state the ability to set the overall investment level, therefore gives to China the means to halt or reverse an investment decline. In summary, China does not suffer a hard landing, that is an investment collapse, because it is not a capitalist but a socialist economy.

The reason neo-liberals engage in ‘stereotyped speech’, and avoid using numbers, is because this macro-economic efficiency of China’s ability to use its state sector to control investment levels, and also to avert hard landings, is far greater than any micro-economic processes neo-liberals attempt to point to. If China’s state sector lost its ‘dominant’ position due to privatisation, that is its ability to set the overall investment level, China would no longer have the mechanisms able to avert hard landings of the US, Japan and Russian type.

It is sufficient to compare post-2007 trends in China and the US, that is following the onset of the international financial crisis, to see the contrast between the two economic systems. Taking annual data, to allow a comparison of China and the US, US private fixed investment fell by 22% between 2007 and 2009, whereas China’s fixed investment rose by 35%. As a result, while annual US GDP fell by 3% China’s GDP rose by 20% – the trends for the US were shown in Figure 1 and those for China are shown in Figure 4. In 2007-14 China’s fixed investment rose by 105% creating economic growth of 81%.

Figure 4

16 04 01 China post 2007

 

In short, in China as in the West, it is fluctuations in fixed investment which determine whether hard landings occur (as in the West) or whether these can be averted (as in China). As the Wall Street Journal noted accurately, probably without understanding the significance of what it described: ‘Most economies can pull two levers to bolster growth: fiscal and monetary. China has a third option. The National Development and Reform Commission can accelerate the flow of investment projects.’

But the reason China has such a third mechanism of accelerating (or decelerating in the case of overheating) this flow of investment projects, which no Western economy possesses, is because of its dominant state sector – i.e. because China is a socialist and not capitalist economy. It is this ability to pull the ‘lever’ of investment, due to the large state sector, in contrast to the US, Japan, and Russia’s investment declines, which means that these latter countries have ‘hard landings’ while China does not.

But it is this large state sector which, of course, distinguishes China from any capitalist economy. Most fundamentally China hasn’t and doesn’t suffer ‘hard landings’ because it is a socialist not a capitalist economy.

*   *   *

A slightly edited version of this article originally appeared in Chinese at Sina Finance.

 

References

1. CPC. (2014, January 16). Decision of the Central Committee of the Communist Party of China on Some Major Issues Concerning Comprehensively Deepening the Reform. Retrieved February 2014, 2014, from China.org.cn: http://www.china.org.cn/china/third_plenary_session/2014-01/16/content_31212602_2.htm

2 Xinhua. (2016, March 4). Xi underscores adherence to China’s basic economic system. Retrieved March 21, 2016, from Xinhuanet: http://news.xinhuanet.com/english/2016-03/04/c_135156388.htm

 

EXTERNE ARTIKEL – Waarom de Chinese vastgoedsector niet te vergelijken is met het Westen

Hieronder heb ik een informatieve artikel gepaste van Forbes Magazine over Chinese “ghost cities” — steden volgebouwd met huizen, waarvan verwacht wordt dat die bewoond zullen worden, maar dat niet altijd gebeurd en daardoor leeg blijven. Vaak wordt er in het westen geschreven over de onhoudbaarheid van de Chinese vastgoedsector, maar wat dan meestal niet begrepen wordt is dat de Chinese economie niet te vergelijken is met elk ander land uit het Westen. China heeft haar markten in de laatste decennia weliswaar in meer of mindere mate geopend, maar het is de Communistische Partij die nog alles in handen heeft. Het stuurt de economie naar wens aan en kijkt verder dan de volgende kwartaal. Veel leesplezier!

 

What China Is Doing About Its 450 Million Square Meters Of Unsold Housing

I’d like to introduce some of China’s new ghost cities: Nanguan, Kerqin, Yuhong, Saihan, Yijinhuoluoqi, Dongling. They were uncovered by a Peking University study that used Baidu big data to find cities with large housing developments that the search engine’s users just weren’t going to very often. The rationale was that if nobody is going to these places then there is a good chance that they could be vacant — new “ghost towns” systematically built at the height of China’s urbanization boom.

Although when I looked at the list of places something stood out. Besides having under-populated new areas these cities also have something else in common: nobody’s ever heard of them before. Most are relatively small, relatively unimportant cities floating beyond the peripheries of China’s main economic powerhouses.

When we talk of China’s ghost cities we are no longer really talking about places like Shanghai’s Lujiazui, Guangzhou’s Zhujiang, and Zhengzhou’s Zhengdong New Area, who were once the recipients of international mockery for being under-populated. For the most part, these places have filled up and have become the economically vital engines they were envisioned to become — even Ordos Kangbashi now has 100,000 people. The places we’re focusing on now as having gluts of unsold homes are mostly diminutive new developments that were built by relatively minor cities. Oftentimes, these places are dusty, obsolete mining towns in the north of the country that are trying to develop new industries to become anything other than dusty, obsolete mining towns.

That said, there is a big difference between empty apartments that have been sold and unsold inventory. Purchased housing that’s empty for the short term — as is very common in China — isn’t a sign of any kind of economic calamity: the developers got paid, the local government collected their land sale and tax revenue, investors were often able to resell properties for a higher price than they paid. Beijing itself is technically 20% empty. But in China, just because an apartment is empty doesn’t mean it’s not being used. Vacant property in this country takes on multiple functions, from being a place to store savings to being a future home for offspring to move into when they get married, to a degree that’s unprecedented in the West.

Although there are also real ghost towns in China. According to the National Bureau of Statistics, the country currently has 450 square kilometers of unsold residential floor space, which is nearly enough to completely blanket Boston twice. This is an issue that has shot straight up to the country’s highest echelons of power. President Xi Jinping himself has declared the excess inventory of residential property one of the country’s “four battles of annihilation” that need to be won in order to for the economy to continue progressing, and the destocking of unneeded housing has become a national priority.

 

So what will China do about all of its unsold homes?

Tearing them down

A real estate developer in Heyuan, Guangdong province recently made headlines by tearing down 100 villas that remained unsold for a decade. While the cost of this demolition was reportedly upwards of $18 million, this allows the developer the opportunity to build something else that can actually be salable in their stead.
When we look at the recent wave of new city building that has overtaken China in the past fifteen years what we essentially see is a rough draft of urbanization. By law, developers cannot just sit on the land they buy and wait until a new area is built-up and the market matures around it. No, they must build something almost immediately — it is called urban construction land for a reason. As they take out freehold leases on residential land for 70 year periods and the buildings themselves hardly last half this long, developers essentially have multiple attempts to build something that can ultimately make a profit.

So when we look at China’s seas of empty apartments rest assured that if they don’t sell they will be knocked down and something else will be built in their place before crumble to ruins. Development land in China is just too valuable to allow unprofitable buildings to interminably take up space.

Cut back on building more houses

Municipalities and developers in China are very aware of their unsold housing stock and are often willing to take measures to remedy major imbalances. One of the ways they do this by applying simple supply/demand theory: the less new residential properties going on the market the higher the demand for the available stock.

Local municipalities in China control how much new land they make available for new residential constructions and developers can decide whether it’s in their interest to add to the existing housing stock or to hold off and sell what they already have. The big, unchecked urbanization boom in China is now over, and in places that currently have an excess of unsold housing we’re seeing a drastic cutting back of new inventory being added to the market.

Sell them to the government

I remember the ominous words of a property developer that I once met in Nanhui, a new city that was built to support the Yangshan Free Trade Zone 60 km outside of Shanghai. I asked him how he would fare in the event of a catastrophic crash in the property market, to which he replied, “Don’t worry, the government will take care of it. The government will lose a lot of money but we will be fine.”
In many ways China has a contrived economy. Municipalities, the banks, and many companies are all run by the same organization: the Communist Party of China. So when we talk about things like debt it doesn’t really mean the same thing as it does in the West. The communist party is also an organization that tends to value what it perceives as long term stability over short term profits, and they are often more than willing to bail themselves out — especially when it comes to the real estate market that so many of the country’s other industries depend on.

Guangdong province is currently in the process of enticing some large state-owned enterprises to buy up a large amount of its unsold housing stock, according to the SCMP. Over the next three years, Guangzhou has committed to reducing its unsold commercial housing by 20 million square meters through a program that will see unsold apartments being converted into public rental housing.

What Will Become Of China’s Ghost Cities?

While I wouldn’t say that this is yet a particularly widespread solution for China’s unsold housing inventory, it does show that some municipalities are taking action on a problematic side effect of decades of rampant urban expansion.

Big companies like Starbucks SBUX +2.18% can close hundreds of stores per year and remain a very successful because their gains ultimately outweigh their losses. Urbanization in China can be viewed in the same light. To get an accurate picture of China’s broader real estate situation we need mitigate the failures against the successes and look at the bottom line.

The bottom line here is that the numerous failures of minor developments simply do not measure up against the great urbanization successes that we see in Shenzhen, Shanghai, Wuhan, Guangzhou, Changsha, Zhengzhou, Chengdu — places that have become some of the most economically dynamic cities on the planet. According to Merrill Lynch, in 12 of 50 major Chinese cities there is currently a deficiency of available housing, and the housing supply in economically vital places like Suzhou, Zhuhai, and Nanjing is right on target.

While not every new city is going to be successful and not every expanse of countryside is going to support a forest of high-rises just because they’re planted there, to use the failures of minor new urban developments to make projections on the broader Chinese economy is like using Ironwood, Michigan as an indicator to judge the financial position of the United States. The scale is just too far off.

 

http://www.forbes.com/sites/wadeshepard/2016/03/31/what-china-is-doing-about-its-450-million-square-meters-of-unsold-housing/#26360b4a54e3

Wikileaks Clinton #email-gate: Israël wil Assad weg om Iran, Google biedt hulp

De gelekte mails van presidentskandidaat Hillary Clinton blijven verbazen. In een recente patch uitgebracht door Wikileaks wordt unieke inzage gegeven in de binnenste werkingen van Washington. Een deel van die vrijgegeven mails dateren uit de tijd dat Clinton nog minister van Buitenlandse Zaken was; met betrekking tot de oorlog in Syrië wordt uit de mails duidelijk dat de bondgenoten van de VS, waaronder Israël, haar adviseerde vóór regime change in Damascus. Ook interessant — maar niet geheel verrassend — is dat Washington daarbij ondersteuning kreeg van techgigant Google.

Israël’s voornaamste zorg
Volgens een gedeclassificeerd document verstuurd naar mevrouw Clinton (gedateerd december 2012) bekijkt Tel Aviv de ontwikkelingen in buurland Syrië met argusogen aan. Deze zorgen hebben niet zozeer te maken met de humanitaire gevolgen van de opstand, maar over het verliezen van haar dominante machtspositie in de regio.

Die dominante machtspositie wordt in grote mate mogelijk gemaakt doordat Israël de enige speler in het Midden-Oosten is met nucleaire capaciteiten. Mocht die status quo veranderen, omdat ook Iran nucleaire wapens weet te bemachtigen, dan zou dat tot een fundamentele herwijziging van de machtsbalans leiden. Een dergelijk scenario wil Israël absoluut voorkomen, zo blijkt uit het document.

De oorlog in Syrië en Iran’s nucleaire programma mogen dan op het oog ongerelateerd lijken, zo staat er in het document, maar mocht Teheran tóch nucleaire wapens in handen weten te krijgen, dan zou dit tot het volgende als gevolg hebben:

a precarious nuclear balance in which Israel could not respond to provocations with conventional military strikes on Syria and Lebanon, as it can today.

En:

If Iran were to reach the threshold of a nuclear weapons state, Tehran would find it much easier to call on its allies in Syria and Hezbollah to strike Israel, knowing that its nuclear weapons would serve as a deterrent to Israel responding against Iran itself.

Dat is dus de reden waarom Assad uitgeschakeld moet worden, namelijk: Syrië is de brug naar het Libanese verzet; bewegingen als Hezbollah worden allen getraind, bewapend en gefaciliteerd door Syrië (met hulp van Iran). Daarom scharen Israëlische leiders zich achter de val van de Assad-regering, om die strategische alliantie tussen Hezbollah, Syrië en Iran te breken.

Washington zou dat (volgens het document) kunnen doen door de volgende stappen te ondernemen:

“Washington should start by expressing its willingness to work with regional allies like Turkey, Saudi Arabia, and Qatar to organize, train and arm Syrian rebel forces.

The announcement of such a decision would, by itself, likely cause substantial defections from the Syrian military.

Then, using territory in Turkey and possibly Jordan, U.S. diplomats and Pentagon officials can start strengthening the opposition.

Zoals deze schrijver eerder heeft beargumenteert, Iran vormt inderdaad het primaire doelwit in de oorlog in Syrië én de opstand wordt mede mogelijk gemaakt door de buurlanden van Syrië (eg. Turkije, Saoedi-Arabië, Jordanië en Qatar).

Fragment uit het gedeclassificeerd document uit juli 2012

De strategische voordelen — die het waard zijn om in het geheel te citeren — van het verdrijven van president Assad worden in de brief als volgt opgesomd:

– Iran would be strategically isolated, unable to exert its influence in the Middle East.

– The resulting regime in Syria will see the United States as a friend, not an enemy.

– Washington would gain substantial recognition as fighting for the people in the Arab world, not the corrupt regimes.

– For Israel, the rationale for a bolt from the blue attack on Iran’s nuclear facilities would be eased.

– And a new Syrian regime might well be open to early action on the frozen peace talks with Israel. Hezbollah in Lebanon would be cut off from its Iranian sponsor since Syria would no longer be a transit point for Iranian training, assistance and missiles.

De prijs is dus enorm voor Israël. In een andere brief uit juli 2012 wordt echter duidelijk dat het omver werpen van de zittende regering in Damascus vergaande gevolgen zal hebben voor de gehele regio. Een waarschijnlijke uitkomst zal een regionale sektarische oorlog tussen de twee grootste bevolkingsgroepen, soennieten en sjiieten, zijn. Niettemin, zegt één Israëlische bron uit een juli 2012 mail, kan dat ook ‘positief’ uitpakken:

“if the Assad regime topples, Iran would lose its only ally in the Middle East and would be isolated.

At the same time, the fall of the House of Assad could well ignite a sectarian war between the Shiites and the majority Sunnis of the region drawing in Iran, which, in the view of Israeli commaders would not be a bad thing for Israel and its Western allies.

Oftewel, deze bron beargumenteert dat een regionale oorlog tussen soennieten en sjiieten, die zeer waarschijnlijk zal leiden tot miljoenen doden, ook een gunstige uitwerking zal kunnen hebben. Want, zo zegt die Israëlische bron, zal een dergelijk scenario er toe leiden dat Iran genoodzaakt zou zijn om haar nucleaire programma tot een halt te brengen en wellicht zou dat ook bijdragen aan de val van de Iraanse regering.

“Not just a company”
Ook Google lijkt zich bij de partij te hebben aangesloten. Eind juli 2012 ontving Hillary Clinton een e-mail van Jared Cohen — het hoofd van de toenmalige ‘Google Ideas’ (tegenwoordig Jigsaw). Cohen schrijft in die brief dat ze in samenwerking met (de Qatarese nieuwszender) al-Jazeera bezig zijn om middels een “tool” deserteurs van het Syrische leger te visualiseren. De logica hiervan is om: “encouraging more to defect and giving confidence to the opposition”.

De “tool” werd uiteindelijk gepubliceerd door al-Jazeera, in het Engels en Arabisch, en is hier te vinden. Het groeide uit tot één van de meest bekeken infographics op hun website. Google Ideas/Jigsaw spreekt zelf niet van het aanmoedigen van overlopers of het steunen van de oppositie. De Britse krant The Independent vroeg om een reactie, maar Google weigerde commentaar.

De samenwerking tussen Google en Washington komt niet geheel als een verrassing aan. Wikileaks oprichter Julian Assange gelooft dat Google wezenlijk deel uitmaakt van het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten. In een stuk uit 2015 schreef hij:

“Whether it is being just a company or ‘more than just a company,’ Google’s geopolitical aspirations are firmly enmeshed within the foreign-policy agenda of the world’s largest superpower,””

Daar blijft het niet bij. Britse onderzoeker dr. Nafeez Ahmed laat in twee uitvoerige onderzoeksartikelen zien hoe Google groot is gebracht met hulp van de CIA en inmiddels ferm gepositioneerd is in de massasurveillance.

The ‘Hillarator’
Deze laatste revelaties laten zien hoe koelbloedig men te werk gaat achter de schermen en waarom mevrouw Clinton ook wel ‘The Hillarator’ wordt genoemd. Uit exposés in The New York Times en Washington Post is bekend dat zij de drijvende kracht was achter de 2011 NAVO-interventie in Libië. Er is daarom niet veel voorstellingsvermogen nodig om in te beelden wat drie jaar langer Clinton zou hebben voortgebracht (in relatie tot de oorlog in Syrië) indien ze langer was aangebleven als minister van Buitenlandse Zaken.

Voor wie nog geïnteresseerd is in waarom Frankrijk de Libische leider Muammar Gaddafi uit de weg wilde ruimen, kan dat in een andere gelekte Clintonmail hier lezen.

Erdogan’s “anti-IS” maatregelen zijn niet bedoeld tegen de terreurgroep

(Dit is een oud stuk uit juli 2015 dat ik voor Turks Nieuws had geschreven)

Het Erdogan-regime heeft besloten om actie tegen de Islamitische Staat (IS of Daesh) te ondernemen. Aanleiding was de door IS gepleegde aanslag in Suruc, waarbij 32 Koerdische socialisten omkwamen. Een aantal van die maatregelen zijn: aanvallen op IS-doelen in Syrië, het arresteren van jihadisten (en Koerdische socialisten) én toestemming verlenen aan Washington om haar Incirlik luchtmachtbasis in gebruik te nemen (in strijd tegen IS). Hiermee wekt het Erdogan regime de indruk dat ze (eindelijk) bereid zijn om tegen Daesh op te treden — na jaren van steun en collaboratie.

Genoemde maatregelen zullen echter ontoereikend blijken om de terreurgroep te stoppen, en daar zit Ankara ook niet mee. Het Erdogan regime maakt gebruik van het momentum (voortvloeiend uit de IS-aanslag) om aan haar eigenlijke doelstellingen te werken:1)voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen haar populariteitscijfers te verhogen (in navolging van een parlementaire meerderheid), 2) het ondermijnen van de Koerdische bewegingen in zowel Turkije als Syrië en 3) ter aanvulling op vigerend beleid met betrekking tot Syrië.

Alle politiek is lokaal
Het bekende adagium ‘alle politiek is lokaal’ is een handige vertrekpunt om de daadwerkelijke motieven van het Erdogan regime te achterhalen. Tijdens de afgelopen algemene verkiezingen van 7 juni 2015 kwam de AKP als winnaar uit de bus kwam, maar verloor het haar hegemonische status. De AKP ging van 327 zetels naar 258, en behaalde voor het eerst geen meerderheid in het parlement. Die afname was mede te danken aan het buitenbeleid dat de regerende partij de afgelopen jaren gevoerd heeft, in het bijzonder: Syrië.

In haar streven om de ontwikkelingen in naburig Syrië naar eigen voordeel te sturen keerde het Erdogan regime naar allerlei (takfiri) doodseskaders, waaronder IS. Toen deze terreurgroep haar pijlen ging richten op de Koerdische volkeren in zowel Syrië als Irak, kwamen de spanningen tussen de Koerden en Ankara weer eens tot een hoogtepunt; met name toen Daesh, in september 2014, de Syrisch-Koerdische plaats Kobani/Ayn al-Arab aanviel én het Turkse leger toekeek zonder te handelen en Turks-Koerdische hulp aan hun Syrische verwanten tegenhield.

Dit motiveerde de Turkse Koerden om hun stem in de afgelopen verkiezingen niet op de zittende regering (AKP) uit te brengen, maar op de (pro-)Koerdische HDP — momenteel de vierde partij in het parlement, geleid door de Koerdische socialist Demirtas. Hierdoor kwam de AKP voor het eerst zonder parlementaire meerderheid te zitten en laakt het daarmee het benodigde mandaat om haar beleid voort te zetten.

Dit betekent echter niet dat het Erdogan regime zich bij de verkiezingsuitslagen heeft neergelegd. Sterker nog, de AKP gaat voor een tweede ronde. Dat wordt duidelijk in de houding die president Erdogan sindsdien heeft aangenomen; de Turkse leider heeft de vorming van een nieuwe regering herhaaldelijk weten te vertragen en daarmee verraadt Erdogan zijn ware ontwerp: het (demissionair) kabinet stuurt aan tot nieuwe verkiezingen. De AKP-leiders ontkennen dat zelf ook niet, zoals Turkije-kenner Peter Edel pent in een recente column:

‘Aldus liet Davutoglu doorschemeren dat nieuwe verkiezingen nog altijd de voorkeur hebben voor de AKP, iets waar Erdogan eerder ook al op zinspeelde.’

De maatregelen tegen IS vervullen in dit licht een tweeledige functie: 1) het is een poging om, voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen, verloren stemmers terug te winnen; 2) het dient als een dekmantel om de socialistische Koerden te verzwakken én staat in dienst van haar Syrië-beleid.

Ongeloofwaardig

Het Erdogan regime heeft na jaren protest eindelijk besloten om actie tegen Daesh te ondernemen. Het heeft in de afgelopen dagen o.a. aanvallen op IS-doelwitten uitgevoerd, IS- militanten opgepakt en een plan onthuld om de grens met Syrië te bewaken. Hiermee wil het demissionair kabinet aantonen dat het inderdaad toegewijd is om de Koerden te beschermen, maar de huidige maatregelen zullen daarvoor ontoereikend blijken.

Indien het Erdogan regime daadwerkelijk geïnteresseerd was om IS te ondermijnen, dan zou het: 1) de levering van wapens (afgedrukt met een Turkse stempel) naar IS-milities tot een halt roepen, 2) actoren steunen die een CV in het decimeren van Daesh hebben opgebouwd (ie. Koerdische volkseenheden, Syrië, Iran, Hezbollah & Irak) en 3) zou het zich niet aansluiten bij dezelfde coalitie die überhaupt verantwoordelijk is voor de opkomst van IS!

Bovendien zou het Erdogan regime moeten ophouden om al-Qaida gelieerde doodseskaders te steunen (zoals Jaish al-Fatah, eerder uitgelegd hier), die tevens meerdere malen in het verleden hebben samengewerkt met, wapens verkocht aan en wiens strijders over waren gelopen naar Daesh (meer hier).

Zolang Ankara niet deze maatregelen implementeert is er weinig vertrouwen dat ze echt toegewijd zijn om IS te vernietigen. Tekenend was dat nota bene een dag na de IS-aanslag in Suruc bekend werd dat de dochter van Erdogan betrokken is bij medische verzorging van IS-jihadisten.

Anti-IS of Koerdisch?
Het tweede, werkelijk doel van de anti-IS maatregelen hebben niet alleen met de takfiri terreurgroep te maken, zoals dat ook duidelijk wordt uit onderstaand statement van de Turkse premier Davutoglu:

“The State of the Turkish Republic is adamant on fighting all terrorism without distinction as it has always done, be it the terrorist organisation of Daesh [Isis], the terrorist organisation of the PKK or any other international terrorist organisation,”

Dit verklaart waarom de Turkse autoriteiten tijdens haar invallen op IS-locaties óók Koerdische socialisten heeft gearresteerd, waarbij er één Koerdische DHPK/C-militant is omgekomen (tegenover nul jihadisten). Het Erdogan regime probeert hiermee twee vliegen in één klap te slaan. Enerzijds breekt het de ontwikkeling van een sterke Koerdische beweging in Turkije en ondermijnt het de vorming van een autonome Koerdistan in Syrië, en anderzijds boost het haar populariteitscijfers door naast terreurgroep IS ook de PKK in het vizier te hebben, die door het Turkse regime geclassificeerd wordt als een terroristische organisatie. Anders gezegd: het probeert het Turkse volk achter zich te krijgen door twee (in Turkse ogen) terreurgroepen te bestrijden.

Deze aanpak is des te meer opmerkelijk (en getuige van realpolitik), daar de 32 gedode Koerdische socialisten bij de IS-aanslag in Suruc, dezelfde ideologie delen als de Koerdische socialisten die gearresteerd worden door het Erdogan regime én óók bezig waren om hun Syrische verwanten in het door YPG gerunde Kobani/Ayn al-Arab te helpen!

De rol van Syrië

Het Erdogan regime heeft ook de IS-aanslag in Suruc in dienst van haar buitenlandbeleid weten te laten uitpakken. Het voortvloeiende (politieke) momentum is gebruikt om acties tegen IS-doelen in Syrisch grondgebied uit te voeren, en zo legitimeert Ankara haar militaire aanwezigheid in Syrië. Dit brengt haar dichterbij haar plan om Syrië te ondermijnen (uitgelegd hier).

De Turkse leider heeft in de afgelopen jaren meerdere malen gepoogd om een casus belli voor militaire interventie in Syrië te creëren; case in point is het plot om de tombe van Süleyman Sjah — die sinds kort geleden op Syrisch grondgebied te vinden was — op te blazen. In maart 2014 kwam uit gelekte audiogesprekken tussen hooggeplaatste officials, waaronder de huidige premier Davutoglu, naar voren dat het Erdogan regime van plan was om de tombe van een vaderfiguur uit de Ottomaanse geschiedenis te vernietigen, om daarmee steun voor militaire interventie te legitimeren. Tevens blijkt uit de gesprekken dat ze hiermee de NAVO wilden dwingen om een no-fly-zone in te stellen.

Het heeft er alle schijn van dat het Erdogan regime niet van gedachte is veranderd, zoals blijkt uit de recente deal die ze met Washington hebben afgesloten. In ruil voor Noord-Amerikaanse toegang tot haar luchtmachtbasis in Incirlik, heeft het Obama regime toezegging gedaan om een buffer- en no-fly-zone in Syrië in te stellen. Dit is een lang opgehoopte wens van het Erdogan regime. Hiermee tracht Ankara om een stuk Syrisch grondgebied eigen te maken, waarmee 1) een autonoom Syrisch-Koerdistan ondermijnd kan worden en 2) wapens en jihadisten (zonder Syrische en buitenlandse inmenging) vrije doorgang geboden kan worden, die vervolgens terecht zullen komen bij de door Ankara gesteunde takfiri doodseskaders (meer daarover hier).

Kortom, hoewel het Erdogan regime wil voordoen alsof haar maatregelen bedoeld zijn om IS te verzwakken, zijn de werkelijke doelstellingen het volgende: 1) het wil voor de nieuwe verkiezingen haar waarderingscijfers vergroten in de hoop om een parlementaire meerderheid af te dwingen, 2) de macht van de Koerdische bewegingen/actoren in zowel Turkije als buurland Syrië te verzwakken en 3) dient het ter aanvulling op vigerend beleid met betrekking tot Syrië.