Waar is de gematigde oppositie in Syrië?

Bijna vier jaar steunt het Westen ‘gematigde’ gewapende groepen in Syrië. Dit is een haast ongrijpbare concept voor honderden, dan wel duizenden milities die onder die banier vallen en even onduidelijk is wat er exact gematigd aan die groepen is. Zoals hieronder zal blijken, het ‘gematigd’ bestempelen van gewapende groepen is niets meer dan een front om hulp aan Al-Qaida gelieerde doodseskaders te legitimeren.

Gewapende oppositie
Het onderzoeksinstituut Carter Center identificeerde in de afgelopen vier jaar ongeveer 6.000 gewapende groepen. De overgrote meerderheid van deze milities is allianties aangegaan (> 1.000), die net zo snel vielen als dat ze opstonden.

Het Carter instituut identificeert, afgezien van de Koerdische collectieven, vijf grote gewapende groeperingen: Jabhat an-Nusra, Islamitische Staat, Islamitisch Front, Jaysh al-Mujahideen en het Syrische Revolutionaire Front.

Islamitische Staat
De Islamitische Staat, of wellicht beter te omschrijven als Al-Qaida Separatisten in Irak en Syrië (QSIS), is waarschijnlijk de meest bekende (en brute) partij in de oppositie. De groep wordt geleid door Abu Bakr al-Baghdadi en vormt met meer dan 30.000 strijders één van de meest dominante krachten in zowel Syrië als Irak.

Jabhat an-Nusra/al-Qaida in Syrië
Jabhat an-Nusra (JAN) is eind 2011 opgericht door de leider van QSIS – Abu Bakr al-Baghdadi – en wordt onder andere geholpen door Qatar. Al-Qaida’s tak in Syrië kan zich beroepen op een aantal van tussen de vijf-  en zesduizend militanten. Een deel van de top van JAN – veteranen uit de oorlog in Afghanistan en Pakistan – behoort ook tot de beruchte Khorasan groep.

Het uitroepen van een kalifaat en het opnemen van JAN als onderdeel van QSIS erodeerde de machtsbasis van al-Qaida, en dat leidde in april 2013 tot een breuk met Al-Qaida gezagvoerder Ayman al-Zawahiri. Jabhat an-Nusra bleef echter trouw aan Zawahiri en staat sindsdien lijnrecht tegenover QSIS.

Islamitisch Front
Het Islamitisch Front (IF) werd in november 2013 opgericht, en bestaat uit zeven invloedrijke takfiri groepen zoals de beruchte al-Tawhid BrigadeAhrar al-Sham en Suqour al-Sham. Deze facties verschillen bar weinig van takfiri doodeskaders als JAN en QSIS. De formatie ontvangt steun vanuit Saoedi-Arabië en Turkije, en kon op haar hoogtepunt rekenen op tussen de40.000 en 70.000 strijders.

Jaysh al-Mujahideen
Jaysh al-Mujahideen (JM), of het leger van de Moedjahedien, werd begin 2014 opgericht en had op haar toppunt de beschikking tot 12.000 militanten. JM onderhoudt volgens het rapport van de Carter Center contacten met de Syrische Moslimbroederschap (MB) en Ahfad al-Rasoul Brigade. De Moslimbroederschap is ondanks meerdere tegenslagen één van de meestinvloedrijke oppositiegroepen gebleven, werkt samen met takfiri milities als Ahrar al-Sham, en wordt aangestuurd vanuit Qatar en Turkije. Ook Ahfad al-Rasoul heeft in het verleden samengewerkt met takfiri doodseskaders.

Syrische Revolutionaire Front
De vijfde en laatste grote oppositiegroep, het Syrische Revolutionaire Front (SRF), onderscheidt zich van de rest door niet (openlijk) salafistisch-militante principes aan te hangen. Het SRF is ook één van de collectieven die onder het label ‘gematigde oppositie’, of het Vrije Syrische Leger (FSA), valt.

De van corruptie betichte leider van SRF, Jamal Maarouf, staat bekend als een gematigde commandant, maar dat dient slechts als een front om westerse hulp te legitimeren. Maarouf gaf in een interview met de Britse Independent aan geen vijand in JAN te zien. Sterker nog, de gezagvoerder van SRF cöordineerde, tot kort geleden, intensief met al-Qaida’s tak in Syrië. Ook in andere delen van zuid-Syrië werken facties van het zogeheten Vrije Syrische Leger samen met Jabhat an-Nusra.

Een ander afnemer van westerse hulp, en onderdeel van de ‘gematigde oppositie’, is de Hazm Beweging (HB). Deze groep bestaat onder andere uit leden van de voormalige Farouq Brigade en is allesbehalve gematigd. Geen wonder dan dat de HB wapens die het van het Westen ontving doorspeelde aan JAN, en dat HB leden de overstap maakten naar de terreurgroep.

De getuigenissen van Noord-Amerikaanse journalist Theo Padnos onderschrijven die berichten. Padnos was gevangen genomen door Jabhat an-Nusra en zag met lede ogen hoe FSA militanten, na opleiding door de Noord-Amerikanen, zich aansloten bij al-Qaida’s tak in Syrië.

Nieuwe formaties
De sterkte en invloed van deze vijf eerdergenoemde groeperingen hangt samen met ontwikkelingen op de grond. Het door het westen gesteunde Syrische Revolutionaire Front (SRF) is sinds november vrijwel uitgespeeld, en de macht van zowel het Islamitisch Front (IF) en Jaysh al-Mujahideen (MF) is sterk verminderd. Ook de macht van Jabhat an-Nusra is volgens het Carter Center sinds de intensieve gevechten met QSIS afgenomen.

Om nog enigszins een rol van betekenis te spelen, vormen gewapende oppositiegroepen op rap tempo nieuwe formaties zoals de Revolutionaire Commandoraad (RCC). De RCC wordt gezien als het nieuwe ‘FSA’. De formatie is ontstaan als een reactie op groeiende druk vanuit het Syrisch Nationale Leger (SNL), QSIS en JAN, én om militaire en financiële steun vanuit externe donoren te legitimeren.

De RCC bestaat inmiddels uit meer dan honderd van de meest invloedrijke milities, waaronder Moslimbroederschap gelieerde brigades en voormalige IF facties.  Het bestuur van de RCC wordt gedomineerd door Ahrar al-Sham leden en andere takfiri-aanhangers. Politieke analist Aron Lund acht de kans klein dat de RCC, net als soortgelijke formaties in het verleden, het lang zal volhouden.

Tenslotte zijn er andere recent opgerichte collectieven te vinden zoals het Authenticiteit en Ontwikkeling Front en het Zuidelijk Front.  In de meeste van deze allianties zijn milities te vinden die ook deel uitmaken van de eerder genoemde vijf grote groeperingen (zie hier een lijst met gewapende groepen in Syrië). Anders gezegd, er zijn geen aanwijzingen om te geloven dat de gewapende oppositie in Syrië streeft naar een seculiere en democratische toekomst.

Gematigde terroristen?
In conclusie, het gros van de gewapende groepen in Syrië hangt een salafistisch-militante interpretatie van de islam aan, en schroomt niet om samen te werken met takfiri doodseskaders. Dat geldt ook voor de gewapende groepen die onder het label ‘gematigde oppositie’ of het ‘Vrije Syrische Leger’ vallen. Sterker nog, ‘gematigde’ militanten en milities ervaren geen moreel bezwaar om zich aan te sluiten bij Al-Qaida-achtige terreurgroepen.

De enige reden waarom brigades zichzelf onder de ‘gematigde oppositie’ scharen, of onder de vlag van het Vrije Syrische Leger vechten, is om in aanmerking te komen voor westerse hulp. Dit geeft een andere betekenis aan de term ‘gematigde’ oppositie. Gematigdheid wijst dan niet naar een acceptabele interpretatie van de islam (in de ogen van het Westen), maar naar de mate waarin sektarische milities hun takfier geïnspireerde denkwijze kunnen verbergen.

Advertenties

VN rapport: ‘Israël werkt samen met gewapende groepen in Syrië’… maar met wie?

Een onlangs verschenen rapport van de Verenigde Naties bevestigde geluiden oversamenwerkingen tussen Israël en gewapende groepen in de Syrische oppositie. Echter, wat het rapport in het midden laat, is wie die groepen zijn. Zijn het lokale milities, de zogeheten gematigde oppositie of de aan al-Qaida gelieerde doodseskaders?

Naar Damascus met al-Qaida
Het VN-rapport sprak over betrekkingen tussen Israël en gewapende groepen in de Golanhoogten. Dit is een deelgebied van de zuidwestelijke provincie Quneitra. Israël houdt de Golanhoogten bezet sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967. Nadat de Jom Kipoeroorlog van 1973 tot een wapenstilstand kwam, werd er een VN vredesoperatie opgericht – de UNDOF – om de veiligheid te waarborgen.

De UNDOF is op verschillende locaties langs de grens gestationeerd, en nam het volgende waar: “Armed members of the opposition interacting with IDF [Israel Defence Forces] across the ceasefire line in the vicinity of United Nations position 85.”

golanheightsPositie 85 is enkele kilometers verwijderd van degrensovergang in de stad Quneitra. Eind augustus jongstleden werd de grensovergang bestormd en overgenomen door een troepenmacht van 2.000 rebellen, waarvan een derde bestond uit militanten van JAN. Hierdoor is vrijwel de gehele grens tussen Syrië en Israël onder controle van verschillende rebellengroepen, met een dominante rol voor Jabhat an-Nusra.

In de offensief van Quneitra deden, naast JAN, ook de SRF, Ahrar al-Sham en brigades als deFallujah-Houran Brigade en Saraya al-Jihad mee. Ook in deze milities zijn ‘islamistische’ elementen te vinden. Dit houdt in dat alle gewapende groepen in Syrië, en dus ook in de provincie Quneitra, openlijk dan wel heimelijk, een ‘islamistische’ identiteit aanhangen én samen werken met takfiri doodseskaders. Anders gezegd, en gezien vanuit de constateringen van het VN-rapport: Israël collaboreert met islamistische milities en in het meest waarschijnlijke geval met doodseskaders, die aan al-Qaida zijn gelieerd.

Israëlische betrekkingen met takfiri milities komt niet als een verassing. Tel Aviv is al langer op de hoogte, dat er in het zuiden van Syrië takfiri milities actief zijn. De Israëlische premier Netanyahu werd eerder dit jaar, tijdens een bezoek aan een ziekenhuis in de Golanhoogten, geïnformeerd door een hooggeplaatste militair over “global jihad elements inside Syria”. Hiermee werd er gerefereerd aan de omringende omgevingen van de Golanhoogten.

Verder bekende een Oostenrijkse militair van de UNDOF – dit is een VN-troepenmacht in de Golanhoogten – dat er sprake is van intensieve samenwerkingen tussen Israël en takfiri militanten. Israël levert volgens de militair logistieke en militaire steun aan gewapende terreurgroepen, én stuurde de terroristen aan vanuit een militaire basis. Daarnaast leidt Israël (in samenwerking met de CIA) FSA militanten op in Jordanië, waarvan een groot deel deoverstap maken naar IS en JAN.

De Israëlische steun aan de gewapende oppositie in Syrië is een eerder opgezet plan. Eerder heb ik beschreven wáárom Israël de oorlog tegen de Syrische president Bashar al-Assad steunt. De collaboratie met takfiri milities is een uitwerking van dat beleid.

De opmars van Jabhat an-Nusra in de provincie Quneitra speelt dat doel in de kaart. De Quneitra offensief heeft ervoor gezorgd dat JAN (en samenwerkende milities) de Syrische grens van de Golanhoogten onder controle heeft. Dit heeft een bufferzone gecreëerd met Israël. Deze zal volgens politieke analist, Moon of Alabama, fungeren als “a launching pad for an attack from the south towards Damascus” (zie map hierboven). Verder, zo schrijft gerenommeerde journalist Nicola Nasser, hebben Israëlische aanvallen in Syrië geleid totverhoogde spanningen, waardoor de UNDOF genoodzaakt was om zich te verplaatsen. De UNDOF heeft nu geen aanwezigheid meer aan Syrische kant van de Golanhoogten, en kan betrekkingen tussen Israëlische troepen en takfiri doodseskaders niet meer waarnemen.

De hoofdstad van Syrië is slechts 60 kilometers verwijderd van Quneitra. De Israëlische steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders wordt dan verklaard als een tactiek om een lang opgehoopte wens in vervulling te laten gaan, namelijk: het verdrijven van de seculiere Assad.

De vijf filters van massamedia propaganda

De journalistieke verslaggeving van de afgelopen slachting in Gaza legde nogmaals het partijdige karakter van de Nederlandse media bloot. Het leed van Palestijnen kreeg veel minder aandacht, dan het leed aan Israëlische zijde.

Minder bekend is hoe dit tot stand komt. Professor Edward Herman en Noam Chomsky hebben 25 jaar geleden een antwoord op deze vraag gegeven.

Propagandamodel
Professor Herman en professor Chomsky publiceerden hun klassieker ‘Manufacturing Consent’ in 1988, waarin zij een institutionele analyse geven van de Noord-Amerikaanse mainstream media. Hieruit volgt het propagandamodel.

5 filters infographic (1)

Het propagandamodel beschrijft het proces, waarin geld en macht in staat zijn om het nieuws te filteren; tegenstanders te marginaliseren; en zowel overheidsbelangen als die van grote bedrijven aan de man te brengen.

Volgens Herman en Chomsky moeten we oppassen voor propaganda, omdat het een vertekend beeld van de werkelijkheid schetst. De elite beïnvloedt de bevolking door het publieke debat volledig te controleren.

Dit gebeurt door de volgende vijf filters: winst, adverteerder, informatiebronnen, flak en framing.

Winst
De eerste filter, winst, bestaat uit drie poorten. De eerste poort is ‘kapitaal’. Dit houdt in dat alleen de meest rijke personen of groepen, binnen een samenleving, in staat zijn om een mediabedrijf op te richten. Op deze wijze kunnen alleen rijken het nieuws – of hun interpretatie daarvan – maken.

De tweede poort is dat eigenaren van mediabedrijven enkel geïnteresseerd zijn in winst. De overheid kan daar gebruik van maken door bijvoorbeeld te dreigen met het intrekken van vergunningen. Eigenaren willen hun hoofddoel – winst – niet in gevaar brengen en zullen daarom meewerken met de overheid. In ruil daarvoor beïnvloedt de overheid de inhoud van informatie.

De derde poort is een verstrengeling van belangen. Door de constante in- en uitstroom van werknemers tussen het bedrijfsleven, media en overheid ontstaat er een symbiotische relatie. Hierdoor raken belangen tussen beide branches vermengd.

Als gevolg van bovengenoemde poorten wordt de diversiteit aan meningen teruggebracht, waardoor er geen ruimte is voor alternatieve geluiden. Dat is terug te zien in het medialandschap van de Verenigde Staten. Herman en Chomsky identificeerden in 1988 24 grote mediabedrijven. Dat aantal is in 2014 sterk geslonken naar vijf mediabedrijven (of conglomeraten). Deze vijf conglomeraten bepalen bijna alles wat de Noord-Amerikaanse burger te zien krijgt.

Ook in Nederland is de verscheidenheid aan meningen in het geding. Volgens de Mediamonitor, onderzoeksbureau dat het Nederlandse medialandschap volgt, telde Nederland in 2001 8 grote mediabedrijven. Tegenwoordig zijn er, naast de publieke omroep, nog vijf uitgevers te vinden, te weten: Telegraaf Media Groep, Sanoma Media, Koninklijke Wegener, RTL Nederland en de Persgroep. Anders gezegd: vijf uitgevers zijn verantwoordelijk voor het gros van de informatie, die de Nederlandse burger te verwerken krijgt.

Tenslotte heeft ook de mondialisering van de Nederlandse mediamarkt bijgedragen aan de vermindering van de diversiteit aan meningen. Bijna de helft van alle Nederlandse dagbladen zijn in Europese handen. Daarnaast worden zowel de commerciële televisiemarkt als de meest bezochte internetwebsites grotendeels gerund door Noord-Amerikaanse (en Europese) bedrijven.

Adverteerders
Reclame-inkomsten vormen de primaire bron van inkomsten voor de mainstream media. Uitgevers zijn afhankelijk van reclame-inkomsten, omdat de productiekosten zich verminderen. Het gevolg is dat het competitieve gehalte zich verhoogt. Dit heeft ook een keerzijde: mediabedrijven worden hierdoor afhankelijk van adverteerders. Laatstgenoemde zijn daarom in staat om eisen te stellen aan de inhoud van programma’s. Adverteerders vermijden mediakanalen die kritische programma’s uitzenden, en geven de voorkeur aan apolitieke programma’s. Deze filter kan worden samengevat onder de aloude regel: wie betaalt, bepaalt.

Informatiebronnen
De derde filter is de afhankelijkheid van informatie. Journalisten zijn voor hun informatie afhankelijk van de overheid en bedrijfsleven. Verslaggevers worden door overheden en business nieuwsagentschappen ontvangen in pr-afdelingen, die speciaal daarvoor zijn ingericht. Hier krijgen journalisten het nieuws kant en klaar geserveerd. Dit bespaart de werkgevers van journalisten – mediabedrijven – kostbare tijd, energie en geld.

Een bijkomend voordeel is dat de door overheid (of business) geleverde informatie niet onderzocht hoeft te worden. Nieuws vanuit de overheid of het bedrijfsleven wordt als autoritair en/of objectief beschouwd. Dit stelt hen in staat om de informatie te kleuren.

Een keerzijde van de afhankelijke positie van journalisten is dat ze gevoelig worden voor beïnvloeding. De overheid en het bedrijfsleven zullen verslaggevers weren die zich kritisch opstellen. Journalisten zullen daarom minder geneigd zijn om het geleverde nieuws te betwijfelen om kostbare tijd en geld te besparen.

Een andere manier waarop de overheid nieuws beïnvloed is door deskundigen. De meeste experts, in de mainstream media, echoën de officiële lezing. Hierdoor blijft het debat binnen bepaalde goedgekeurde kaders (een voorbeeld is hier te vinden).

Flak
Flak, doorgaans bekend als luchtafweergeschut, is een middel om de media te disciplineren. Flak refereert aan negatieve reacties op een mediastatement of programma. Dit kan zijn in de vorm van klachten, bedreigingen of bestraffende maatregelen. Denk hierbij aan (invloedrijke) individuen of organisaties met macht.

Flak is kostbaar voor mediabedrijven, daar het tot imagoschade of zelfs tot rechtszaken kan leiden. Bovendien lopen uitgevers het risico dat adverteerders zich niet meer willen associëren met het besmeurde mediabedrijf. Uitgevers zullen daarom nieuws vermijden, dat mogelijk tot flak zouden kunnen leiden.

Het meest duidelijke voorbeeld hiervan zijn Israëlische lobbygroepen als het CIDI. Dergelijke belangenorganisaties vallen Israël-critici regelmatig aan voor het verbreden van het Israël-Palestinadebat.

Framing
De vijfde en laatste filter is een ideologie, die als een controlemechanisme dient: framing. Tijdens de Koude Oorlog werd het anticommunisme-label gebruikt. Personen of groepen die kritisch waren tegenover de overheid (of bedrijfsleven) werden bestempeld als een communist. De overheid gebruikt zulke ideologieën om de bevolking te mobiliseren tegen een gemeenschappelijke vijand. Ook kan dit ingezet worden tegen eenieder die onwenselijke meningen uit.

Tegenwoordig worden er meerdere labels gebruikt om critici monddood te maken. Een aantal voorbeelden: Israël-critici die als antisemieten worden bestempeld; War on Terror-critici die als supporters van moslimextremisten worden afgeschilderd; en overheidscritici die als complottheoretici in een hoek worden gedreven.

Het belang van het propagandamodel
Het propagandamodel van professor Edward Herman en professor Noam Chomsky is een bril om partijdige berichtgeving in de mainstream media te herkennen. Het conflict tussen Israël en Palestina biedt voldoende voorbeelden. Slachtoffers aan Israëlische zijde worden altijd breed uitgemeten; dit in tegenstelling tot vermoorde Palestijnse kinderen, die grotendeels naar de marge worden gedrukt.

De reden voor dit verschil is evident. De door Israëliërs vermoorde Palestijnse kinderen passen niet in het beeld, dat de elite wil schetsen. Simpel gezegd: ze dienen het doel niet. De vijf filters van het propagandamodel zorgen ervoor dat ongewenste berichten niet bij de gewone man terecht komen.

Herman en Chomsky’ werk biedt stof tot denken. Als de mainstream media propaganda verspreidt rondom Palestina, Vietnam of El Salvador (dit land wordt hoofdzakelijk besproken in het boek), dan moet de vraag worden gesteld of dit ook geldt voor Syrië, Libië of Oekraïne?

Imran Khan’s Azadi march: Naya Pakistan of politiek zoals gewoonlijk?

30 november moet het gebeuren. Oppositieleider Imran Khan belooft een ‘menselijke tsunami’ te ontketenen, indien niet aan zijn eisen worden voldaan. De voormalige cricketheld neemt geen genoegen met minder dan het aftreden van de Pakistaanse premier Nawaz Sharif.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen, en belangrijker: wat speelt er achter de schermen? Is dit een truc van het leger, of is Khan inderdaad de messias die Pakistan naar een betere toekomst zal leiden? Zoals vaker het geval is in de Pakistaanse politiek, ligt het antwoord niet in het midden, maar ergens diep verscholen.

nawaz-sharif-imran-khan-tahir-ul-qadri-raheel-sharif

Verkiezingen en fraude
Imran Khan, oprichter van Tehreek-e-Insaaf (Beweging voor Rechtvaardigheid, PTI), werd voorspeld als de grote winnaar van de parlementaire verkiezingen van 2013. Khan werd uiteindelijk derde met 35 zetels. Nawaz Sharif, leider van Pakistan Muslim League (PML-N), won de verkiezingen met 166 zetels (van de 342) en werd voor derde maal premier van Pakistan.

Meteen na de verkiezingen werd er gesproken over verkiezingsfraude en protesteerde Khan, maar dat leverde geen resultaat op. De PTI partijleider legde zich vervolgens bij de verkiezingsuitslagen neer tot, mei van dit jaar. Imran Khan had naar eigen zeggen voldoende bewijs gevonden voor verkiezingsfraude, en kondigde eind juni zijn Azadi March(vrijheidsmars) aan.

Imran Khan’s Azadi march viel samen met de nationale onafhankelijkheidsdag op 14 augustus. Khan werd bijgestaan door de geestelijke leider Tahir ul Qadri, die zijn eigen Inqilab March(Revolutiemars) hield.

Khan eiste eerst een onderzoek naar de verkiezingen van 2013, maar verhoogde het spel door het vertrek van de premier met zijn partij en vervroegde verkiezingen te eisen. Ook Tahir ul Qadri was uit op het verdrijven van Nawaz Sharif. Qadri, leider van Pakistan Awami Tehreek (Pakistan’s Volksbeweging, PAT), stopte eind oktober met zijn Inqilab March.

Khan: het antwoord van het leger?
Het gezegde gaat dat een Pakistaanse politicus alleen kan slagen met de zegeningen van de drie A’s: Allah, Amerika en Army (leger). Politieke nieuwkomer Khan beweert onafhankelijk van de legertop te opereren, maar dat lijkt onwaarschijnlijk.

De fraudeclaims van de PTI leider zijn volgens onderzoeker Taimur Rahman, verbonden aan Lahore’s Universiteit van Managementwetenschappen, legitiem en zouden onderzocht moeten worden. Mogelijke fraude zou de verkiezingsuitslagen echter  niet significant hebben veranderd.

Academicus Ahmed Humayun denkt dat tegenvallende prestaties in de thuisprovincie van Khan, Khyber-Pakhtunwa, een rol hebben gespeeld in zijn plotse opstand. Ook kan dalend publiek vertrouwen hiervoor een verklaring bieden.

Een reden waarom de PTI partijleider in staat was om zijn protestmarsen te houden, is omdat premier Sharif’s ambtstermijn tot dusver ondermaats verloopt en hij conflicten heeft met het leger. Sharif was in eerdere ambtstermijnen beticht was van corruptie, omkopingen en vriendjespolitiek. Zijn derde aanstelling als premier is niet vrij van dezelfde aantijgingen.

Daarnaast heeft Sharif kwaad bloed gezet bij de legertop door de betrekkingen met India te normaliseren, een neutraal beleid ten opzichte van Afghanistan te voeren en door oud-president en hoofd van het leger, Pervez Musharraf, voor hoogverraad proberen te berechten.Een reactie van het leger kon daarom niet uitblijven.

Betrekkingen leger en Imran Khan
Imran Khan heeft alle aantijgingen van betrekkingen met het leger standvastig ontkend. Verschillende bronnen wijzen echter uit dat er sprake is geweest van een samenwerking.

Allereerst stond Khan in het verleden al op goede voet met Shuja Pasha (oud hoofd van de inlichtingendienst). Ook heeft de PTI partijleider oud president Musharraf gesteund tijdens de verkiezingen van 2001. Khan nam echter afscheid van Musharraf, nadat laatstgenoemde weigerde om het premierschap aan de voormalige cricketheld te gunnen.

Ten tweede, Dawn, één van Pakistan’s meest gerenommeerde kranten, insinueert in een editoriaal stuk betrekkingen tussen Khan (en Qadri) en het leger. Volgens de Pakistaanse krant heeft de legertop duidelijk stelling genomen door zich achter de (soms gewelddadige) demonstranten van PTI en PAT te scharen.

Ten derde bevestigde Javed Hashmi, oud senior lid van Khan’s PTI, de beweringen van Dawn. Hashmi bekende dat zowel Khan als Qadri gesteund worden door het leger.

Ook The Economist sluit zich daarbij aan. Volgens de Britse krant is het echter onduidelijk wat de werkelijke beweegredenen van het leger zijn. De legertop steunt de protestleiders wel, maar gaat volgens The Economist niet voor een staatsgreep. Dat doet ze niet om haar inkomsten (financiële hulp en de nationale schatkist) en haar huidige operatie in Noord-Waziristan, Zarb-e-Azb, in gevaar te brengen.

Politieke analist Mosharraf Zaidi neemt een haaks standpunt in, door te suggereren dat de militaire campagne juist bewijs is dat het leger niet achter Khan’s opstand staat. Operatie Zarb-e-Azb is gericht tegen Pakistaanse terreurgroepen als de Pakistaanse Taliban, en dat vereist concentratie en rust op de straten. Dat is volgens politieke analist Zaidi het bewijs dat de legertop niet achter de protestmarsen staat.

Echter, in reactie op Zaidi, kan Imran Khan’s Azadi March ook gediend hebben ter afleiding. Operatie Zarb-e-Azb begon officieel op 15 juni jongstleden, en minder dan twee weken voordat Khan zijn mars aankondigde. De militaire campagne heeft tot een humanitaire ramp geleid, en tot meer dan een miljoen vluchtelingen geleid. De protesten van Khan en Qadri trokken daarentegen volgens Reuters slechts tienduizend supporters aan. De PTI en PAT protesten kwamen daarom handig uit voor het leger, en overschaduwden de humanitaire gevolgen van Zarb-e-Azb.

Naya Pakistan of het oude?
Imran Khan wil met zijn Azadi march een Naya (Nieuwe) Pakistan bereiken. De vraag is echter wat er nieuw aan dat Pakistan zal zijn.

Eén van de structurele oorzaken van Pakistan’s onderontwikkeling is staat patronage. Dat houdt in dat invloedrijke personen of groepen beloningen ontvangen in ruil voor politieke steun. In Khan’s PTI maken meerdere leden zich daar schuldig aan, waaronder vice-voorzitter Shah Mehmood Qureshi.

Lal Khan, één van Pakistan’s leidende marxisten, heeft geen redenen om in Khan’s NayaPakistan of in Qadri’s Inqilab te geloven. Khan en Qadri zijn aanhangers van onder andere neoliberaal kapitalisme, en in de praktijk zal dit betekenen dat beide oppositieleiders geld zouden lenen bij westers gedomineerde instituties als de IMF en Wereld Bank. Dat zal, volgens Lal Khan, Pakistan niet helpen groeien, maar juist ondergeschikt maken aan westerse belangen.

Ook politieke analist Eric Draitser heeft geen vertrouwen in zowel Imran Khan als Tahir ul Qadri. Volgens Draitser is er niks mis met de beleidsplannen van beide oppositieleiders, maar is het de uitwerking die zorgen baart. Zowel de voormalige cricketheld als de geestelijke leider kunnen leren van soortgelijke grass-roots experimenten in Libië (pre-NAVO 2011 invasie) en Venezuela, maar lijken een ander doel voor ogen te hebben. Ook beloven Khan en Qadir op economisch en sociaal vlak gouden bergen, maar het is onduidelijk hoe ze daar willen komen.

Laatste deadline
Het leger heeft aan invloed in de regering van Sharif gewonnen, en daarmee haardoelstellingen behaald. Oppositieleider Khan zit nog in de race, en heeft 30 november een laatste deadline gesteld. De kans lijkt klein dat premier Nawaz Sharif zal aftreden, maar Imran Khan heeft in zijn carrière vaker bewezen bergopwaartse gevechten te kunnen winnen. De echte vraag is of PTI  supporters na winst hun lang gekoesterde bestemming op die heuveltop met Khan zullen aantreffen, of dat ze dan juist aan het begin een andere berg zullen staan.