Hoe beeldvorming de jihadgang naar Syrië vorm geeft

Syriëgangers vertrekken om uiteenlopende redenen. De ‘jihadgang’ heeft een zekere aantrekkingskracht op een diverse groep mensen: studenten tot en met rijkeluiskinderen nemen deel aan de gewapende oorlog. Een duidelijk profiel van de ‘Syriëganger’ is daarom moeilijk te schetsen. Daarentegen is wel sprake van een gemeenschappelijke factor, die steeds opduikt in het besluitvormingsproces van vrijwel alle uitreizende jihadisten, namelijk: een onvolledige en enigszins eenzijdige lezing van de oorlog in Syrië.

Het narratief c.q. officiële lezing dat president Assad een “wrede dictator” is, die de “vreedzame opstand” begin 2011 met “harde hand neersloeg”, daarnaast schuldig is aan “200.000 doden”, heeft Syriëgangers overtuigd van hun nobel streven, dat als volgt is samen te vatten: het afzetten van een brute dictator door naar het oorlogsgebied af te reizen om aansluiting te vinden bij de gewapende oppositie.

Een zorgvuldige studie laat zien dat de meeste beschuldigingen aan het adres van de regering in Damascus nauwelijks een basis hebben. Sterker nog: steeds meer bewijzen laten zien dat het gros van de misdaden, waar de Syrische overheid van beschuldigd wordt, gepleegd is door de oppositie.

Deze alternatieve ofwel genuanceerde lezing is compleet afwezig bij de Syriëgangers, en het grote publiek. Bovengenoemde narratieven omtrent de oorlog in Syrië, die verheven lijken tot absolute waarheid, verklaren enigszins waarom onderzoekers en deskundigen propaganda als één van de motieven om naar Syrië af te reizen over het hoofd zien.

In dit stuk zal ik beargumenteren dat propaganda – dat wil zeggen, het beïnvloeden van de publieke opinie ten gunste van het elitarisme (belangen van de staat, multinationals etc.) – juist een bepalende rol speelt in het besluitvormingsproces van de Syriëgangers.

In het verlengde hiervan heeft de ‘informatie-oorlog’ invloed op de Syriëgangers. Dat wil zeggen dat een doelbewuste missrepresentatie van feiten een prikkelend effect heeft op jihadisten. Met als  gevolg dat zij naar het conflictgebied afreizen om zich aan te sluiten bij de gewapende oppositie!

Stand up and do stuff

In het vorige deel werd de vergelijking gemaakt met de Afghaanse Oorlog, die ook de nodige aantal buitenlandse vechters aantrok. Maar volgens dr. Thomas Hegghammer (expert op het gebied van buitenlandse gevechtsstrijders) overtreft de oorlog in Syrië alle records:

“There seems never to have been more than 3,000 to 4,000 foreign fighters at any one time in Afghanistan.”

In totaal heeft de oorlog in Syrië een recordaantal buitenlandse strijders aangetrokken. Onderzoeken wijzen uit dat tussen de 15.000 en 30.000 niet-Syrische militanten de weg naar het oorlogsgebied hebben gevonden. Het aantal westerse Syriëgangers wordt door het International Centre for Crisis en Radicalisation (januari 2015) geschat op ongeveer 4.000.

Hegghammer beargumenteert dat jihadgangers naar Syrië vertrekken, omdat ze het simpelweg kunnen. Het gemak waarmee de reis afgelegd kan worden en de relatief risicovrije situatie (in het door de rebellen gecontroleerde gebieden), heeft de stroom van jihadisten in versnelling gebracht. Dit is niet de enige verklaring volgens dr. Hegghammer, vandaar dat hij stilstaat bij het volgende:

“The most obvious [i.e. motivatie] is the extreme brutality of the Syrian regime and the resulting images of unspeakable civilian suffering, which prompt many — not just Muslims — to want to do something about it.”

Onderzoekers van de International Centre for Counter-Terrorism (ICCT) zijn het daar ook mee eens:

“[w]idespread availability of images depicting suffering and destruction in Syria, combined with the frame of a secular autocrat oppressing Sunni Muslims are feeding a social media jihad.”

De bekendste Nederlandse Syriëganger, oud-militair Yilmaz, bevestigt in een interview met CBS News deze stelling. Naar eigen zeggen heeft hij de  wapens opgepakt in Syrië, omdat president Bashar al-Assad verantwoordelijk is voor 200.000 slachtoffers en andere grote misdaden zoals het afvuren van vaatbommen en het uitvoeren van chemische aanvallen. Dit prikkelde Yilmaz om in te grijpen, want zo zegt hij:

“I felt the need (…) to stand up and do stuff.”

Dit komt min of meer terug bij alle Syriëgangers. Zo wilde de onlangs omgekomen Abu Muhammed zich “inzetten voor de zwakkeren in de samenleving”. Over de president van Syrië zegt hij het volgende:

“Assad is bezig met het afslachten van zijn eigen volk,”

De enige veroordeelde, teruggekeerde Syriëganger – Maher H. – was afgereisd naar Syrië omdat:

“Het onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde.”

Ook onder Nederlandse moslims heerst dit beeld. In mei 2013 kwam naar voren dat 87% van de Nederlandse moslims “voorstander was van het afzetten van president Bashar al-Assad”. Ook heerst er onder Nederlandse moslims sympathie voor Syriëgangers: 73% ziet ze als helden en 72% vindt het “goed” dat ze vertrekken naar Syrië om te vechten.

In een interview met de Britse Channel 4 verklaren twee teruggekeerde Britse Syriëgangers, Ibrahim en Musa, dat beeldvorming zwaar woog in hun besluit.

Op de vraag of er een rekruteringsproces was, antwoordt Ibrahim: “If you can call the TV-channels a recruiter, then they are the recruiters”. Ibrahim verklaart dat verder als volgt:

“Watching what was happening over there, on the newschannels: it was heart breakening (…) the intention was to go there and make change, and help the people get rid of this dictator.”

Op de vraag of hij niet beïnvloed werd door een extremistische prediker of moskee, geeft Ibrahim aan dat een imam niet nodig is om te vertellen dat het goed mis is in Syrië.

De andere Britse Syriëganger Musa komt met een soortgelijke verklaring. Hij verafschuwde de slachtingen in Syrië, met als gevolg dat Musa ging:

“That really affected me, touched me, and I thought I could help one way or another… and that pushed me to go.”

Kortom: het onrecht dat door de televisie en het internet de zintuigen heeft bereikt, activeerde potentiële jihadgangers om naar Syrië af te reizen om te strijden tegen president Bashar al-Assad, die zij als hoofdschuldige zagen. Die mening delen ze met academici en politici, die ook overtuigd zijn, dat de Syrische leider verantwoordelijk is voor onder andere de escalatie van het conflict, mensenslachtingen, chemische aanvallen en een ondemocratische houding. Hieronder zal ik aantonen dat de meeste van deze aantijgingen geen sterke grondslag hebben.

De getuigenissen van pater Frans van der Lugt

De officiële lezing met betrekking tot de oorsprong van de oorlog luidt als volgt: de protesten begonnen vreedzaam en namen een gewelddadig karakter aan, nadat de veiligheidsautoriteiten hardhandig reageerde.

?????????????????????????????????

Dit narratief werd van meet af aan bekritiseerd door pater Frans van der Lugt, die vanaf 1966 actief is geweest in Syrië. Hij uitte zijn zorgen over de partijdige berichtgeving in twee brieven.

De eerste brief schreef de jezuïet in september 2011, waar hij de notie verwerpt van de protesten die vreedzaam begonnen. Zo zegt hij:

“[d]aarbij is vanaf het begin het probleem van de gewapende groeperingen gekomen, die ook bij de oppositie horen.”

Deze gewelddadige oppositie was volgens de pater “veel sterker dan elke andere oppositie”, en gaat “vaak wreed en gewelddadig te werk”. Sterker nog: de oppositie maakte zich schuldig aan verscheidene misdaden “om daarna de schuld aan de regering te geven”, en daarnaast zijn “[v]eel regeringsmensen (…) door hen gefolterd en doodgeschoten”.

In zijn tweede brief (januari 2012) verklaart Frans van der Lugt verder dat “vanaf het begin de protestbewegingen niet louter vreedzaam zijn geweest”. De Nederlandse pater liep vanaf het begin van de protesten mee en zag gewapende demonstranten, “die als eersten op de politie begonnen te schieten”. De veiligheidsdiensten kwamen in actie als reactie op “het wrede geweld van de gewapende opstandelingen”.

Interessant was dat pater van der Lugt, in lijn met de lezing van de regering in Damascus, ervan overtuigd was dat de oppositie “aangestookt en betaald wordt van buitenaf”.

Verder wordt in beide brieven duidelijk dat de meerderheid van de Syriërs niet achter de oppositie staat. Sterker nog: de Syrische bevolking gelooft dat “we met deze regering verder kunnen komen, dat ze in staat is hervormingen aan te brengen”. Pater Frans erkent dat de president fouten heeft gemaakt, maar is van mening dat het volk ervan overtuigd is, dat Assad in staat is om hervormingen door te voeren. Ook dit staat in schril contast met het dominante narratief, waarin gesteld wordt dat de Syrische president alle legitimiteit ontbeert.

De pater weigerde om zijn stad, Homs, te verlaten. In april 2014 is hij om het leven gebracht door de oppositie.

Professor Chussodovsky, verbonden aan de Universiteit van Toronto, deelt de mening dat de opstand vanaf het begin gewelddadig was. Tijdens de protesten van 17 en 18 maart 2011, in de zuidelijke grensplaats Daraa, kwamen 11 man om het leven, waaronder vier demonstranten en zeven politie-agenten. Volgens Chussodovsky geeft het verschil in slachtoffers – zeven om vier – aan dat de opstandelingen gewapend op de protesten afkwamen en over superieure vuurkracht bezaten.

Ook Midden-Oostenexpert Sharmine Narwani, schrijft dat de Syrische veiligheidsdiensten van meet af aan verrast waren door gewelddadige facties binnen de oppositie. In maart en april 2011 pleegden gewapende groepen vele aanslagen op veiligheidsdiensten, waarbij tientallen, waarschijnlijk wel honderden, soldaten en politieagenten omkwamen. Narwani sprak met de Syrische staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, dr. Faisal Mekdad, die verklaarde dat de regering aanvankelijk de terroristische aanslagen stil hield om het conflict niet te laten escaleren.

Syriëkenner Aron Lund, verbonden aan het bekende Carnegie-instituut, komt tot soortgelijke bevindingen. Volgens Lund werd de westerse media grotendeels misleid met betrekking tot incidenten zoals die hebben plaatsgevonden op 11 april 2011 in Banyas. Acht politieagenten werden destijds vermoord. De oppositie gaf de schuld aan Syrische veiligheidskrachten, maar dat bleek niet waar te zijn. Sprake is van het tegendeel: gewapende oppositiegroepen waren daar verantwoordelijk voor. Dat geldt ook voor de beruchte Jisr al-Shuqour-slachting (juni 2011), waarbij 120 soldaten vermoord werden door de gewapende oppositie.

Hieruit kan enigszins geconcludeerd worden dat de protesten inderdaad niet louter vreedzaam begonnen. Gewapende groepen in de oppositie waren van meet af aan bezig om de protesten te laten escaleren.

RT’s Truth Seeker over de chemische aanval in Syrië


Barrel bombs

Een ander veelgehoorde claim is dat het Syrische Nationale Leger (SNL) doelbewust woonwijken bestookt met zogeheten barrel bombs (vaatbommen). Echter moet ook hier kanttekeningen geplaatst worden.

Indien burgers doelwit zijn van willekeurige bombardementen van de Syrische overheid, dan moet volgens een werkgroep, die geleid wordt door Moeder Agnes Mariam, de volgende vraag worden gesteld: waarom 85% van de interne vluchtelingen hun heil zoeken in gebieden die door de Syrische overheid worden gecontroleerd?

Dit wordt verder bevestigd door de Franse Syriëkenner, Fabrice Balanche, die op basis van VN-rapporten schat dat:

“A large majority of refugees and internally displaced persons come from the rebel-held zones.”

De meerderheid van de interne vluchtelingen zoekt een nieuw onderkomen in gebieden, die door de overheid worden gecontroleerd.

Ook een Noord-Amerikaanse journalist, die in Syrië woont, Steven Sahiounie, kwam tot een gelijke conclusie: “[m]ost [refugees] went to Syrian government controlled areas”. Ook was Sahiounie van mening dat vluchtelingen, uit de metropool Aleppo, vrijwel allen door het Vrije Syrische Leger weggejaagd werden en níet door het SNL.

De genoemde werkgroep sluit niet uit dat burgers slachtoffer zijn geworden door beschietingen, maar betwijfelt of er opzet in het spel is. Volgens Moeder Agnes is dit een noodzakelijke maatregel:

“Many times the armed groups hide inside the inhabited neighborhood and they lead from there armed incursions against the government forces barricades.”

Met andere woorden: het is juist de oppositie die opzettelijk burgerlevens op het spel zet. Een constatering die gedeeld wordt door Human Rights Watch. De mensenrechtenorganisatie heeft de oppositie schuldig bevonden aan dat ze burgers als menselijk schild te gebruiken.

Daarnaast kan aan het aantal burgerslachtoffers door vaatbommen getwijfeld worden. SyriaTracker, een mensenrechtenorganisatie die de burgerdoden in Syrië bijhoudt, telde in de periode tussen maart 2011 tot november 2014 in totaal 120.422 slachtoffers; van dit aantal is 5,8% (7066) slachtoffer geworden door luchtbombardementen, waaronder vaatbommen.

Ook opvallend aan het dodenaantal is de ongelijke vertegenwoordiging in geslacht. Van de 7066 slachtoffers door luchtaanvallen zijn er 1601 vrouw en 5465 man. Hierdoor kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij de claim dat het leger lukraak burgers bestookt met luchtbombardementen, omdat er dan een evenredige verdeling in slachtofferaantallen te verwachten zou zijn.

Die ongelijke vertegenwoordiging is volgens de Noord-Amerikaanse journalist Nir Rosen te verklaren, doordat de werkelijke doodsoorzaak vaak zonder enige uitleg (door de oppositie) opgegeven wordt. De oppositie vervalst de doodsoorzaak, zodat gedode rebellen in rapporten terug komen als:

“Innocent civilians killed by security forces, as if they were all merely protesting or sitting in their homes”.

Anders gezegd: de claim dat het leger opzettelijk burgers middels vaatbommen als doelwit heeft genomen, valt door het ontbreken van objectieve gegevens niet te staven.

Heersende misvattingen

Tenslotte worden beweringen over het sektarische karakter van de Syrische overheid verworpen door de eerder aangehaalde journalist Nir Rosen. In een onlangs verschenen rapport van de constateert de Noord-Amerikaan dat het altijd een belachelijke veronderstelling was dat president Assad een sektarische leider was, omdat: “[m]ost of the regime is Sunni, most of its supporters are Sunnis, many [if] not most of its soldiers are Sunni”. Assad is een seculiere leider, en het is juist de oppositie die geradicaliseerd is. De oppositie wordt gedomineerd door takfiri jihadisten en zijn niet uit op een democratische en seculiere toekomst voor Syrië (meer in Foreign Policy).

In relatie tot de claim dat Assad niet populair is, is een bekentenis van Koude Oorlog havik Zbigniew Brzezinski veelzeggend. In een hoorzetting had hij het volgende te zeggen:

“I never understood why we have to help or at least endorse the overthrow of Assad (…), whether we like it or not, Assad does have some significant support in Syrian society, and probably more than any of the groups opposing him (…). He has a better standing than any one of them [van de oppositiegroepen], combined maybe even.”

Zbigniew Brzezinski geeft toe dat Assad van brede steun geniet

Kortom, het dominante narratief rondom de oorlog in Syrië ontbreekt alle nuance en is partijdig beïnvloed (meer over de misvattingen rondom de oorlog in Syrië hier). Dit roept de vraag op waarom er sprake is van een dergelijke desinformatie?

Het verkopen van een YouTube-oorlog
Een recente studie van het onderzoeksinstituut United States Institute for Peace typeert de oorlog in Syrië als volgt: “the most socially mediated civil conflict in history”. In deze eerste ‘YouTube-oorlog’ verkrijgt de buitenwereld haar informatie voornamelijk via social media, en belangrijker: hierdoor is de informatie en nieuws gevoelig voor partijdige beïnvloeding.

Onderzoekers van eerdergenoemde institutie constateerden hoe anti-Assad activisten er op uit waren om de oorlog naar hun voordeel te schetsen. Het onderzoek verhaalt de ervaringen van een (door het buitenland gesponsorde) Syrische activist, Rami Nakhla, die video’s van gewapende groepen in Idlib onderdrukte. Nakhla zei het volgende over dit incident: “Oh my God, no way.’ I deleted it immediately so that it will not get it online”.

Anders gezegd, anti-Assad activisten waren niet bezig om de ontwikkelingen op de grond zo correct mogelijk te beschrijven, maar:

“they systematically gather and strategically disseminate media.”

Hiermee probeerden ze om internationale verontwaardiging op te wekken en de legitimiteit van de overheid in twijfel te trekken, met als doel: het rechtvaardigen van een militaire interventie.

Een bekend voorbeeld is de chemische aanval eind augustus 2013 in Oost-Damascus (Ghouta). Naar verluidt kwamen honderden burgers om in deze gruweldaad; de door het buitenland gesponsorde oppositie én de anti-Assad alliantie wezen de vingers naar Assad. Obama greep dit incident aan om militair in te grijpen. Dat werd echter voorkomen, omdat de aantijgingen ongegrond bleken – de aanslag was hoogstwaarschijnlijk gepleegd door de gewapende oppositie  – én door bemiddeling van Rusland.

Volgens Britse journalist Charlie Skelton hebben deze anti-Assad activisten en groepen volop aandacht gekregen in de westerse en pro-westerse Arabische media, omdat ze in lijn staan met het pro-interventie establishment in Washington als Londen. In The Guardian schrijft Skelton dat de oppositie, waarvan sommige tientallen jaren geen voet aan Syrische grond gezet hebben, betrokken zijn met ultra-havik denktanks als de Council on Foreign Relations, zoals de voorman van de (op losse schroeven staande) Syrische Nationale Raad, Ausama Monajed.

Een ander voorbeeld is de Syrian Observatory for Human Rights (SOHR). Deze instantie houdt het slachtofferaantal bij en wordt geleidt door één man: de in Coventry (Verenigd Koninkrijk) woonachtige Syriër Rami Abdulrahman, die naast de SOHR ook een kledingzaak runt. De SOHR wordt in vrijwel elk bericht over het dodenaantal in Syrië als bron gebruikt, maar laakt echter elk vorm van neutraliteit of objectiviteit.

De reden waarom deze oppositie experts, activisten en de woordvoerders een podium krijgen aangeboden, is volgens Skelton duidelijk:

“They’re selling the idea of military intervention and regime change”.

De door de oppositie geleverde informatie is daarom geen nieuws is, maar: “it’s a sales pitch, a PR campaign”.

Syrische burgers willen niet met BBC-journalisten praten.

Vechten voor een leugen

Het verschil tussen het westers narratief en de werkelijke ontwikkelingen die zich voltrokken is een getuigenis van de kracht van mainstream media propaganda. Het narratief rondom de oorlog in Syrië wordt zoveel mogelijk in het voordeel van de doelstellingen van de anti-Assad alliantie geschetst, om het publiek achter hun zaak te krijgen. Dit verklaart waarom president Bashar al-Assad is/wordt gedemoniseerd en er alles aan gedaan is om een militaire interventie te verkopen.

Een gevolg hiervan is dat Syriëgangers, vanuit alle delen van de wereld, overtuigd raakten van hun nobel streven om de Syriërs af te helpen van een “dictator”. De eerder aangehaalde Britse Syriëganger Musa, geïnterviewd door Channel 4, begreep daarom niet waarom hij vervolgd zou kunnen worden door het Britse regime, want zo zegt hij, in verweer tegen een mogelijke prosecutie:

“just because I went to help a people, against a brutal regime?”.

Eenzelfde verwarring is ook bij (Syriëganger) Eric Harroun op te merken, die door de Noord-Amerikaanse autoriteiten werd tegengehouden, en in zijn verdediging het volgende zei:

“I was fighting aligned with US interests in removing this dictator”.

Deskundigen zien propaganda, als één van de drijfveren voor de jihadgang, over het hoofd in hun analyse, maar de gevolgen zijn zeer reëel. Inderdaad, Britse veiligheidsexpert Nafeez Ahmed zegt het volgende over de gevolgen van propaganda op de psyche van (potentiële) jihadisten:

The constant exposure to such horrifying scenes of Western and Syrian atrocities can often have an effect similar to what might happen if these scenes had been experienced directly: that is, a form of psychological trauma that can even result in post-traumatic stress.

Volgens Ahmed kunnen deze beelden overweldigende emoties oproepen, waardoor men niet meer rationeel nadenkt en de “Ander” dehumaniseert. Dat is tevens ook de bedoeling van dergelijke propagandatechnieken. Het maakt verder niet uit of de boodschap authentiek is, het is de simpliciteit die mensen mobiliseert. Vervolgens nemen extremistische ideologieën, zoals het jihadi-salafisme, de hand over en leiden ze naar de slagvelden (zoals beschreven in het eerste deel).

In het geval van Syrië is concluderen dat propaganda jihadisten motiveert om naar Syrië af te reizen én om zich aan te sluiten bij de gewapende oppositie. Hierbij delen de elite en Syrië strijders een gemeenschappelijk doel: het omverwerpen van de regering in Damascus. In deze context kunnen Syriëgangers derhalve terecht gezien worden als de frontlijn soldaten van de NAVO!

In het volgende en laatste deel ga ik hier verder op in, namelijk wat het nut van Syriëgangers is (in licht van Gladio).

Advertenties