Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;


 

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Voorstanders van de liberale kijk nemen een genuanceerde positie in. Zij stellen dat extremisme een perversie is van de boodschap van Islam en het resultaat van “twentieth-century ideologues who transformed Islam’s essentially benign teachings into an anti-modern, totalitarian, political ideology”. In deze kijk is het dus geen kwestie van een botsing der beschavingen als bij de culturalistische variant. Het is echter een strijd tussen een apolitieke, traditionele Islam die verenigbaar is met westerse waarden versus een totalitaire en extremistische interpretatie met als resultaat een politieke, gewelddadige ideologie. Anders en simpel gezegd: het probleem ligt niet bij alle moslims, maar bij de marge.

Kundnani meent echter dat beide theorieën weinig verklarend vermogen bezitten. Het laakt volgens de wetenschapper aan empirisch bewijs om de stellingen te onderbouwen. In zijn boek The Muslims Are Coming! Islamophobia, Extremism and the Domestic War on Terror (2014) stelt de Indiaas-Britse intellectueel: “there is no demonstrable cause and effect between holding an Islamist ideology and committing acts of terrorist violence” Oftewel, er bestaat geen oorzaak-gevolg relatie tussen het aanhangen van de Islam en het plegen van terroristische aanslagen.

Geen empirisch bewijs
Er is al lange tijd hier kritiek op en die richt zich met name op de modellen die gebruikt worden om radicalisering te verklaren. Kundnani levert daar in zijn boek vernietigend kritiek op. De Brits-Bengaalse terrorisme-expert Nafeez Ahmed doet dat ook in dit kritische stuk. Ahmed laat zien dat er in de afgelopen 40 jaar weinig overtuigend onderzoek is geleverd om empirisch aan te tonen dat het aanhangen van een religie mogelijk kan leiden tot terrorisme.

Vorig jaar werd dat nogmaals bevestigd in een VN-rapport voor de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ben Emmerson, Britse VN-rapporteur voor Counterterrorisme en Mensenrechten, bekritiseerde de vele programma’s gericht op radicalisatie, omdat ze gebaseerd zijn op a simplistic understanding of the process as a fixed trajectory to violent extremism with identifiable markers along the way”.  Er is namelijk niet één hoofdoorzaak aan te wijzen, maar meerdere factoren die bij elk individueel geval op verschillende punten en niveaus samenkomen. Waarom deze (simplistische) modellen alsnog gebruikt worden heeft volgens Emmerson te maken met de functionaliteit. Overheden hoeven dan geen aandacht te schenken aan “the more complex issues, including political issues such as foreign policy and transnational conflicts”. Hierdoor is er teveel focus op “religious ideology as the driver of terrorism and extremism, while factors related to identity, or misguided altruism, are overlooked”.

Eén geval waarin dat sterk naar voren komt is één van de 7/7 aanslagplegers, genaamd Germaine Lindsey. Deze man doodde op 7 juli 2005 in Londen 26 man en verwondde 340. Het verhaal van deze terrorist luidt als volgt: Lindsey werd geboren in Jamaica in 1985 en zijn moeder bekeerde zich tot de islam toen hij 15 was. Hij volgde haar snel op. Nadat zijn moeder vertrok naar de V.S., schijnt hij zich bezig te hebben gehouden met het verkopen van drugs en andere lichte vergrijpen. Vrienden en kennissen deelden mee dat hij vaak zijn ongenoegen uitte over het racistische Engeland. Lindsey deed in oktober 2002 mee met de nationale demonstraties tegen de oorlog in Irak en voor de rechten van Palestijnen. Daar ontmoette hij een vrouw waarmee hij later zou trouwen en twee kinderen krijgen. In 2005, het jaar van de aanslag, was hij negentien jaar. Kundnani merkt op dat het verhaal van Lindsey meestal compleet genegeerd wordt door deskundigen, want: “there was nothing in this story to correspond tot the generally accepted radicalization models”. Met andere woorden, de culturalistische en liberale theorieën houden niet staande tegen de levensloop van Lindsey.

 

Wat terroristen wél motiveert: (gevoel van) onrecht
Er zijn verschillende studies uitgevoerd die zich richten op de motivatie van terroristen. Deze komen over het algemeen tot soortgelijke bevindingen: het is het gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) dat mensen aandrijft tot terrorisme.

Een vaak aangehaalde onderzoek is die van politicoloog Robert Pape. De Noord-Amerikaanse wetenschapper onderzocht 315 gevallen van zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2003 en kwam tot de ontdekking dat 95% van de gevallen niet gemotiveerd waren door religie. Pape concludeert dat de werkelijke oorzaak ligt bij militaire bezetting: “suicide terrorism is mainly a response to foreign occupation”.

Dat is een conclusie die ook gedeeld wordt onder FBI-agenten. Die stellen dat “homegrown terrorists (…) frequently believe the U.S. military is committing atrocities in Muslim countries, thereby justifying their violent aspirations”. Een jaar na de illegale inval van Irak werd dat ook bevestigd door een rapport opgesteld in opdracht van de toenmalige minister van Defensie, Donald Rumsfeld. In het rapport (2004) staat dat als volgt omschreven: “Muslims do not ‘hate our freedom,’ but rather, they hate our policies”. Sindsdien zijn er vele onderzoeken gepubliceerd die tot gelijke conclusies zijn gekomen (zie bijvoorbeeld hier, hier, hier, hier, hier en hier).

Kortom, het is politiek, en niet religie, die mensen motiveert tot het plegen van gewelddaden.

Terroristen: onrecht primaire motivator extremisme
De terroristen beamen bovenstaande onderzoeken. Neem de oprichter van al-Qaida. Osama bin Laden viel naar eigen zeggen de Verenigde Staten (VS) aan uit onvrede over de aanwezigheid van Noord-Amerikaanse troepen in het Saoedische koninkrijk. Dat was voor Bin Laden onacceptabel omdat het land thuis is voor de twee meest heilige steden van de Islam (Mekka & Medina). Bin Laden’s had het daarom tot zijn levensmissie gemaakt om de Noord-Amerikanen te verdrijven uit Saoedi-Arabië.

Of Khalid Sheikh Mohammed. Volgens het 9/11 Commission Report was Mohammad, de architect van de 9/11 aanslagen, niet negatief beïnvloed door zijn studentenperiode in de VS, maar “from his violent disagreement with U.S. foreign policy favoring Israel”. Tevens is dat op te merken bij de nieuwe lichting terroristen – de Syriëgangers. In een eerder stuk schreef ik over de motivatie van jonge Nederlanders om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij een van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. In gesprek met CBS zei de Turks-Nederlandse Yilmaz dat hij gemotiveerd werd door de beelden van onbeschrijflijke pijn en lijden in de oorlog in Syrië en dat hij daardoor “felt the need (…) to stand up and do stuff”. Syriëganger Maher C. ging omdat hij geprikkeld werd door “[h]et onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde”. De conclusie is hier dan ook: een gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) motiveert mensen om eigenhandig actie te ondernemen (en dus niet religie).

 ‘Koran for Dummies’
Desondanks zijn er onderzoekers die alsnog stellen dat religie wél een factor speelt in de motivatie van terroristen. Die stelling houdt echter ook niet lang vol als er gekeken wordt naar de religieuze kennis of religiositeit van terroristen. Neem de twee jonge Britse uitreizigers, die in 2014 veroordeeld waren voor hun deelname aan de oorlog in Syrië, en net voor hun vertrek naar het oorlogsgebied boeken als “Islam for Dummies” en “The Koran for Dummies” hadden gekocht. Dat haalt het narratief van religieus gemotiveerde of geïnspireerde terroristen sterk onderuit.

Dat wordt  nog eens bevestigd door journalisten die in aanraking zijn gekomen met Syrische oppositiegroepen als het Vrije Syrische Leger en de verschillende al-Qaida gelieerde doodseskaders. Eén van die journalisten was de Franse Didier François die gevangen was genomen door Daesh. De Fransman zei in gesprek met CNN’s Christian Amanpower, over de religiositeit van Daesh-terroristen: “It was more hammering what they were believing than teaching us about the Quran. Because it has nothing to do with the Quran.” En verder: “We didn’t even have the Quran. They didn’t want even to give us a Quran.” Het is daarom af te vragen welke en in hoeverre religie een rol speelt bij terroristen.

Religie: ter rechtvaardiging & identiteit
Psychiater Marc Sageman heeft een antwoord daarop. Sageman, een voormalige CIA-officier en bekend van het boek The Black Banners: the Inside Story of 9/11 and the War Against al-Qaeda (2011), zegt, in gesprek met de Brits-Indiaanse journalist Mehdi Hassan, dat religie geen motiverende rol speelt, maar een rechtvaardigend. Terroristen gebruiken religie om hun wandaden goed te praten. Wat heeft Sageman gedaan om als expert te worden aangemerkt?

Mehdi Hassan ziet dat o.a. sterk terugkomen bij Khalid Masood – de 52-jarige man die op 22 maart jl. inreed op een groep mensen op de Westminster Bridge en daarbij 6 burgers (waaronder een agent) doodde. Masood bekeerde zich in 2003 tot het salafisme, maar maakte zich al lang daarvoor schuldig aan allerlei strafbare feiten en geweldsuitspattingen. Hassan twijfelt daarom of religie de primaire motivator was en dat Masood hoogstwaarschijnlijk in die distorted, simplistic and politicized form of Islam [red. oftewel, het jihadi-salafisme] (…) [saw] a ready-made justification for his violence”.

Religie wordt daarnaast gebruikt om hun identiteit te vormen, volgens Sageman. Extremisten die de islam (hoe verdraaid ook) omarmen voelen zich deel van de Ummah en verbonden met hun geloofsgenoten – en handelen ook daarnaar. Dus wanneer zij gruwelijke beelden zien uit conflictgebieden als Syrië en Kasjmir raken ze gemotiveerd; ze willen iets doen tegen het onrecht dat ‘hun mensen’ wordt aangedaan. Doodseskaders als Daesh en al-Qaida spelen daarop in door een antwoord te bieden.  Sageman zegt derhalve: “[i]t’s not about religion, it’s about identity (…) You identify with the victims, [with] the guys being killed by your enemies”.

 

Islamisatie van radicalisme
Met de nieuwe slag terroristen, waarmee voornamelijk maar niet uitsluitend Syriëgangers wordt bedoeld, is een nieuwe groep ontstaan die zich nog moeilijker laat categoriseren. Er is namelijk niet een eenduidig profiel op te maken vanwege de enorme diversiteit aan achtergronden (e.g. witte bekeerlingen, meiden, geprivilegieerde mensen etc.). De Franse Islamkenner Olivier Roy heeft een poging gewaagd om de gemeenschappelijkheden onder westerse Syriëgangers te identificeren. Hoewel dat geen eenvoudige taak is, kwam Roy tot de volgende kenmerken:

  • Ze behoren tot de tweede generatie;
  • Doen overal goed mee met de samenleving;
  • Hebben een geschiedenis van (kleine) misdaad;
  • Zijn geradicaliseerd in gevangenis;
  • Hebben de wens om te sterven bij de uitvoering van de aanslag (bij voorkeur in strijd tegen de politie).

Uit bovenstaande opsomming valt op dat een religieuze achtergrond ontbreekt. Waarom kiest deze groep dan alsnog voor een verdraaide interpretatie van de islam? Roy zegt daarop het volgende:

They do not become radicals because they have misread the texts or because they have been manipulated. They are radicals because they choose to be, because only radicalism appeals to them.

 Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat de extremisten vrijwel allen herboren moslims zijn. Na een periode van alcohol drinken, lichte criminaliteit, uitgaan etc., besluiten ze plots om hun leven religieus in te vullen. Deze plotselinge omschakeling was op te merken bij de Abdeslam broeders – de verantwoordelijken voor de beruchte Bataclan-slachting in Parijs. Van deze terroristen is bekend dat ze voor het plegen van de gewelddaad een bar hadden in Brussel. Zij zijn echter niet de enige.

Inderdaad, uit uitgelekte documenten van Daesh – waardoor geheime en gedetailleerde informatie van meer dan 4,000 buitenlandse strijders openbaar werd – blijkt dat de meeste militanten slechts over basiskennis van de Islam te bezitten. Ze zijn wel relatief hoog opgeleid zijn, maar 70% geeft aan beginners te zijn in het geloof.

Één van hen (met basiskennis van de Sharia) was de Franse Karim Mohammad-Aggad, wiens broer, Foued, een van de drie mannen was die de slachtpartij in de Franse Bataclan aanrichtte. Tegen de rechter zei Karim Mohammad-Aggad over zijn tijd bij Daesh: “My religious beliefs had nothing to do with my departure”. Aggad zei dat de islam gebruikt werd om hem in de val te lokken naar Syrië. Olivier Roy schaart zich dus achter de eerdergenoemde experts en concludeert: “[w]e must understand that terrorism does not arise from the radicalisation of Islam, but from the Islamisation of radicalism”.

 

 Voorbij “islamitisch” terrorisme
Zoals Islamkenner Karin Armstrong terecht opmerkt: als we de IRA niet categoriseren of omschrijven als een katholieke terreurgroep, waarom noemen al-Qaida dan een “islamitische” terreurorganisatie?

Dat is ten eerste foutief, omdat, in de woorden van activist Abdul Cader Asmal, there is nothing ‘’Islamic’ about them”. Terrorisme druist namelijk op elk vlak in tegen de leer van de islam. Ten tweede, terrorisme is ook geen jihad. Jihad betekent geen “heilige oorlog”, maar “inzet” of “struggle”. In de islam wordt onderscheid gemaakt tussen de grote en kleine jihad. De kleine jihad betreft fysieke handelingen. De grote jihad is de struggle tegen de nafs (vrij vertaald: ego). Al-Qaida’s handelingen als jihad labelen is dus een misvatting.

Dit is in overeenstemming met wat moslims en islamitische geleerden reeds jarenlang zeggen. Zij beschouwen terrorisme als onislamitisch. Een aantal voorbeelden:

  • In september 2014 schreven meer dan 120 islamitische geleerden een 18 pagina’s tellende brief aan de leider van Daesh, Abu Bakr el Baghdadi, en ontkrachtten punt voor punt al zijn argumenten;
  • Eind 2015 kwamen 70.000 imams in India bijeen om middels een fatwa al-Qaida en Daesh te bestempelen als onislamitisch;
  • In augustus 2016 kwamen 30.000 moslims in het Verenigd Koninkrijk bijeen om Daesh te verwerpen;
  • En verder: hier 100+ moslimgeleerden en –organisaties die Daesh hebben veroordeeld, hier na Charlie Hebdo en hier na 9/11.

 

Samengevat: de islam motiveert gelovigen niet om aanslagen te plegen, noch worden terroristen daardoor gemotiveerd. Het benoemen als “islamitische terrorisme” is daarom onjuist.

Waarom noemen we dan al-Qaida en Daesh terroristisch? Omdat het dat is wat het primair is: terrorisme. Activisten als Abdul Cader Asmal hebben gepoogd om deze vorm van terrorisme te linken aan de grondlegger: Osama bin Laden. Asmal spreekt daarom van: Binladenisme.

Daarnaast is er groeiende voorkeur binnen de islamitische wereld om te spreken van takfiri terrorisme – takfir is het verketteren van andersgelovigen. Terreurgroepen als al-Qaida en Daesh legitimeren het doden van hun tegenstanders door ze buiten het geloof te plaatsen. Daarmee omzeilen ze de islamitische traditie en gewoonte om niet te moorden (buiten specifieke oorlogssituaties om). Tevens tonen ze hiermee aan dat ze de islam slechts gebruik voor de rechtvaardiging van hun eigen belangen en doeleinden.

Kanttekening: normalisatie van terrorisme
Het uitspreken tegen terrorisme door moslims is een natuurlijke reactie op dat soort barbarisme. Ook in Nederland hebben we onlinecampagnes tegen terrorisme gezien, zoals de hashtag #nietmijnislam. Hoewel dergelijke uitingen begrijpelijk zijn, plaatst dekoloniale wetenschapper Sohail Daulatzai zijn kanttekeningen. De Pakistaans-Amerikaanse intellectueel stelt dat we waakzaam moeten zijn voor de normalisatie van terrorisme.

Een typische reactie vanuit de moslimgemeenschappen na aanslagen van Charlie Hebdo en Brussels is om het toe te schrijven aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen. Het problematische hieraan, volgens Daulatzai, is dat ze daarmee ‘iets’ aanwijzen als terrorisme en daarmee op gevaarlijk terrein komen. Want op het moment dat er iets abstracts als terrorisme kan worden aangewezen, met de legitieme steun van moslims, kan de staat overgaan op:

“to crack down and to narrow the scope of dissent, to violate civil liberties, to torture, to detain, to deport, to invade, to bomb, to kill and to do a whole host of things because there’s a thing called terrorism that everyone accepts as threatening.”

We worden hieraan herinnerd o.a. door Guantanamo Bay en de illegale inval van Irak. Beide werden (en worden) steevast gerechtvaardigd als noodzakelijke maatregelen in de strijd tegen ‘terrorisme’. Daarnaast laten wetenschappers als Arun Kundnani en Hatem Bazian zien hoe de oorlog tegen terrorisme ook een binnenlands aspect kent: het inperken van civiele vrijheden en zelfs fundamentele verworvenheden. Een kritische blik is dus geboden.

Een tweede reden waarom Daulatzai oproept tot voorzichtigheid is dat er zo een onderscheid gecreëerd wordt tussen “good” en “bad Muslims”, tussen gewone burgers en terroristen. Daulatzai stelt dat dit onderscheid een opening creëert voor de staat om in te springen en uit te buiten. We leven immers niet in een vacuüm, maar in een politieke realiteit gekenmerkt door raciale machtsverhoudingen (i.e. witte suprematie & islamofobie). Deze politieke realiteit ontneemt de individualiteit van (geracialiseerde) moslims. In de praktijk zien we dit o.a. bij veiligheidscontroles in de luchthaven, waarbij de lichamen van burgers met een “moslim-achtig uiterlijk” – wat dat ook moge zijn – verdacht zijn.

Bij tot wit gemaakte mensen is het tegenoverstelde op te merken; hun individualiteit wordt wél gerespecteerd. Wanneer een witte extremist als Breivik in Noorwegen of Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn een slachtpartij aanricht, zorgt dit niet ervoor dat witte mensen etnisch geprofileerd worden. Of dat een racistische inreisverbod in het leven wordt geroepen om burgers uit witte landen te weren. Witte terroristen worden gezien “as troubled individuals, exceptions to a white norm,” aldus Daulatzai.

De Amerikaans-Pakistaanse intellectueel stelt daarom dat (geracialiseerde) moslims waakzaam moeten zijn om te blijven hangen in dergelijke campagnes, omdat daarmee de oorzaken van systematisch geweld niet worden aangepakt en die zijn: “white supremacy, capitalism, patriarchy and empire”. De wetenschapper gaat verder en zegt: “[i]f this recognition doesn’t happen, the country will continue to deal with the symptoms and not the problem, like a dog chasing its own tail”.

Inderdaad, terrorisme-expert Nafeez Ahmed heeft berekend dat de zogeheten War on Terror tot wel vier miljoen slachtoffers heeft geleid (vooral moslims). Verder erkende zelfs voormalig president Obama dat een van de (onbedoelde) gevolgen van de War on Terror het ontstaan van terreurgroep Daesh is. De War on Terror leidt dus tot meer pijn en lijden, en wanneer we vaststellen dat onrecht de primaire motivator is van terrorisme, heeft het volgens Daulatzai meer zin om de aandacht te richten op de bron van onrecht (zoals War on Terror) dan door mee te gaan in de dominante lezing (bijv. “het ligt aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen”).

Staatsterrorisme
Een ander aandachtspunt heeft betrekking tot het begrip terrorisme. Zoals wijlen Eqbal Ahmed ons leert, wordt dit niet consequent toegepast en is het afhankelijk van de geopolitieke context. De Pakistaanse intellectueel wijst op de hypocrisie van de VS om dezelfde groepen eerst als vrijheidsstrijders neer te zetten en vervolgens als terroristen. Hij verwijst naar de Afghaanse Moedjahedien, die eerder door president Ronald Reagan werden omschreven als “the moral equivalence of the Founding Fathers”. Toen het nut van deze krijgsheren verdween, schoven hun ideologische opvolgers, de Taliban, op van vrijheidsstrijders naar terroristen.

Daarnaast is terrorisme niet alleen voorbehouden aan niet-statelijke actoren als Daesh. Terrorisme wordt meestal op arbitraire wijze gedefinieerd en onderscheiden van andere geweldsdaden die als normaal, rationeel of noodzakelijk worden gezien. Normaliter wordt bij terrorisme gedacht aan aanslagen door al-Qaida e.d., maar niet aan drone-aanvallen of het droppen van een bijna 10.000 kg wegende bom op een al gehavende land als Afghanistan. Integendeel: dat wordt gezien als ‘normaal’ of  als ‘collateral damage’. Maar wanneer we terrorisme definiëren als geweld tegen onschuldige burgers met een politiek doel, dan is het militaire geweld van vele westerse staten ook als zodanig aan te merken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de door Obama veel gebruikte drone-aanvallen, zoals journalist Glenn Greenwald heeft beargumenteerd. En dit soort terrorisme is volgens Noord-Amerikaanse politicoloog Gregory Holdyk vele malen dodelijker dan het terrorisme van niet-statelijke actoren.

Conclusie
In conclusie: de islam motiveert terroristen niet; het is onrecht dat mensen aandrijft tot terrorisme. In dat licht wordt de islam ge- en misbruikt voor hun eigen belangen en doeleinden. Dit onderscheid is cruciaal, want het is niet alleen een semantieke discussie. Terreur koppelen aan de islam, zoals in een later artikel zal blijken, speelt in en vergroot islamofobe denkbeelden, en wordt doelbewust ingezet ter rechtvaardiging van (geo)politieke ambities.

De cijfers
Hoe zit het dan met de cijfers? Worden de meeste aanslagen dan niet gepleegd door takfiri terroristen? Zitten we nu niet in het midden van een ‘gouden tijdperk’ van terrorisme? In het volgende stuk zal blijken dat dit een stuk genuanceerder ligt. Aanslagen gepleegd door al-Qaida, Daesh en de gelijken behoren namelijk tot de minderheid en de meeste doden in het westen vallen niet in West-Europa of de Verenigde Staten, maar in Oost-Europa. Takfiri terrorisme is in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen, en dodelijker geworden, maar dat kan niet los worden gezien van de nieuwe strijdvelden van de zogeheten War on Terror (bijv. Libië en Syrië) – en in die gebieden vallen ook de overgrote meerderheid van de slachtoffers. Hierover meer in het volgende artikel.

[i] Kundnani gebruikt in zijn boek (het Engelse) reformist”. Ik kies gemakshalve voor liberaal

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s