Londen-aanslag: gevolg van geheime verstandhouding Britse staat met extremisten

Op 3 juni was de jongste aanslag gepleegd in Londen. De kranten melden dat de drie daders aangestuurd waren door terreurgroep Daesh, maar wat ze haast unaniem over het hoofd zien is de rol gespeeld door de Britse staat. Inderdaad, nader onderzoek naar de achtergrond van de daders onthult facilitatie door de Britse inlichtingendienst. Anders gezegd, de Londen-aanslag, met 8 doden en 48 gewonden, zou niet hebben plaatsgevonden, zonder de geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten.

We zien dat terug bij de drie aanslagplegers:

Rachid Redouane was een product van Brits interventies in Libië en Syrië. De van Marokkaans-Libische origine Ier Redouane (30) vocht in 2011 mee met de door de NAVO gesteunde oppositie tegen de Libische leider Gaddafi. Daar kwam hij in contact met al-Qaida gelieerde rebellengroepen én ontving training van o.a. Britse officiers. Bovendien was zijn uitreis mede mogelijk gemaakt door de Britse inlichtingendienst MI5.

Khuram Shazad Butt (27) wordt gezien als de leider van de bende. Butt kwam in contact met Redouane in Oost-Londen, waar ze beiden woonachtig waren. Butt, Brit van Pakistaanse komaf, was een “zwaargewicht” binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun en beïnvloed door Daesh-ronselaar Anjem Choudary. Al Muhajiroun heeft jarenlang de uitreis van extremisten gefaciliteerd onder toeziend en goedkeurend oog van de Britse inlichtingendienst. Zo kon Anjem Choudary alleen al 500 geradicaliseerde Britten exporteren naar conflictgebieden als Libië, Irak en Syrië.

Youssef Zaghba was een 22-jarige in Marokko geboren Italiaan en niet direct geholpen door de Britse staat, maar via haar begunstigers. Zaghba wilde aanvankelijk zelf uitreizen naar Syrië om daar in eigen woorden een “terrorist” te worden, maar werd door de Italiaanse autoriteiten tegengehouden. In plaats daarvan, vertrok hij naar Londen waar hij in contact kwam met Butt en Redouane – de twee terroristen waarmee hij de aanslag op 3 juni pleegde. Dat betekent dat conflictgebieden als Libië en Syrië niet meer de enige trainingsgronden voor terroristen zijn. Europese landen als Engeland zijn dat inmiddels ook – mede met hulp en facilitatie van de Britse inlichtingendiensten.

De link wordt hieronder per persoon inhoudelijk toegelicht.

 

Van links naar rechts: Youssef Zaghbha, Khuram Butt en Rachid Redouanelondon-bridge-attackers

Rachid Redouane
De Britse Telegraph berichtte het volgende over Redouane:

It was also claimed that Redouane fought in the Libyan revolution against Col Muammar Gaddafi and joined a militia which went on to send jihadist fighters to Syria.

Libyan security and diplomatic sources said he travelled to the North African country in 2011 and then returned in recent years while living in Ireland and the UK.

Hier zijn paralellen te trekken met de Manchester zelfmoordterrorist (Salman Abedi). Net als Redouane reisde ook Abedi in 2011 uit naar Libië. Abedi sloot zich aan bij de Libische al-Qaida, de LIFG.

Rachid RedouaneRedouane

Zoals eerder over geschreven is, werd deze uitreis gefaciliteerd door de Britse inlichtingendienst MI5. Dat werd ook wel de ratline genoemd of het open deuren beleid (lees hier meer daarover). Kort gezegd: MI5 voerde een zogeheten open deuren beleid voor burgers die vanaf het begin van de Libische opstand, naar het Noord-Afrikaanse land wilden uitreizen, om te strijden tegen Gaddafi. De Britse inlichtingendienst ondersteunde die onderneming omdat ze een gemeenschappelijke vijand in het vizier hadden: Muammar Gaddafi. Dat deze militanten wellicht banden hadden met of zich zouden aansluiten bij al-Qaida werd door de vingers gezien. Dit beleid was tussen 2011 en 2013 van kracht en dat was de periode waarin zowel Redouane als Abedi vertrokken naar Libië.

Wat de zaak nog verder compliceert is dat dit open deuren beleid werd overzien door de huidige Britse premier, Theresa May. Zij was toentertijd de minister van Buitenlandse Zaken.

De parallellen met Abedi houden hier niet bij op. Net zoals de Manchester-aanslagpleger sloot ook de Londen-terrorist zich aan bij een al-Qaida gelieerde doodseskader. In geval van Abedi was dat bij de LIFG en Redouane Liwa al-Ummah. De leider van (de Tripoli tak van) Liwa al-Ummah, Mahdi al-Harati, vocht onder hoede van Abdulhakim Belhadj, één van de topcommandanten binnen de Libische al-Qaida (de LIFG) – de groep waar Salman Abedi toe behoorde.

Verder is de kans groot dat Redouane opgeleid is door westerse officiers, wellicht wel Britse. Zo meldt de Noord-Amerikaanse magazine Foreign Policy dat Liwa al-Ummah training kreeg van Qatarese speciale eenheden. Uit Foreign Policy:

Its [ie. Liwa al-Ummah] fighters, who included many Libyan expatriates, had received training from Qatari special forces in Nalut, a town in Libya’s western mountains.

Deze Qatarese speciale eenheden werder ondersteund door o.a. Britse officiers. Dat blijkt uit een Wall Street Journal artikel opgegraven door terrorisme-expert Mark Curtis:

“A team of about 60 Qataris helped set up rebel command centers in Benghazi, the mountain city of Zintan and later in Tripoli, according to Qatari Staff Colonel Hamad Abdullah al-Marri, who later accompanied Mr.Belhaj on the march into Tripoli on Aug. 22, broadcast live on al-Jazeera. Mr. Marri said that during the rebel training, he interacted with about 30 Western liaison officers, including Britons, French and several Americans.” (dikgedrukt niet in origineel)

Daar houdt de westerse, en specifieker Britse, steun aan milities met banden met al-Qaida niet op. Die Britse assistentie liep namelijk door tot in Syrië.

Mahdi al-Harati, de leider van Liwa al-Ummah (in Tripoli), vertrok na de lynching van Gaddafi naar Syrië en richtte daar in 2012 de lokale tak op. Uit het artikel van The Telegraph blijkt dat ook Redouane in Syrië aan de kant stond van al-Qaida terroristen en hoogstwaarschijnlijk westerse steun ontvangen.

Volgens Foreign Policy sloot de Syrische tak van Liwa al-Ummah zich in 2012 aan bij het Vrije Syrische Leger (FSA). Het FSA is de voornaamste partner van het westen in het Syrische conflict en hebben de meeste steun en hulp ontvangen. The New York Times constateerde reeds in 2012 dat het gros van deze (westerse) assistentie is in handen kwam van al-Qaida gelieerde rebellengroepen. Niet verrassend dan dat het FSA eind 2012 haar onvrede uitte over de plaatsing van de Syrische al-Qaida (Jabhat an-Nusra) op de terroristenlijst. Deze stelling wordt verder onderbouwd door het feit dat het Liwa al-Ummah (en het FSA) veelvuldig samenwerkte met de Syrische al-Qaida (Nusra). Militaire blog The Long War Journal rapporteerde in 2014 dat Liwa al-Ummah, als onderdeel van het FSA, niet opgehouden was om samen te vechten met Nusra. Tegenwoordig is het FSA niet meer af te scheiden van Nusra.

Na zijn periode in Syrië keerde Redouane terug naar het Verenigd Koninkrijk. Ondanks deelname aan terroristische organisaties in het buitenland werd Redouane niet gearresteerd, en gezien rechtszaken tegen Syriëgangers valt dat te begrijpen. In 2014 en 2015 was de berechting van twee Syriëgangers namelijk afgebroken omdat anders de Britse inlichtingendienst in verlegenheid gebracht zou worden.

De eerste betrof Moazzam Begg, die in 2012 meermaals reisde naar Syrië. Uit de verslaglegging van de rechtszaak bleek dat Begg “was assisting opposition fighters in their war against Bashar al-Assad’s regime”. Dat was reden voor de Britse veiligheidsdiensten om hem aan te klagen voor het faciliteren van terrorisme in het buitenland. De rechtszaak viel echter nadat:

“MI5 belatedly gave police and prosecutors a series of documents that detailed the agency’s extensive contacts with him before and after his trips to Syria”

Oftewel, MI5 gaf groen licht aan Begg om uit te reizen naar Syrië en de gewapende oppositie te steunen, maar dat werd juist door de veiligheidsdiensten aangekaart als reden om hem te vervolgen!

Een gelijke proces was te zien bij de zaak tegen Bherlin Gildo. Gildo, een Zweedse burger, werd in oktober 2014 gearresteerd en aangeklaagd voor deelname aan terroristische organisaties. De rechtszaak viel echter “after it became clear Britain’s security and intelligence agencies would have been deeply embarrassed had a trial gone ahead”. De advocaten van Gildo beargumenteerden namelijk dat:

British intelligence agencies were supporting the same Syrian opposition groups as he was, and were party to a secret operation providing weapons and non-lethal help to the groups, including the Free Syrian Army.

Hier ook weer: Gildo hielp Syrische rebellengroepen die door de autoriteiten als terroristisch worden aangemerkt, terwijl diezelfde milities gesupport worden door MI5!

Dat geeft wellicht een verklaring waarom teruggekeerde Libië- en Syriëgangers, als de al-Qaida gelieerde Rachid Redouane, zo moeilijk berecht kunnen worden: dat schijnt licht op de geheime verstandhouding van de Britse inlichtingendiensten met al-Qaida gelieerde strijders en rebellengroepen in Libië en Syrië.

Khuram Butt
Khuram Butt werd gezien als een zwaargewicht binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun. Deze organisatie werd in Engeland opgezet in 1986 door de Syriër Omar Bakri Mohammed. In de jaren negentig onderhield oprichter Mohammed contacten met Osama bin Laden en faciliteerde de uitreis naar de Balkan. Daar sloten uitreizigers zich aan bij Bin Laden’s groep. Al Muhajiroun werd uiteindelijk in 2005 verboden na de 7/7 aanslagen in Londen en Omar Bakri Mohammed verbannen naar Libanon. Daar werd hij later meermaals veroordeeld en terecht gezet.

Khuram Butt799051cc9d7434d1e30930fbd0ba6e3af11336377460b4978b298420da4424a9_3971339

De extremistische groep wordt sindsdien geleid door Anjem Choudary – leerling van Omar Bakri Mohammed. Butt was een bekende van Anjem Choudary en vermoedelijk door hem ook geradicaliseerd. Een andere bekende terrorist geradicaliseerd door Choudary was Michael Adebolajo – de man die in 2013 soldaat Lee Rigby overdag in Londen neerstak.

Choudary wordt gezien als de voornaamste Britse ronselaar voor terreurgroep Daesh in Syrië, Irak en Libië; van de 850 Britse uitreizigers heeft Choudary er vermoedelijk 500 verzorgd. Uit gelekte bestanden van Daesh blijkt dat hij daarbij werd ondersteund door zijn mentor Omar Bakri Mohammed.

Twee derde van alle pogingen tot terreurdaden waarin burgers van het Verening Koninkrijk in binnen- en buitenland bij betrokken zijn in de afgelopen twintig jaar, zijn toe te schrijven aan leden van Al Muhajiroun.

Dat deze extremisten zolang hun werk hebben kunnen doen heeft volgens veiligheidsexpert Nafeez Ahmed te maken met een geheime verstandshouding met de Britse staat. Ahmed somt in zijn onderzoeksartikel een groot aantal bronnen op om zijn stelling te onderbouwen, een paar worden hier genoemd:

  1. Voormalig VS leger inlichtingenofficier, John Loftus, beweerde dat drie leden van Al Muhajiroun, waaronder Omar Bakri Mohammad, geworven waren door de Britse MI6 in 1996 om de al-Qaida’s terroristische activiteiten in de Balkan te coördineren;
  2. Omar Bakri Mohammad gaf in 2000 zelf toe Britse moslims naar het buitenland te sturen om te vechten en zei daarover: “The British government knows who we are. MI5 has interrogated us many times. I think now we have something called public immunity”.

Al Muhajiroun kon de uitreis van extremisten naar Libië en Syrië zo lang volhouden, volgens voormalige Britse inlichtingenofficial, Charles Shoebridge, in gesprek met veiligheidsexpert Nafeez Ahmed, omdat ze een gedeelde tegenstander als doelwit hadden: Gaddafi in Libië en Assad in Syrië. De Britten hadden zich in 2011 gecommitteerd om genoemde leiders te verdrijven en in het kader van die doelstelling werd de facilitering van extremistische uitreizigers ondersteund. Shoebridge zegt in die context over de Libië- en Syriëgangers:

““this ‘turning a blind eye’ was actually consistent with the UK govt position of intensive overt and covert support of rebel groups in Libya and Syria in attempting to topple Gaddafi and Assad”

Shoebridge zegt verder dat het wegkijken van de Britse overheid geen incident is, maar in lijn staat met:

“a long record of the UK government allowing, using and facilitating Islamist extremists to destabilise ‘enemy’ states, from Soviet occupied Afghanistan in the 80s, through Bosnia and Chechnya, to Libya and Syria today”

Hij voegt verder toe dat deze geheime verstandhouding pas ophield in 2013, toen terroristische organisaties als Daesh Britse en Noord-Amerikaanse belangen bedreigde en burgers doodde. In reactie hierop zeggen de autoriteiten dat de nodige wetgeving ontbrak om uitreizigers te vervolgen, maar dat wuijft Shoebridge weg: “First, it’s been illegal to take part in terrorist related activities abroad since 2006 and, second, the new legislation introduced since 2013 has itself barely been used.”

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat een extremistische groep als al Muhajiroun niet kon uitgroeien tot een haast terroristische reisbureau ware het niet zonder facilitatie van de Britse inlichtingendienst. Zonder deze steun zou Khuram Butt niet in contact zijn gekomen met de extremistische en Daesh-ronselaar Anjem Choudary en niet in dat netwerk van terroristen zitten en daarmee in aanraking met Rachid Redouane.

Yousef Zaghba
Normaliter reizen geradicaliseerde burgers uit naar landen als Syrië, Irak en Libië om daar opgeleid te worden tot terrorist. Ook Youssef Zaghba was dat van plan. In maart 2016 had hij een enkeltje geboekt naar Turkije met de intentie om door te reizen naar Syrië. Toen hij door de autoriteiten werd tegengehouden en ondervraagd over zijn motivatie, gaf Zaghba toe dat hij naar Syrië wilde om een “terrorist” te worden. Op de telefoon van de jonge Marokkaanse-Italiaan werd propaganda van Daesh gevonden.

Youssef Zaghba
youssef-zaghba2

De Italiaanse autoriteiten zorgden ervoor dat hij niet kon uitreizen. Zaghba was echter nog gedreven om zijn doelstelling te voltooien en zag een ander mogelijkheid om ‘terrorist’ te worden: Londen.

In Londen kwam de jonge Italiaan in het netwerk van de extremistische al-Muhajiroun terecht. Hij leerde daar Khuram Butt kennen, die in 2015 nog door de autoriteiten werd onderzocht voor zijn banden met terroristen. Het is bekend dat Butt geradicaliseerd werd door Anjem Choudary (en de in die kringen populaire haatprediker Ahmed Jibril) en het ligt in de lijn der verwachting dat hij Zaghba beïnvloedde. Daarmee wordt de samenhang met de geheime verstandhouding van de extremistische al Muhajiroun en de Britse staat duidelijk, aangezien de extremisten jarenlang zijn getolereerd door de Britse lichtingendiensten.

Tevens in Londen, kwam Zaghba in contact met Rachid Redouane, die teruggekeerd was van een periode bij terreurorganisaties in Libië en Syrië. De uitreis werd mogelijk gemaakt door het open deuren beleid. Redouane vertrok als geradicaliseerde jongere en kwam terug als professionele terrorist. De training had hij wellicht wel ontvangen van o.a. Britse officiers. De Britse autoriteiten waren niet in staat om zijn terugkeer te verhinderen vanwege collaboratie van de geheime diensten met extremistische organisaties, zoals de gedropte rechtszaken tegen Moazzem Begg en Bherlin Ghado getuigen. Deze ervaring en vaardigheden kon hij delen met andere extremisten als Khuram Butt en Youssef Zaghba. Samen pleegden ze hun gewelddaad op 3 juni.

De geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten heeft de War on Terror naar eigen land gebracht. Geradicaliseerde jongeren als Youssef Zaghba hoeven niet meer de oversteek buiten Europa te maken. Door extremisten in eigen land te laten groeien (als Khuram Butt) en terroristische ervaring in het buitenland op te doen (als Rachid Redouane), zijn plekken als Londen verworven tot trainingsgrond voor terroristen – en thuisplaats voor terroristische aanslagen, zoals de recente aanslagen in Londen en Manchester demonstreren.

Conclusie
Kortom, in de achtergronden van de drie daders, Rachid Redouane, Khuram Butt en Youssef Zaghba, zien we de onbedoelde gevolgen van Britse geheime verstandhouding met extremisten terug. Het is in feite een herhaling van de praktijken van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan. Deze drie landen steunden in de jaren tachtig de Afghaanse oppositie tijdens de Sovjet-Afghaanse Oorlog. Uit die collaboratie kwam al-Qaida en de Taliban voort en zoals bekend is pleegden die extremisten aanslagen in de landen die hen groot hadden gebracht. Oftewel, terroristen bijten altijd de handen die hen gevoed heeft. Zo nu ook in Londen en Manchester.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

 

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië
In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

 

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; zoverre was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Libische al-Qaida terrorist Abdulhakim Belhaj (links) op de foto met John McCain (rechts)
belhaj

 

 

Abedi en de LIFG
De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

 

Rat line
Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Gemotiveerd door westers buitenlandbeleid
Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback
De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om in te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

Waarom “islamitisch” terrorisme niet bestaat

Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;


 

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Voorstanders van de liberale kijk nemen een genuanceerde positie in. Zij stellen dat extremisme een perversie is van de boodschap van Islam en het resultaat van “twentieth-century ideologues who transformed Islam’s essentially benign teachings into an anti-modern, totalitarian, political ideology”. In deze kijk is het dus geen kwestie van een botsing der beschavingen als bij de culturalistische variant. Het is echter een strijd tussen een apolitieke, traditionele Islam die verenigbaar is met westerse waarden versus een totalitaire en extremistische interpretatie met als resultaat een politieke, gewelddadige ideologie. Anders en simpel gezegd: het probleem ligt niet bij alle moslims, maar bij de marge.

Kundnani meent echter dat beide theorieën weinig verklarend vermogen bezitten. Het laakt volgens de wetenschapper aan empirisch bewijs om de stellingen te onderbouwen. In zijn boek The Muslims Are Coming! Islamophobia, Extremism and the Domestic War on Terror (2014) stelt de Indiaas-Britse intellectueel: “there is no demonstrable cause and effect between holding an Islamist ideology and committing acts of terrorist violence” Oftewel, er bestaat geen oorzaak-gevolg relatie tussen het aanhangen van de Islam en het plegen van terroristische aanslagen.

Geen empirisch bewijs
Er is al lange tijd hier kritiek op en die richt zich met name op de modellen die gebruikt worden om radicalisering te verklaren. Kundnani levert daar in zijn boek vernietigend kritiek op. De Brits-Bengaalse terrorisme-expert Nafeez Ahmed doet dat ook in dit kritische stuk. Ahmed laat zien dat er in de afgelopen 40 jaar weinig overtuigend onderzoek is geleverd om empirisch aan te tonen dat het aanhangen van een religie mogelijk kan leiden tot terrorisme.

Vorig jaar werd dat nogmaals bevestigd in een VN-rapport voor de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ben Emmerson, Britse VN-rapporteur voor Counterterrorisme en Mensenrechten, bekritiseerde de vele programma’s gericht op radicalisatie, omdat ze gebaseerd zijn op a simplistic understanding of the process as a fixed trajectory to violent extremism with identifiable markers along the way”.  Er is namelijk niet één hoofdoorzaak aan te wijzen, maar meerdere factoren die bij elk individueel geval op verschillende punten en niveaus samenkomen. Waarom deze (simplistische) modellen alsnog gebruikt worden heeft volgens Emmerson te maken met de functionaliteit. Overheden hoeven dan geen aandacht te schenken aan “the more complex issues, including political issues such as foreign policy and transnational conflicts”. Hierdoor is er teveel focus op “religious ideology as the driver of terrorism and extremism, while factors related to identity, or misguided altruism, are overlooked”.

Eén geval waarin dat sterk naar voren komt is één van de 7/7 aanslagplegers, genaamd Germaine Lindsey. Deze man doodde op 7 juli 2005 in Londen 26 man en verwondde 340. Het verhaal van deze terrorist luidt als volgt: Lindsey werd geboren in Jamaica in 1985 en zijn moeder bekeerde zich tot de islam toen hij 15 was. Hij volgde haar snel op. Nadat zijn moeder vertrok naar de V.S., schijnt hij zich bezig te hebben gehouden met het verkopen van drugs en andere lichte vergrijpen. Vrienden en kennissen deelden mee dat hij vaak zijn ongenoegen uitte over het racistische Engeland. Lindsey deed in oktober 2002 mee met de nationale demonstraties tegen de oorlog in Irak en voor de rechten van Palestijnen. Daar ontmoette hij een vrouw waarmee hij later zou trouwen en twee kinderen krijgen. In 2005, het jaar van de aanslag, was hij negentien jaar. Kundnani merkt op dat het verhaal van Lindsey meestal compleet genegeerd wordt door deskundigen, want: “there was nothing in this story to correspond tot the generally accepted radicalization models”. Met andere woorden, de culturalistische en liberale theorieën houden niet staande tegen de levensloop van Lindsey.

 

Wat terroristen wél motiveert: (gevoel van) onrecht
Er zijn verschillende studies uitgevoerd die zich richten op de motivatie van terroristen. Deze komen over het algemeen tot soortgelijke bevindingen: het is het gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) dat mensen aandrijft tot terrorisme.

Een vaak aangehaalde onderzoek is die van politicoloog Robert Pape. De Noord-Amerikaanse wetenschapper onderzocht 315 gevallen van zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2003 en kwam tot de ontdekking dat 95% van de gevallen niet gemotiveerd waren door religie. Pape concludeert dat de werkelijke oorzaak ligt bij militaire bezetting: “suicide terrorism is mainly a response to foreign occupation”.

Dat is een conclusie die ook gedeeld wordt onder FBI-agenten. Die stellen dat “homegrown terrorists (…) frequently believe the U.S. military is committing atrocities in Muslim countries, thereby justifying their violent aspirations”. Een jaar na de illegale inval van Irak werd dat ook bevestigd door een rapport opgesteld in opdracht van de toenmalige minister van Defensie, Donald Rumsfeld. In het rapport (2004) staat dat als volgt omschreven: “Muslims do not ‘hate our freedom,’ but rather, they hate our policies”. Sindsdien zijn er vele onderzoeken gepubliceerd die tot gelijke conclusies zijn gekomen (zie bijvoorbeeld hier, hier, hier, hier, hier en hier).

Kortom, het is politiek, en niet religie, die mensen motiveert tot het plegen van gewelddaden.

Terroristen: onrecht primaire motivator extremisme
De terroristen beamen bovenstaande onderzoeken. Neem de oprichter van al-Qaida. Osama bin Laden viel naar eigen zeggen de Verenigde Staten (VS) aan uit onvrede over de aanwezigheid van Noord-Amerikaanse troepen in het Saoedische koninkrijk. Dat was voor Bin Laden onacceptabel omdat het land thuis is voor de twee meest heilige steden van de Islam (Mekka & Medina). Bin Laden’s had het daarom tot zijn levensmissie gemaakt om de Noord-Amerikanen te verdrijven uit Saoedi-Arabië.

Of Khalid Sheikh Mohammed. Volgens het 9/11 Commission Report was Mohammad, de architect van de 9/11 aanslagen, niet negatief beïnvloed door zijn studentenperiode in de VS, maar “from his violent disagreement with U.S. foreign policy favoring Israel”. Tevens is dat op te merken bij de nieuwe lichting terroristen – de Syriëgangers. In een eerder stuk schreef ik over de motivatie van jonge Nederlanders om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij een van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. In gesprek met CBS zei de Turks-Nederlandse Yilmaz dat hij gemotiveerd werd door de beelden van onbeschrijflijke pijn en lijden in de oorlog in Syrië en dat hij daardoor “felt the need (…) to stand up and do stuff”. Syriëganger Maher C. ging omdat hij geprikkeld werd door “[h]et onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde”. De conclusie is hier dan ook: een gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) motiveert mensen om eigenhandig actie te ondernemen (en dus niet religie).

 ‘Koran for Dummies’
Desondanks zijn er onderzoekers die alsnog stellen dat religie wél een factor speelt in de motivatie van terroristen. Die stelling houdt echter ook niet lang vol als er gekeken wordt naar de religieuze kennis of religiositeit van terroristen. Neem de twee jonge Britse uitreizigers, die in 2014 veroordeeld waren voor hun deelname aan de oorlog in Syrië, en net voor hun vertrek naar het oorlogsgebied boeken als “Islam for Dummies” en “The Koran for Dummies” hadden gekocht. Dat haalt het narratief van religieus gemotiveerde of geïnspireerde terroristen sterk onderuit.

Dat wordt  nog eens bevestigd door journalisten die in aanraking zijn gekomen met Syrische oppositiegroepen als het Vrije Syrische Leger en de verschillende al-Qaida gelieerde doodseskaders. Eén van die journalisten was de Franse Didier François die gevangen was genomen door Daesh. De Fransman zei in gesprek met CNN’s Christian Amanpower, over de religiositeit van Daesh-terroristen: “It was more hammering what they were believing than teaching us about the Quran. Because it has nothing to do with the Quran.” En verder: “We didn’t even have the Quran. They didn’t want even to give us a Quran.” Het is daarom af te vragen welke en in hoeverre religie een rol speelt bij terroristen.

Religie: ter rechtvaardiging & identiteit
Psychiater Marc Sageman heeft een antwoord daarop. Sageman, een voormalige CIA-officier en bekend van het boek The Black Banners: the Inside Story of 9/11 and the War Against al-Qaeda (2011), zegt, in gesprek met de Brits-Indiaanse journalist Mehdi Hassan, dat religie geen motiverende rol speelt, maar een rechtvaardigend. Terroristen gebruiken religie om hun wandaden goed te praten. Wat heeft Sageman gedaan om als expert te worden aangemerkt?

Mehdi Hassan ziet dat o.a. sterk terugkomen bij Khalid Masood – de 52-jarige man die op 22 maart jl. inreed op een groep mensen op de Westminster Bridge en daarbij 6 burgers (waaronder een agent) doodde. Masood bekeerde zich in 2003 tot het salafisme, maar maakte zich al lang daarvoor schuldig aan allerlei strafbare feiten en geweldsuitspattingen. Hassan twijfelt daarom of religie de primaire motivator was en dat Masood hoogstwaarschijnlijk in die distorted, simplistic and politicized form of Islam [red. oftewel, het jihadi-salafisme] (…) [saw] a ready-made justification for his violence”.

Religie wordt daarnaast gebruikt om hun identiteit te vormen, volgens Sageman. Extremisten die de islam (hoe verdraaid ook) omarmen voelen zich deel van de Ummah en verbonden met hun geloofsgenoten – en handelen ook daarnaar. Dus wanneer zij gruwelijke beelden zien uit conflictgebieden als Syrië en Kasjmir raken ze gemotiveerd; ze willen iets doen tegen het onrecht dat ‘hun mensen’ wordt aangedaan. Doodseskaders als Daesh en al-Qaida spelen daarop in door een antwoord te bieden.  Sageman zegt derhalve: “[i]t’s not about religion, it’s about identity (…) You identify with the victims, [with] the guys being killed by your enemies”.

 

Islamisatie van radicalisme
Met de nieuwe slag terroristen, waarmee voornamelijk maar niet uitsluitend Syriëgangers wordt bedoeld, is een nieuwe groep ontstaan die zich nog moeilijker laat categoriseren. Er is namelijk niet een eenduidig profiel op te maken vanwege de enorme diversiteit aan achtergronden (e.g. witte bekeerlingen, meiden, geprivilegieerde mensen etc.). De Franse Islamkenner Olivier Roy heeft een poging gewaagd om de gemeenschappelijkheden onder westerse Syriëgangers te identificeren. Hoewel dat geen eenvoudige taak is, kwam Roy tot de volgende kenmerken:

  • Ze behoren tot de tweede generatie;
  • Doen overal goed mee met de samenleving;
  • Hebben een geschiedenis van (kleine) misdaad;
  • Zijn geradicaliseerd in gevangenis;
  • Hebben de wens om te sterven bij de uitvoering van de aanslag (bij voorkeur in strijd tegen de politie).

Uit bovenstaande opsomming valt op dat een religieuze achtergrond ontbreekt. Waarom kiest deze groep dan alsnog voor een verdraaide interpretatie van de islam? Roy zegt daarop het volgende:

They do not become radicals because they have misread the texts or because they have been manipulated. They are radicals because they choose to be, because only radicalism appeals to them.

 Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat de extremisten vrijwel allen herboren moslims zijn. Na een periode van alcohol drinken, lichte criminaliteit, uitgaan etc., besluiten ze plots om hun leven religieus in te vullen. Deze plotselinge omschakeling was op te merken bij de Abdeslam broeders – de verantwoordelijken voor de beruchte Bataclan-slachting in Parijs. Van deze terroristen is bekend dat ze voor het plegen van de gewelddaad een bar hadden in Brussel. Zij zijn echter niet de enige.

Inderdaad, uit uitgelekte documenten van Daesh – waardoor geheime en gedetailleerde informatie van meer dan 4,000 buitenlandse strijders openbaar werd – blijkt dat de meeste militanten slechts over basiskennis van de Islam te bezitten. Ze zijn wel relatief hoog opgeleid zijn, maar 70% geeft aan beginners te zijn in het geloof.

Één van hen (met basiskennis van de Sharia) was de Franse Karim Mohammad-Aggad, wiens broer, Foued, een van de drie mannen was die de slachtpartij in de Franse Bataclan aanrichtte. Tegen de rechter zei Karim Mohammad-Aggad over zijn tijd bij Daesh: “My religious beliefs had nothing to do with my departure”. Aggad zei dat de islam gebruikt werd om hem in de val te lokken naar Syrië. Olivier Roy schaart zich dus achter de eerdergenoemde experts en concludeert: “[w]e must understand that terrorism does not arise from the radicalisation of Islam, but from the Islamisation of radicalism”.

 

 Voorbij “islamitisch” terrorisme
Zoals Islamkenner Karin Armstrong terecht opmerkt: als we de IRA niet categoriseren of omschrijven als een katholieke terreurgroep, waarom noemen al-Qaida dan een “islamitische” terreurorganisatie?

Dat is ten eerste foutief, omdat, in de woorden van activist Abdul Cader Asmal, there is nothing ‘’Islamic’ about them”. Terrorisme druist namelijk op elk vlak in tegen de leer van de islam. Ten tweede, terrorisme is ook geen jihad. Jihad betekent geen “heilige oorlog”, maar “inzet” of “struggle”. In de islam wordt onderscheid gemaakt tussen de grote en kleine jihad. De kleine jihad betreft fysieke handelingen. De grote jihad is de struggle tegen de nafs (vrij vertaald: ego). Al-Qaida’s handelingen als jihad labelen is dus een misvatting.

Dit is in overeenstemming met wat moslims en islamitische geleerden reeds jarenlang zeggen. Zij beschouwen terrorisme als onislamitisch. Een aantal voorbeelden:

  • In september 2014 schreven meer dan 120 islamitische geleerden een 18 pagina’s tellende brief aan de leider van Daesh, Abu Bakr el Baghdadi, en ontkrachtten punt voor punt al zijn argumenten;
  • Eind 2015 kwamen 70.000 imams in India bijeen om middels een fatwa al-Qaida en Daesh te bestempelen als onislamitisch;
  • In augustus 2016 kwamen 30.000 moslims in het Verenigd Koninkrijk bijeen om Daesh te verwerpen;
  • En verder: hier 100+ moslimgeleerden en –organisaties die Daesh hebben veroordeeld, hier na Charlie Hebdo en hier na 9/11.

 

Samengevat: de islam motiveert gelovigen niet om aanslagen te plegen, noch worden terroristen daardoor gemotiveerd. Het benoemen als “islamitische terrorisme” is daarom onjuist.

Waarom noemen we dan al-Qaida en Daesh terroristisch? Omdat het dat is wat het primair is: terrorisme. Activisten als Abdul Cader Asmal hebben gepoogd om deze vorm van terrorisme te linken aan de grondlegger: Osama bin Laden. Asmal spreekt daarom van: Binladenisme.

Daarnaast is er groeiende voorkeur binnen de islamitische wereld om te spreken van takfiri terrorisme – takfir is het verketteren van andersgelovigen. Terreurgroepen als al-Qaida en Daesh legitimeren het doden van hun tegenstanders door ze buiten het geloof te plaatsen. Daarmee omzeilen ze de islamitische traditie en gewoonte om niet te moorden (buiten specifieke oorlogssituaties om). Tevens tonen ze hiermee aan dat ze de islam slechts gebruik voor de rechtvaardiging van hun eigen belangen en doeleinden.

Kanttekening: normalisatie van terrorisme
Het uitspreken tegen terrorisme door moslims is een natuurlijke reactie op dat soort barbarisme. Ook in Nederland hebben we onlinecampagnes tegen terrorisme gezien, zoals de hashtag #nietmijnislam. Hoewel dergelijke uitingen begrijpelijk zijn, plaatst dekoloniale wetenschapper Sohail Daulatzai zijn kanttekeningen. De Pakistaans-Amerikaanse intellectueel stelt dat we waakzaam moeten zijn voor de normalisatie van terrorisme.

Een typische reactie vanuit de moslimgemeenschappen na aanslagen van Charlie Hebdo en Brussels is om het toe te schrijven aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen. Het problematische hieraan, volgens Daulatzai, is dat ze daarmee ‘iets’ aanwijzen als terrorisme en daarmee op gevaarlijk terrein komen. Want op het moment dat er iets abstracts als terrorisme kan worden aangewezen, met de legitieme steun van moslims, kan de staat overgaan op:

“to crack down and to narrow the scope of dissent, to violate civil liberties, to torture, to detain, to deport, to invade, to bomb, to kill and to do a whole host of things because there’s a thing called terrorism that everyone accepts as threatening.”

We worden hieraan herinnerd o.a. door Guantanamo Bay en de illegale inval van Irak. Beide werden (en worden) steevast gerechtvaardigd als noodzakelijke maatregelen in de strijd tegen ‘terrorisme’. Daarnaast laten wetenschappers als Arun Kundnani en Hatem Bazian zien hoe de oorlog tegen terrorisme ook een binnenlands aspect kent: het inperken van civiele vrijheden en zelfs fundamentele verworvenheden. Een kritische blik is dus geboden.

Een tweede reden waarom Daulatzai oproept tot voorzichtigheid is dat er zo een onderscheid gecreëerd wordt tussen “good” en “bad Muslims”, tussen gewone burgers en terroristen. Daulatzai stelt dat dit onderscheid een opening creëert voor de staat om in te springen en uit te buiten. We leven immers niet in een vacuüm, maar in een politieke realiteit gekenmerkt door raciale machtsverhoudingen (i.e. witte suprematie & islamofobie). Deze politieke realiteit ontneemt de individualiteit van (geracialiseerde) moslims. In de praktijk zien we dit o.a. bij veiligheidscontroles in de luchthaven, waarbij de lichamen van burgers met een “moslim-achtig uiterlijk” – wat dat ook moge zijn – verdacht zijn.

Bij tot wit gemaakte mensen is het tegenoverstelde op te merken; hun individualiteit wordt wél gerespecteerd. Wanneer een witte extremist als Breivik in Noorwegen of Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn een slachtpartij aanricht, zorgt dit niet ervoor dat witte mensen etnisch geprofileerd worden. Of dat een racistische inreisverbod in het leven wordt geroepen om burgers uit witte landen te weren. Witte terroristen worden gezien “as troubled individuals, exceptions to a white norm,” aldus Daulatzai.

De Amerikaans-Pakistaanse intellectueel stelt daarom dat (geracialiseerde) moslims waakzaam moeten zijn om te blijven hangen in dergelijke campagnes, omdat daarmee de oorzaken van systematisch geweld niet worden aangepakt en die zijn: “white supremacy, capitalism, patriarchy and empire”. De wetenschapper gaat verder en zegt: “[i]f this recognition doesn’t happen, the country will continue to deal with the symptoms and not the problem, like a dog chasing its own tail”.

Inderdaad, terrorisme-expert Nafeez Ahmed heeft berekend dat de zogeheten War on Terror tot wel vier miljoen slachtoffers heeft geleid (vooral moslims). Verder erkende zelfs voormalig president Obama dat een van de (onbedoelde) gevolgen van de War on Terror het ontstaan van terreurgroep Daesh is. De War on Terror leidt dus tot meer pijn en lijden, en wanneer we vaststellen dat onrecht de primaire motivator is van terrorisme, heeft het volgens Daulatzai meer zin om de aandacht te richten op de bron van onrecht (zoals War on Terror) dan door mee te gaan in de dominante lezing (bijv. “het ligt aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen”).

Staatsterrorisme
Een ander aandachtspunt heeft betrekking tot het begrip terrorisme. Zoals wijlen Eqbal Ahmed ons leert, wordt dit niet consequent toegepast en is het afhankelijk van de geopolitieke context. De Pakistaanse intellectueel wijst op de hypocrisie van de VS om dezelfde groepen eerst als vrijheidsstrijders neer te zetten en vervolgens als terroristen. Hij verwijst naar de Afghaanse Moedjahedien, die eerder door president Ronald Reagan werden omschreven als “the moral equivalence of the Founding Fathers”. Toen het nut van deze krijgsheren verdween, schoven hun ideologische opvolgers, de Taliban, op van vrijheidsstrijders naar terroristen.

Daarnaast is terrorisme niet alleen voorbehouden aan niet-statelijke actoren als Daesh. Terrorisme wordt meestal op arbitraire wijze gedefinieerd en onderscheiden van andere geweldsdaden die als normaal, rationeel of noodzakelijk worden gezien. Normaliter wordt bij terrorisme gedacht aan aanslagen door al-Qaida e.d., maar niet aan drone-aanvallen of het droppen van een bijna 10.000 kg wegende bom op een al gehavende land als Afghanistan. Integendeel: dat wordt gezien als ‘normaal’ of  als ‘collateral damage’. Maar wanneer we terrorisme definiëren als geweld tegen onschuldige burgers met een politiek doel, dan is het militaire geweld van vele westerse staten ook als zodanig aan te merken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de door Obama veel gebruikte drone-aanvallen, zoals journalist Glenn Greenwald heeft beargumenteerd. En dit soort terrorisme is volgens Noord-Amerikaanse politicoloog Gregory Holdyk vele malen dodelijker dan het terrorisme van niet-statelijke actoren.

Conclusie
In conclusie: de islam motiveert terroristen niet; het is onrecht dat mensen aandrijft tot terrorisme. In dat licht wordt de islam ge- en misbruikt voor hun eigen belangen en doeleinden. Dit onderscheid is cruciaal, want het is niet alleen een semantieke discussie. Terreur koppelen aan de islam, zoals in een later artikel zal blijken, speelt in en vergroot islamofobe denkbeelden, en wordt doelbewust ingezet ter rechtvaardiging van (geo)politieke ambities.

De cijfers
Hoe zit het dan met de cijfers? Worden de meeste aanslagen dan niet gepleegd door takfiri terroristen? Zitten we nu niet in het midden van een ‘gouden tijdperk’ van terrorisme? In het volgende stuk zal blijken dat dit een stuk genuanceerder ligt. Aanslagen gepleegd door al-Qaida, Daesh en de gelijken behoren namelijk tot de minderheid en de meeste doden in het westen vallen niet in West-Europa of de Verenigde Staten, maar in Oost-Europa. Takfiri terrorisme is in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen, en dodelijker geworden, maar dat kan niet los worden gezien van de nieuwe strijdvelden van de zogeheten War on Terror (bijv. Libië en Syrië) – en in die gebieden vallen ook de overgrote meerderheid van de slachtoffers. Hierover meer in het volgende artikel.

[i] Kundnani gebruikt in zijn boek (het Engelse) reformist”. Ik kies gemakshalve voor liberaal

Kan Turkije’s voorgenomen luchtsteun aan rebellen in Syrië uitkomen in voordeel van Al-Qaida?

De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, heeft onlangs bekend gemaakt dat Ankara luchtsteun gaat leveren aan Syrische rebellen. Samen met het Obama regime zal Turkije deze operatie uitvoeren. Eerder probeerde het Erdogan regime om een bufferzone én no-fly-zone af te dwingen. Wat Ankara met dit beleid feitelijk poogt is het opbreken van Syrië.

tank

Uit onlangs vrijgekomen Noord-Amerikaanse documenten blijkt dat een soortgelijk streven de basis vormde voor Turkse steun aan de Islamitische Staat (IS of Daesh). Uit het inlichtingendocument blijkt dat het uitroepen van een “Salafist principality” in het oosten van Syrië exact is wat de oppositie – inclusief Turkije – wilde, met het volgende als doel: “to isolate the Syrian regime, which is considered the strategic depth of the Shia expansion (Iraq and Iran)”.

Het heeft er alle schijn van dat Ankara haar invloed in Syrië wilt vergroten door een ministaat gerund door de rebellen te steunen.

Bewijs hiervoor wordt gevonden in de gewapende groepen die gesteund worden door Ankara: Jaish al-Fatah, ofwel het Leger der Verovering. Deze alliantie wordt gedomineerd door takfiri doodseskaders, waaronder al-Qaida’s officiële tak in Syrië (Jabhat an-Nusra, die tevens is voortgekomen uit IS), Ahrar ash-Sham (die door Washington bestempeld is als een terroristische organisatie) en de Moslimbroederschap. De enige noemenswaardige ‘gematigde’ gewapende groep in de alliantie is Fursan al-Haq. Echter, zoals ik hier ook heb beargumenteerd, dienen ‘gematigde’ groepen slechts als een front om westerse hulp te legitimeren.

Sheher2

De Al-Qaida gelieerde milities die het Jaish al-Fatah opmaken willen niets anders dan hun eigen kalifaat stichten en zijn daar hard op weg naar toe. De takfiri alliantie heeft in de afgelopen maanden veel terrein winst weten te boeken. Dit offensief zou niet mogelijk zijn geweest zonder hulp van Ankara (en Riyadh én Washington). NU.nl berichtte het volgende over de Turkse steun bij dit offensief:

“De Verenigde Staten bekijken de ontwikkelingen naar alle waarschijnlijkheid met argusogen: onder de Syrische rebellen zijn veel jihadistische splintergroeperingen, waaronder het aan al-Qaeda gelinkte al-Nusra Front. “

Met andere woorden, Turkse, Saoedische en Noordamerikaanse hulp komt uit bij al-Qaida gelieerde milities in Syrië.

Ankara en Washington beweren Jaish al-Fatah enkel te helpen in strijd tegen Daesh. Oftewel, al-Qaida helpen tegen het ideologisch gelijkgestemde ISIS. Uit het eerdergenoemde inlichtingendocument blijkt daarnaast dat de IS niet altijd het doelwit is. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken laat in de Britse The Guardian vallen wie wél de echte opponent is:

“While the fight against [the Islamic State group] is prioritised, the [Syrian] regime must be also stopped.”

Hieruit volgt dat de luchtsteun aan Jaish al-Fatah eigenlijk bedoeld is om te helpen in strijd tegen een gemeenschappelijke vijand: de Syrische regering. Anders gezegd: mocht Turkije luchtsteun leveren aan de rebellengroep Jaish al-Fatah, dan is de kans groot dat die steun in het voordeel van al-Qaida in Syrië zal uitvallen.