Waarom “islamitisch” terrorisme niet bestaat

Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;


 

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Voorstanders van de liberale kijk nemen een genuanceerde positie in. Zij stellen dat extremisme een perversie is van de boodschap van Islam en het resultaat van “twentieth-century ideologues who transformed Islam’s essentially benign teachings into an anti-modern, totalitarian, political ideology”. In deze kijk is het dus geen kwestie van een botsing der beschavingen als bij de culturalistische variant. Het is echter een strijd tussen een apolitieke, traditionele Islam die verenigbaar is met westerse waarden versus een totalitaire en extremistische interpretatie met als resultaat een politieke, gewelddadige ideologie. Anders en simpel gezegd: het probleem ligt niet bij alle moslims, maar bij de marge.

Kundnani meent echter dat beide theorieën weinig verklarend vermogen bezitten. Het laakt volgens de wetenschapper aan empirisch bewijs om de stellingen te onderbouwen. In zijn boek The Muslims Are Coming! Islamophobia, Extremism and the Domestic War on Terror (2014) stelt de Indiaas-Britse intellectueel: “there is no demonstrable cause and effect between holding an Islamist ideology and committing acts of terrorist violence” Oftewel, er bestaat geen oorzaak-gevolg relatie tussen het aanhangen van de Islam en het plegen van terroristische aanslagen.

Geen empirisch bewijs
Er is al lange tijd hier kritiek op en die richt zich met name op de modellen die gebruikt worden om radicalisering te verklaren. Kundnani levert daar in zijn boek vernietigend kritiek op. De Brits-Bengaalse terrorisme-expert Nafeez Ahmed doet dat ook in dit kritische stuk. Ahmed laat zien dat er in de afgelopen 40 jaar weinig overtuigend onderzoek is geleverd om empirisch aan te tonen dat het aanhangen van een religie mogelijk kan leiden tot terrorisme.

Vorig jaar werd dat nogmaals bevestigd in een VN-rapport voor de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ben Emmerson, Britse VN-rapporteur voor Counterterrorisme en Mensenrechten, bekritiseerde de vele programma’s gericht op radicalisatie, omdat ze gebaseerd zijn op a simplistic understanding of the process as a fixed trajectory to violent extremism with identifiable markers along the way”.  Er is namelijk niet één hoofdoorzaak aan te wijzen, maar meerdere factoren die bij elk individueel geval op verschillende punten en niveaus samenkomen. Waarom deze (simplistische) modellen alsnog gebruikt worden heeft volgens Emmerson te maken met de functionaliteit. Overheden hoeven dan geen aandacht te schenken aan “the more complex issues, including political issues such as foreign policy and transnational conflicts”. Hierdoor is er teveel focus op “religious ideology as the driver of terrorism and extremism, while factors related to identity, or misguided altruism, are overlooked”.

Eén geval waarin dat sterk naar voren komt is één van de 7/7 aanslagplegers, genaamd Germaine Lindsey. Deze man doodde op 7 juli 2005 in Londen 26 man en verwondde 340. Het verhaal van deze terrorist luidt als volgt: Lindsey werd geboren in Jamaica in 1985 en zijn moeder bekeerde zich tot de islam toen hij 15 was. Hij volgde haar snel op. Nadat zijn moeder vertrok naar de V.S., schijnt hij zich bezig te hebben gehouden met het verkopen van drugs en andere lichte vergrijpen. Vrienden en kennissen deelden mee dat hij vaak zijn ongenoegen uitte over het racistische Engeland. Lindsey deed in oktober 2002 mee met de nationale demonstraties tegen de oorlog in Irak en voor de rechten van Palestijnen. Daar ontmoette hij een vrouw waarmee hij later zou trouwen en twee kinderen krijgen. In 2005, het jaar van de aanslag, was hij negentien jaar. Kundnani merkt op dat het verhaal van Lindsey meestal compleet genegeerd wordt door deskundigen, want: “there was nothing in this story to correspond tot the generally accepted radicalization models”. Met andere woorden, de culturalistische en liberale theorieën houden niet staande tegen de levensloop van Lindsey.

 

Wat terroristen wél motiveert: (gevoel van) onrecht
Er zijn verschillende studies uitgevoerd die zich richten op de motivatie van terroristen. Deze komen over het algemeen tot soortgelijke bevindingen: het is het gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) dat mensen aandrijft tot terrorisme.

Een vaak aangehaalde onderzoek is die van politicoloog Robert Pape. De Noord-Amerikaanse wetenschapper onderzocht 315 gevallen van zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2003 en kwam tot de ontdekking dat 95% van de gevallen niet gemotiveerd waren door religie. Pape concludeert dat de werkelijke oorzaak ligt bij militaire bezetting: “suicide terrorism is mainly a response to foreign occupation”.

Dat is een conclusie die ook gedeeld wordt onder FBI-agenten. Die stellen dat “homegrown terrorists (…) frequently believe the U.S. military is committing atrocities in Muslim countries, thereby justifying their violent aspirations”. Een jaar na de illegale inval van Irak werd dat ook bevestigd door een rapport opgesteld in opdracht van de toenmalige minister van Defensie, Donald Rumsfeld. In het rapport (2004) staat dat als volgt omschreven: “Muslims do not ‘hate our freedom,’ but rather, they hate our policies”. Sindsdien zijn er vele onderzoeken gepubliceerd die tot gelijke conclusies zijn gekomen (zie bijvoorbeeld hier, hier, hier, hier, hier en hier).

Kortom, het is politiek, en niet religie, die mensen motiveert tot het plegen van gewelddaden.

Terroristen: onrecht primaire motivator extremisme
De terroristen beamen bovenstaande onderzoeken. Neem de oprichter van al-Qaida. Osama bin Laden viel naar eigen zeggen de Verenigde Staten (VS) aan uit onvrede over de aanwezigheid van Noord-Amerikaanse troepen in het Saoedische koninkrijk. Dat was voor Bin Laden onacceptabel omdat het land thuis is voor de twee meest heilige steden van de Islam (Mekka & Medina). Bin Laden’s had het daarom tot zijn levensmissie gemaakt om de Noord-Amerikanen te verdrijven uit Saoedi-Arabië.

Of Khalid Sheikh Mohammed. Volgens het 9/11 Commission Report was Mohammad, de architect van de 9/11 aanslagen, niet negatief beïnvloed door zijn studentenperiode in de VS, maar “from his violent disagreement with U.S. foreign policy favoring Israel”. Tevens is dat op te merken bij de nieuwe lichting terroristen – de Syriëgangers. In een eerder stuk schreef ik over de motivatie van jonge Nederlanders om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij een van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. In gesprek met CBS zei de Turks-Nederlandse Yilmaz dat hij gemotiveerd werd door de beelden van onbeschrijflijke pijn en lijden in de oorlog in Syrië en dat hij daardoor “felt the need (…) to stand up and do stuff”. Syriëganger Maher C. ging omdat hij geprikkeld werd door “[h]et onrecht dat zich – veroorzaakt door het onderdrukkende regime van Assad – in Syrië afspeelde”. De conclusie is hier dan ook: een gevoel van onrecht (reëel of gepercipieerd) motiveert mensen om eigenhandig actie te ondernemen (en dus niet religie).

 ‘Koran for Dummies’
Desondanks zijn er onderzoekers die alsnog stellen dat religie wél een factor speelt in de motivatie van terroristen. Die stelling houdt echter ook niet lang vol als er gekeken wordt naar de religieuze kennis of religiositeit van terroristen. Neem de twee jonge Britse uitreizigers, die in 2014 veroordeeld waren voor hun deelname aan de oorlog in Syrië, en net voor hun vertrek naar het oorlogsgebied boeken als “Islam for Dummies” en “The Koran for Dummies” hadden gekocht. Dat haalt het narratief van religieus gemotiveerde of geïnspireerde terroristen sterk onderuit.

Dat wordt  nog eens bevestigd door journalisten die in aanraking zijn gekomen met Syrische oppositiegroepen als het Vrije Syrische Leger en de verschillende al-Qaida gelieerde doodseskaders. Eén van die journalisten was de Franse Didier François die gevangen was genomen door Daesh. De Fransman zei in gesprek met CNN’s Christian Amanpower, over de religiositeit van Daesh-terroristen: “It was more hammering what they were believing than teaching us about the Quran. Because it has nothing to do with the Quran.” En verder: “We didn’t even have the Quran. They didn’t want even to give us a Quran.” Het is daarom af te vragen welke en in hoeverre religie een rol speelt bij terroristen.

Religie: ter rechtvaardiging & identiteit
Psychiater Marc Sageman heeft een antwoord daarop. Sageman, een voormalige CIA-officier en bekend van het boek The Black Banners: the Inside Story of 9/11 and the War Against al-Qaeda (2011), zegt, in gesprek met de Brits-Indiaanse journalist Mehdi Hassan, dat religie geen motiverende rol speelt, maar een rechtvaardigend. Terroristen gebruiken religie om hun wandaden goed te praten. Wat heeft Sageman gedaan om als expert te worden aangemerkt?

Mehdi Hassan ziet dat o.a. sterk terugkomen bij Khalid Masood – de 52-jarige man die op 22 maart jl. inreed op een groep mensen op de Westminster Bridge en daarbij 6 burgers (waaronder een agent) doodde. Masood bekeerde zich in 2003 tot het salafisme, maar maakte zich al lang daarvoor schuldig aan allerlei strafbare feiten en geweldsuitspattingen. Hassan twijfelt daarom of religie de primaire motivator was en dat Masood hoogstwaarschijnlijk in die distorted, simplistic and politicized form of Islam [red. oftewel, het jihadi-salafisme] (…) [saw] a ready-made justification for his violence”.

Religie wordt daarnaast gebruikt om hun identiteit te vormen, volgens Sageman. Extremisten die de islam (hoe verdraaid ook) omarmen voelen zich deel van de Ummah en verbonden met hun geloofsgenoten – en handelen ook daarnaar. Dus wanneer zij gruwelijke beelden zien uit conflictgebieden als Syrië en Kasjmir raken ze gemotiveerd; ze willen iets doen tegen het onrecht dat ‘hun mensen’ wordt aangedaan. Doodseskaders als Daesh en al-Qaida spelen daarop in door een antwoord te bieden.  Sageman zegt derhalve: “[i]t’s not about religion, it’s about identity (…) You identify with the victims, [with] the guys being killed by your enemies”.

 

Islamisatie van radicalisme
Met de nieuwe slag terroristen, waarmee voornamelijk maar niet uitsluitend Syriëgangers wordt bedoeld, is een nieuwe groep ontstaan die zich nog moeilijker laat categoriseren. Er is namelijk niet een eenduidig profiel op te maken vanwege de enorme diversiteit aan achtergronden (e.g. witte bekeerlingen, meiden, geprivilegieerde mensen etc.). De Franse Islamkenner Olivier Roy heeft een poging gewaagd om de gemeenschappelijkheden onder westerse Syriëgangers te identificeren. Hoewel dat geen eenvoudige taak is, kwam Roy tot de volgende kenmerken:

  • Ze behoren tot de tweede generatie;
  • Doen overal goed mee met de samenleving;
  • Hebben een geschiedenis van (kleine) misdaad;
  • Zijn geradicaliseerd in gevangenis;
  • Hebben de wens om te sterven bij de uitvoering van de aanslag (bij voorkeur in strijd tegen de politie).

Uit bovenstaande opsomming valt op dat een religieuze achtergrond ontbreekt. Waarom kiest deze groep dan alsnog voor een verdraaide interpretatie van de islam? Roy zegt daarop het volgende:

They do not become radicals because they have misread the texts or because they have been manipulated. They are radicals because they choose to be, because only radicalism appeals to them.

 Een ander gemeenschappelijk kenmerk is dat de extremisten vrijwel allen herboren moslims zijn. Na een periode van alcohol drinken, lichte criminaliteit, uitgaan etc., besluiten ze plots om hun leven religieus in te vullen. Deze plotselinge omschakeling was op te merken bij de Abdeslam broeders – de verantwoordelijken voor de beruchte Bataclan-slachting in Parijs. Van deze terroristen is bekend dat ze voor het plegen van de gewelddaad een bar hadden in Brussel. Zij zijn echter niet de enige.

Inderdaad, uit uitgelekte documenten van Daesh – waardoor geheime en gedetailleerde informatie van meer dan 4,000 buitenlandse strijders openbaar werd – blijkt dat de meeste militanten slechts over basiskennis van de Islam te bezitten. Ze zijn wel relatief hoog opgeleid zijn, maar 70% geeft aan beginners te zijn in het geloof.

Één van hen (met basiskennis van de Sharia) was de Franse Karim Mohammad-Aggad, wiens broer, Foued, een van de drie mannen was die de slachtpartij in de Franse Bataclan aanrichtte. Tegen de rechter zei Karim Mohammad-Aggad over zijn tijd bij Daesh: “My religious beliefs had nothing to do with my departure”. Aggad zei dat de islam gebruikt werd om hem in de val te lokken naar Syrië. Olivier Roy schaart zich dus achter de eerdergenoemde experts en concludeert: “[w]e must understand that terrorism does not arise from the radicalisation of Islam, but from the Islamisation of radicalism”.

 

 Voorbij “islamitisch” terrorisme
Zoals Islamkenner Karin Armstrong terecht opmerkt: als we de IRA niet categoriseren of omschrijven als een katholieke terreurgroep, waarom noemen al-Qaida dan een “islamitische” terreurorganisatie?

Dat is ten eerste foutief, omdat, in de woorden van activist Abdul Cader Asmal, there is nothing ‘’Islamic’ about them”. Terrorisme druist namelijk op elk vlak in tegen de leer van de islam. Ten tweede, terrorisme is ook geen jihad. Jihad betekent geen “heilige oorlog”, maar “inzet” of “struggle”. In de islam wordt onderscheid gemaakt tussen de grote en kleine jihad. De kleine jihad betreft fysieke handelingen. De grote jihad is de struggle tegen de nafs (vrij vertaald: ego). Al-Qaida’s handelingen als jihad labelen is dus een misvatting.

Dit is in overeenstemming met wat moslims en islamitische geleerden reeds jarenlang zeggen. Zij beschouwen terrorisme als onislamitisch. Een aantal voorbeelden:

  • In september 2014 schreven meer dan 120 islamitische geleerden een 18 pagina’s tellende brief aan de leider van Daesh, Abu Bakr el Baghdadi, en ontkrachtten punt voor punt al zijn argumenten;
  • Eind 2015 kwamen 70.000 imams in India bijeen om middels een fatwa al-Qaida en Daesh te bestempelen als onislamitisch;
  • In augustus 2016 kwamen 30.000 moslims in het Verenigd Koninkrijk bijeen om Daesh te verwerpen;
  • En verder: hier 100+ moslimgeleerden en –organisaties die Daesh hebben veroordeeld, hier na Charlie Hebdo en hier na 9/11.

 

Samengevat: de islam motiveert gelovigen niet om aanslagen te plegen, noch worden terroristen daardoor gemotiveerd. Het benoemen als “islamitische terrorisme” is daarom onjuist.

Waarom noemen we dan al-Qaida en Daesh terroristisch? Omdat het dat is wat het primair is: terrorisme. Activisten als Abdul Cader Asmal hebben gepoogd om deze vorm van terrorisme te linken aan de grondlegger: Osama bin Laden. Asmal spreekt daarom van: Binladenisme.

Daarnaast is er groeiende voorkeur binnen de islamitische wereld om te spreken van takfiri terrorisme – takfir is het verketteren van andersgelovigen. Terreurgroepen als al-Qaida en Daesh legitimeren het doden van hun tegenstanders door ze buiten het geloof te plaatsen. Daarmee omzeilen ze de islamitische traditie en gewoonte om niet te moorden (buiten specifieke oorlogssituaties om). Tevens tonen ze hiermee aan dat ze de islam slechts gebruik voor de rechtvaardiging van hun eigen belangen en doeleinden.

Kanttekening: normalisatie van terrorisme
Het uitspreken tegen terrorisme door moslims is een natuurlijke reactie op dat soort barbarisme. Ook in Nederland hebben we onlinecampagnes tegen terrorisme gezien, zoals de hashtag #nietmijnislam. Hoewel dergelijke uitingen begrijpelijk zijn, plaatst dekoloniale wetenschapper Sohail Daulatzai zijn kanttekeningen. De Pakistaans-Amerikaanse intellectueel stelt dat we waakzaam moeten zijn voor de normalisatie van terrorisme.

Een typische reactie vanuit de moslimgemeenschappen na aanslagen van Charlie Hebdo en Brussels is om het toe te schrijven aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen. Het problematische hieraan, volgens Daulatzai, is dat ze daarmee ‘iets’ aanwijzen als terrorisme en daarmee op gevaarlijk terrein komen. Want op het moment dat er iets abstracts als terrorisme kan worden aangewezen, met de legitieme steun van moslims, kan de staat overgaan op:

“to crack down and to narrow the scope of dissent, to violate civil liberties, to torture, to detain, to deport, to invade, to bomb, to kill and to do a whole host of things because there’s a thing called terrorism that everyone accepts as threatening.”

We worden hieraan herinnerd o.a. door Guantanamo Bay en de illegale inval van Irak. Beide werden (en worden) steevast gerechtvaardigd als noodzakelijke maatregelen in de strijd tegen ‘terrorisme’. Daarnaast laten wetenschappers als Arun Kundnani en Hatem Bazian zien hoe de oorlog tegen terrorisme ook een binnenlands aspect kent: het inperken van civiele vrijheden en zelfs fundamentele verworvenheden. Een kritische blik is dus geboden.

Een tweede reden waarom Daulatzai oproept tot voorzichtigheid is dat er zo een onderscheid gecreëerd wordt tussen “good” en “bad Muslims”, tussen gewone burgers en terroristen. Daulatzai stelt dat dit onderscheid een opening creëert voor de staat om in te springen en uit te buiten. We leven immers niet in een vacuüm, maar in een politieke realiteit gekenmerkt door raciale machtsverhoudingen (i.e. witte suprematie & islamofobie). Deze politieke realiteit ontneemt de individualiteit van (geracialiseerde) moslims. In de praktijk zien we dit o.a. bij veiligheidscontroles in de luchthaven, waarbij de lichamen van burgers met een “moslim-achtig uiterlijk” – wat dat ook moge zijn – verdacht zijn.

Bij tot wit gemaakte mensen is het tegenoverstelde op te merken; hun individualiteit wordt wél gerespecteerd. Wanneer een witte extremist als Breivik in Noorwegen of Tristan van der Vlis in Alphen aan den Rijn een slachtpartij aanricht, zorgt dit niet ervoor dat witte mensen etnisch geprofileerd worden. Of dat een racistische inreisverbod in het leven wordt geroepen om burgers uit witte landen te weren. Witte terroristen worden gezien “as troubled individuals, exceptions to a white norm,” aldus Daulatzai.

De Amerikaans-Pakistaanse intellectueel stelt daarom dat (geracialiseerde) moslims waakzaam moeten zijn om te blijven hangen in dergelijke campagnes, omdat daarmee de oorzaken van systematisch geweld niet worden aangepakt en die zijn: “white supremacy, capitalism, patriarchy and empire”. De wetenschapper gaat verder en zegt: “[i]f this recognition doesn’t happen, the country will continue to deal with the symptoms and not the problem, like a dog chasing its own tail”.

Inderdaad, terrorisme-expert Nafeez Ahmed heeft berekend dat de zogeheten War on Terror tot wel vier miljoen slachtoffers heeft geleid (vooral moslims). Verder erkende zelfs voormalig president Obama dat een van de (onbedoelde) gevolgen van de War on Terror het ontstaan van terreurgroep Daesh is. De War on Terror leidt dus tot meer pijn en lijden, en wanneer we vaststellen dat onrecht de primaire motivator is van terrorisme, heeft het volgens Daulatzai meer zin om de aandacht te richten op de bron van onrecht (zoals War on Terror) dan door mee te gaan in de dominante lezing (bijv. “het ligt aan een groepje radicalen binnen de gemeenschappen”).

Staatsterrorisme
Een ander aandachtspunt heeft betrekking tot het begrip terrorisme. Zoals wijlen Eqbal Ahmed ons leert, wordt dit niet consequent toegepast en is het afhankelijk van de geopolitieke context. De Pakistaanse intellectueel wijst op de hypocrisie van de VS om dezelfde groepen eerst als vrijheidsstrijders neer te zetten en vervolgens als terroristen. Hij verwijst naar de Afghaanse Moedjahedien, die eerder door president Ronald Reagan werden omschreven als “the moral equivalence of the Founding Fathers”. Toen het nut van deze krijgsheren verdween, schoven hun ideologische opvolgers, de Taliban, op van vrijheidsstrijders naar terroristen.

Daarnaast is terrorisme niet alleen voorbehouden aan niet-statelijke actoren als Daesh. Terrorisme wordt meestal op arbitraire wijze gedefinieerd en onderscheiden van andere geweldsdaden die als normaal, rationeel of noodzakelijk worden gezien. Normaliter wordt bij terrorisme gedacht aan aanslagen door al-Qaida e.d., maar niet aan drone-aanvallen of het droppen van een bijna 10.000 kg wegende bom op een al gehavende land als Afghanistan. Integendeel: dat wordt gezien als ‘normaal’ of  als ‘collateral damage’. Maar wanneer we terrorisme definiëren als geweld tegen onschuldige burgers met een politiek doel, dan is het militaire geweld van vele westerse staten ook als zodanig aan te merken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de door Obama veel gebruikte drone-aanvallen, zoals journalist Glenn Greenwald heeft beargumenteerd. En dit soort terrorisme is volgens Noord-Amerikaanse politicoloog Gregory Holdyk vele malen dodelijker dan het terrorisme van niet-statelijke actoren.

Conclusie
In conclusie: de islam motiveert terroristen niet; het is onrecht dat mensen aandrijft tot terrorisme. In dat licht wordt de islam ge- en misbruikt voor hun eigen belangen en doeleinden. Dit onderscheid is cruciaal, want het is niet alleen een semantieke discussie. Terreur koppelen aan de islam, zoals in een later artikel zal blijken, speelt in en vergroot islamofobe denkbeelden, en wordt doelbewust ingezet ter rechtvaardiging van (geo)politieke ambities.

De cijfers
Hoe zit het dan met de cijfers? Worden de meeste aanslagen dan niet gepleegd door takfiri terroristen? Zitten we nu niet in het midden van een ‘gouden tijdperk’ van terrorisme? In het volgende stuk zal blijken dat dit een stuk genuanceerder ligt. Aanslagen gepleegd door al-Qaida, Daesh en de gelijken behoren namelijk tot de minderheid en de meeste doden in het westen vallen niet in West-Europa of de Verenigde Staten, maar in Oost-Europa. Takfiri terrorisme is in de afgelopen jaren weliswaar toegenomen, en dodelijker geworden, maar dat kan niet los worden gezien van de nieuwe strijdvelden van de zogeheten War on Terror (bijv. Libië en Syrië) – en in die gebieden vallen ook de overgrote meerderheid van de slachtoffers. Hierover meer in het volgende artikel.

[i] Kundnani gebruikt in zijn boek (het Engelse) reformist”. Ik kies gemakshalve voor liberaal

De geopolitieke context van de Atatürk Airport terreuraanslag: cui bono?

Er is inmiddels al veel en vanuit verschillende hoeken geschreven over de terreuraanslag op Turkije’ grootste vliegveld, Atatürk Airport. Het geopolitieke aspect is echter wat me enorm interesseert. Hoewel er meerdere aanslagen zijn gepleegd in het afgelopen jaar, steekt deze, op het vliegveld, er boven uit. Dit heeft te maken met de geopolitieke context waarin deze aanslag gebeurd en de politieke geschiedenis van Turkije.
In de afgelopen weken was namelijk de contouren van een nieuw Turks (en post-Davutoglu) buitenlandbeleid op te merken, door: 1) het ontslaan van premier en tevens architect van Erdogan’s (voormalig) buitenlandbeleid, Ahmet Davutoglu; 2) normalisatie met Israël en 3), wellicht wel belangrijkste, rapprochement met Moskou.
Wat dan, heeft de aanslag met deze veranderende geopolitieke context te maken?
Geopolitieke prikkels
Om op bovengestelde vraag antwoord te geven moet als eerst onderzocht worden waar Ankara naar streeft. Oftewel, wat heeft de nieuwe geopolitieke context doen verschuiven?
De regering-Erdogan volgt wat sommige analisten een “neo-Ottomaanse” beleid noemen. Kort gezegd: Turkije moet volgens deze visie streven om haar eens verworven status als regionale grootmacht te heroveren. Davutoglu noemde deze zoektocht een “great restoration”.
Binnen dit kader, en in de context van de ontwikkelingen rondom Syrië, heeft de regering-Erdogan de volgende doelstellingen opgesteld:
  1. Turkije te positioneren als centrale doorvoerland tussen Europa en Azië;
  2. Het voorkomen van de vorming van een Koerdische staat in het noorden van Syrië

Betreft punt 1): De oorlog in Syrië is in vele opzichten een energie-oorlog. Syrië vormt door haar geostrategische ligging, net als Turkije, een belangrijke kruising in de energienetwerken, met name voor gaspijplijnen vanuit Iran en Qatar, en Erdogan wilt dat die pijplijnen, op weg naar de Europese markten, eerst langs Syrië en vervolgens Turkije gaan lopen. Daarmee hoopt Ankara haar machtspositie te vergroten. De Syrische president, Bashar al-Assad, had daar andere plannen over: hier meer daarover.

Dat was één van de hoofdredenen voor Erdogan om Assad te verdrijven en vervangen met een onderdanige cliëntregime, middels een bonte verzameling aan gematigde tot al-Qaida gelieerde milities (waaronder Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham). Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter gedwongen om het vigerend beleid te herzien. Een aantal van deze ‘push’-factoren zijn:
  1. Economische vooruitzichten zijn somber;
  2. Oorlog met PKK destabiliseert het land en heeft 200.000 vluchtelingen veroorzaakt;
  3. Extreme toename IS-aanslagen en andere, terroristische groeperingen;
  4. Russische interventie in Syrië heeft ervoor gezorgd dat Assad voorlopig nog aan de macht blijft (het verdrijven van de Syrische leider was één van de hoofdprioriteiten van Erdogan);
  5. Toetreding tot EU loopt op niets uit;
  6. 2+ miljoen Syrische vluchtelingen legt hevige druk op het land;
  7. Syrische Koerden zijn hard op weg om een eigen staat te vormen in noord-Syrië — een rode lijn voor de Turkse staat.

Betreft punt 2): in de afgelopen weken en maanden is gebleken dat Noord-Amerikaanse, Britse, Duitse en Franse special forces op dit moment aanwezig zijn in noorden van Syrië (ie. zonder toestemming van de regering in Damascus). Ze vechten daar zij aan zij met de Koerdische groepen tegen terreurgroep IS.

Die westerse aanwezigheid (in het noorden van Syrië) wordt door zowel Damascus als Ankara met argusogen bekeken. Zij zien daarin impliciete support áán én vóór een (semi-)onafhankelijke Koerdistan. Dat is iets waar zowel Ankara als Damascus niet willen en zullen laten toestaan. President Assad heeft namelijk al aangegeven alle (verloren) terrein terug te willen heroveren en de vorming van een Syrisch-Koerdistan wordt door Turkse beleidsmakers gezien als een bedreiging voor haar territoriale integriteit.

Anders gezegd: Turkije als Syrië zien binnen een prospect Syrisch-Koerdistan gemeenschappelijke doelen. Het is in dit perspectief dat de heimelijke onderhandelingen tussen Turkse en Syrische officials (gestart sinds april 2016 via Algerije) bezien moet worden: beide partijen proberen hun oppositionele beleid tegen de Koerden te harmoniseren.

Samenvattend: twee van Turkije’ hoofddoelen zijn in de afgelopen periode in gevaar gekomen: 1) het positioneren van Turkije als een cruciale doorvoerland en 2) de vorming van een Syrisch-Koerdistan.

Genoeg prikkels voor Erdogan om van beleid te veranderen, en dat deed hij ook:
  • sinds april 2016 praat Ankara weer met Damascus, dit gebeurde met hulp van Algerije.
  • het afzetten van Davutoglu, de architect van het voormalig buitenlandse beleid van Erdogan.
  • normalisatieproces op gang gezet met Israël ondanks een lopende rechtszaak (mbt het humanitaire schip Mavi Marmara, het liquideren van Turkse activisten en het opheffen van de blokkade op Gaza).
  •  excuses geboden aan Poetin voor het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig (november 2015).
De (Euraziatische) toon is gezet
Turkije zette hiermee stappen naar een meer gebalanceerd buitenlandbeleid, als brug tussen Europa en Azië. Dat wordt onder meer weergegeven in de (militaire) allianties die Ankara wil aangaan: Turkije is reeds lid van de NAVO en meldde zich in 2015 aan om ook lid te worden van de Aziatische variant (de (Chinees-Russische geleide) Shanghai-samenwerkingsorganisatie). Dit weerspiegelt het streven van Turkije om zich te positioneren als verbindende natie tussen Oost en West.
Binnen dit raamwerk moet de rappochement met Rusland en normalisatie met Israël gezien worden: het verdiepen van het Euraziatische integratieproces. Dat wordt gedaan onder meer gedaan door de gaspijplijn met Israël te herstarten en, belangrijker nog, ook die met Rusland (genaamd Turk Stream). De Russische gaspijplijn zal worden verbonden met het zuidoosten van Europa, waardoor Turkije dichterbij haar “neo-Ottomaanse” streven zal komen om zich als cruciale doorvoerland te positioneren (kort omlijnd hierboven).
Erdogan’s re-oriëntatie moet echter ook niet overschat worden: Turkse militaire eenheden staan nog steeds klaar langs de Syrische grenzen en de veiligheidsdiensten faciliteren nog steeds de bonte verzameling aan jihadisten naar Syrië. Cruciaal is echter dat de toon gezet is.
Turkse re-oriëntatie versus aanslag airport
Hoe kruist deze Turkse geopolitieke re-oriëntatie met de terroristische aanslag op Atatürk Airport?
Een voorbeeld uit het verleden wordt gehaald om deze aanslag in perspectief te plaatsen: de eerste coup in Turkije was tegen de regering van Adnan Menderes (Democratische Partij). Deze coup, uitgevoerd door het leger, was gedaan omdat Menderes ontevreden was over de macht en invloed van de VS over de Turkse veiligheidsdiensten. Tevens uitte hij kritiek uit op de structurering van het westerse alliantiesysteem en zocht derhalve toenadering tot de Sovjet-Unie, zoals hier uitgelegd wordt:
“As a matter of fact, Menderes was not content with the structure and control the CIA had within Turkey’s National Intelligence Organization (MİT). The U.S. even paid MİT officers’ salaries. Menderes’s visit to Moscow in order to prevent the intervention and find support for his cause irritated the U.S. Moreover, Menderes’s collaboration with Iran, Iraq and Pakistan via the Central Treaty Organization (CENTO) scared the U.K.”
Dat was aanleiding voor de coup. Nadat de coup succesvol was verlopen, spraken de coupplegers onmiddelijk hun steun uit voor en om onderdeel te blijven van het westerse alliantiesysteem:
“Our goal is the full observance of the U.N. Charter and Universal Declaration of Human Rights. Great Atatürk’s ‘Peace at home, peace at world’ principle is our flag. We are loyal to all our alliances and commitments. We are a part of NATO and CENTO,”
Dit was aanleiding voor vele analisten om te suggereren dat deze coup uitgevoerd werd op goedkeuren én bevel van Washington. De vraag is: is een zelfde model toegepast op Turkije? En indien dat het geval is: wat staat Erdogan en Turkije nog meer te verwachten?

Pijn en lijden in Madaya, Syrië, voer voor oppositiepropaganda

Donderdag 7 januari 2016 kwam het bericht naar buiten dat burgers in de Syrische stad Madaya, ten westen van hoofdstad Damascus, veroordeeld zijn tot de hongerdood. Al Jazeera+ wijdde er een video aan en beweert dat er reeds bewoners zijn omgekomen door het gebrek aan eten en hulp. Volgens het medium is het gebrek ontstaan door een blokkade van hulpgoederen en is vermoedelijk opgelegd door de Syrische overheid (of de aan hen gelieerde groepen).

De realiteit is echter complexer dan dat. Zoals wel vaker is voorgevallen in de afgelopen vijf jaar, het is juist de oppositie die de condities van een tragedie creëert om vervolgens aan de hand van de reactie van de pro-Assad kamp de schuld op hen af te schuiven. Dat is een beproefde methode, die tevens ondersteuning krijgt van anti-Assad zenders zoals Al Jazeera. De in Doha gevestigd nieuwszender heeft in het verleden laten zien te fungeren als een megafoon voor propaganda van de Assad-oppositie, en doet dat met Madaya weer.

Map Syrië (Madaya ten westen van hoofdstad Damascus)

De situatie rondom Madaya
Om de situatie in Madaya te begrijpen is (een korte introductie van) de militaire context noodzakelijk. Grote delen ten westen van hoofdstad Damascus, aan de grens met Libanon, de Qalamoun Bergen, kwamen na het begin van de opstand in controle van allerlei terroristische groeperingen. Denk hierbij aan de aan al-Qaida gelieerde milities Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham (AS).

Om dit strategisch gebied te bevrijden startte Hezbollah, in samenwerking met het Syrische leger, midden 2015 een groot offensief tegen alle terroristische groeperingen die actief zijn in die regio. Inmiddels zijn de Qalamoun Bergen grotendeels bevrijd.

Sinds eind september 2015 is een wapenstilstand onderhandeld tussen Hezbollah en het leger en de oppositie. Dit betreft de regio’s van Zabadani (waaronder ook Madaya) en het noordelijk gelegen Foua en Kefraya. In beide regio’s wordt de oppositie gedomineerd door Jabhat an-Nusra en AS – beiden zijn gelieerd aan al-Qaida. Ook facties van het Vrije Syrische Leger collaboreren met de terreurgroepen.

Madaya (alsmede Zabadani) zijn sindsdien omsingeld door de pro-Syrië groepen en in controle van de al-Qaida gelieerde doodseskaders. Deze terroristische groeperingen zijn feitelijk de baas in Madaya en regeren over een populatie van tussen de 20 en 30.000.

Waar zijn de hulpgoederen gebleven?
De berichtgevingen van Al Jazeera insinueren dat de blokkade van voedsel en hulp het werk is van de regering in Damascus. Het argument blijkt bij nadere inspectie niet te overtuigen. Hulporganisaties die actief zijn in Syrië – dat wil zeggen, die daar zijn met toestemming van en in samenwerking met Damascus – hebben namelijk meermaals aangegeven  dat de Syrische overheid humanitaire hulp en medicijnen heeft toegelaten. Zo maakte de VN in een statementgepubliceerd op 18 oktober 2015 bekend dat er humanitaire – en medische hulpgoederen geleverd zijn aan de burgers van Madaya (en Zabadani, Fua en Kefraya). In de statement staat het volgende hierover:

The humanitarian and medical supplies to Zabadani and surrounding towns were delivered from Damascus

Anders gezegd, de hulpgoederen zijn vanaf overheid gecontroleerde gebieden vertrokken én afgeleverd in Madaya (dat nabij Zabadani gelegen is). Oftewel, de Syrische overheid liet toe dat er hulpgoederen werden gedropt en werkte mee aan het humanitair programma.

In reactie op de berichtgevingen van mogelijke hongerdood in Madaya zegt de woordvoerder van de Internationaal Comité van het Rode Kruis, in gesprek met Mayadeen TV, dat de hulporganisatie inderdaad midden oktober 2015 daar voor het laatst goederen hadden afgeleverd. Ook namen ze aan dat het voldoende zou zijn voor twee maanden (dat wil zeggen, tot eind december 2015).

Daarnaast heeft Damascus meermaals geprobeerd om zieken en gewonden te evacueren van Medaya. The Guardian schreef op 29 december 2015:

Under the terms of the deal, (…), 126 people were evacuated from Zabadani and Madaya by land to Lebanon and then taken to Beirut where they were flown to Turkey.

Dat geeft aan dat de Syrische overheid meewerkt met de oppositiegroepen ten behoeve van de hulpvragers. Dit zou niet mogelijk zijn geweest indien Damascus een beleid voerde om de bewoners van Madaya en omstreken te ‘straffen’ en uit te hongeren, zoals beweerd wordt door de oppositie.

De vraag die rest is: wat is er met de hulp gebleven?

Wie blokkeert wat?
Om een antwoord op bovengestelde vraag te geven is het nodig om Madaya vanuit de huidige militair-politieke context te benaderen. Zoals eerder gezegd, Madaya wordt gecontroleerd door Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham. Met andere woorden, twee terroristische groeperingen die overal in Syrië chaos en verwoesting met zich hebben meegebracht.

De al-Qaida gelieerde doodseskaders hebben zich o.a. schuldig gemaakt aan: het onthoofden van burgers; minderheden levend verbranden in ovens; vrouwen executeren vanwege beschuldigingen van overspel; burgers als menselijk schild te gebruiken.

Het wijst erop dat ook het onthouden van vitale hulpgoederen ook op de rekening van Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham bijgeschreven kan worden. In deze video (geüpload op 6 januari 2016) is te zien hoe burgers zich uitspreken tegen de blokkade van voedsel tegen de aanwezige militanten. ‘Heb jij niet honger? Wij hebben honger!’ is één van de demonstranten horen te zeggen. Dit geeft aan dat de bewoners van Madaya het gevoel hebben dat er voedsel en hulp is en deze aan hen onthouden wordt.

Soortgelijke beschuldigingen tegen de oppositie waren ook te horen bij een demonstratie in Madaya gedateerd 29 november 2015. In deze video is de nationale vlag van Syrië te zien en zijn overduidelijk pro-Assad en leger kreten te horen alsmede hun afkeer van de oppositie naar wie ze als “terroristen” refereren. De burgers van Madaya laten hiermee zien dat ze de oppositie verwerpen en aan kant van Damascus scharen.

Daarnaast is in een andere video (geüpload 30 november 2015), vermoedelijk van dezelfde demonstratie in Madaya, te zien dat de burgers hun steun uiten voor het Syrische leger en Hezbollah. Bekende pro-Damascus leuzen als ‘Allah, Souria, Bashar ou bas’ zijn te horen. Dat wil zeggen, vijf weken voordat het bericht van uithongering in Madaya naar buiten kwam (dwz, 7 januari 2016) waren er nog pro-Assad en Hezbollah demonstraties gehouden in Madaya.

Hieruit valt te concluderen dat er tussen de burgers van Madaya pro-Assad facties bevinden én anti-oppositie zijn. De logische vraag die volgt is waarom het Syrische leger deze burgers, die aan hen zijde staan, zou uithongeren zoals de berichtgevingen van al-Jazeera en co doet suggereren?

Hezbollah, een pro-Syrië beweging actief in die regio, laat indirect weten dat er wel sprake is van een belegering op de stad Madaya. Dat is echter in reactie op de aanvallen op de troepen van Hezbollah en het Syrische leger vanuit Madaya. De stad fungeert dus als een uitvalsbasis en daarmee is de oppositie in overtreding van de in september overeengekomen wapenstilstand. Een andere overtreding van de wapenstilstand is de belegering dóór de oppositie op de noordelijk gelegen (civiele) dorpen van Foua en Kefraya. Oftewel, de oppositiegroepen bestoken burgerdoelwitten en weigeren ze van belangrijke hulpgoederen te voorzien. Hierdoor staat de wapenstilstand op nog lossere schroeven en dat creëert volgens het hoofd van de Syrische Halve Maan, in gesprek met al-Masdar News, een onwerkbare situatie om de toevoer van humanitaire hulp te garanderen. De Libanese verzetsbeweging ontkent echter alle aantijgingen dat het de burgers van Madaya zou uithongeren.

Daarnaast laten bovengenoemde video’s zien dat het de oppositie is die weigert om Madaya te voorzien van voedselpakketten en andere hulp. De hulporganisaties hebben bevestigd dat er in oktober voldoende voedsel- en hulppakketten afgeleverd waren voor twee maanden. Deze zijn echter niet aangekomen bij de lokale burgers. Daarbij laten de video’s zien dat de burgers van Madaya de oppositie smeken om voedsel en hulp. Deze wanhoop wordt genadeloos uitgebuit door de oppositiegroepen daar ze volgens meerdere berichten op sociale media woekerprijzen hanteren voor basis hulpgoederen als rijst, melk en bloem. Dit komt erop neer dat de oppositie enerzijds de burgers van Madaya uithongert en anderzijds ze uitbuit.

Uithongeren in de hoop voor westerse interventie
Wat motiveert de al-Qaida gelieerde doodseskaders om de overdracht van hulpgoederen te weigeren? De terroristische groepen doen dat volgens Hezbollah, omdat ze 1) grof geld willen verdienen aan de in het nauw gedreven burgers van Madaya en 2) dat inzetten als een propaganda campagne tegen Syrië en het verzet. Ook is het een teken van hun dovende macht en dat ze de wanhoop nabij zijn.

Dit is echter niet de eerste keer dat de oppositie haar toevlucht zoekt tot dergelijk brute en wrede tactieken. Het onthouden van voedsel en hulp aan burgers is namelijk eerder toegepast door o.a. de in Douma gevestigde Jaish al-Islam en Nusra Front in Yarmouk.

In het geval van Yarmouk hebben oppositie ‘rebellen’, op meerdere momenten tijdens de bijna vijf jaar durende oorlog, hulpgoederen geweigerd aan de inwoners van de kamp, die voornamelijk bevolkt is (was) door nakomelingen van Palestijnse vluchtelingen. Dit deden ze telkens als ze in het nauw gedreven waren door de pro-Assad groepen (waaronder de Palestijnse verzetsbeweging PFLP).

Om de opmars van de pro-Assad krachten te stoppen creëerden de terroristische groeperingen in Yarmouk zelf een humanitaire catastrofe door o.a. voedsel- en hulppakketten te weigeren aan de inwoners van de kamp. Op deze wijze vestigt de oppositie de aandacht van de internationale gemeenschap op de inhumane gevolgen van de blokkade. De pro-Assad krachten zijn dan vervolgens genoodzaakt om de bevrijding van Yarmouk tot een halt te brengen.

Een ander samenhangende tactiek van de oppositie is om president Assad verantwoordelijk voor de humanitaire ramp te houden (zoals hier, met betrekking tot Yarmouk).

Deze brute tactiek werd echter gelijk doorzien en verworpen door Palestijnse autoriteiten. Zo zei Anwar Raja, lid van de Palestijnse verzetsbeweging PFLP-GC, tegen RT dat oppositiegroepen als Jabhat an-Nusra handelen over de ruggen (of beter gezegd, magen) van het volk:

 They want to say to the world: ‘See: the people are hungry.’ It’s like the residents are kidnapped inside their own camp, inside their own home, and the militants are negotiating over them, negotiating their souls,”

Raja zegt verder over het (politiek) doel van deze barbaarse praktijken het volgende:

They claim that the Syrian state is besieging Palestinians in the camp. They want to invert the image and the truth, saying that the Syrian government is part of the killing force, as they don’t do anything to protect the people. They want people to hate the regime.”

Kortom, het weigeren van voedselpakketten en hulp is een koelbloedig, gecalculeerde zet van de oppositie om 1) de burgers van Madaya te straffen voor hun loyaliteit aan het leger en Damascus, 2) ze af te persen voor grote sommen geld, 3) de Syrische overheid (en de aan haar gelieerde groepen) te demoniseren in de ogen van de wereld en 4) een poging om de opmars van de pro-Assad krachten tot een halt te brengen.

Megafoon voor oppositiepropaganda
Het is echter niet alleen de oppositie in Syrië die zich schuldig maakt aan deze hevige verdraaiing van feiten. Al-Jazeera, die de video samenstelde en binnen 24 uur meer dan 40 miljoen views genereerde, zit diep embedded met de terroristische groeperingen. Het medium is gevestigd in en wordt gefinancierd door Qatar. Het is een publiek geheim dat de regeerders van de oliestaat, de koninklijke familie al-Thani, de in Syrië gevestigde al-Qaida gelieerde doodseskaders steunen.

Eerder stapten daarom aan het begin van de Arabische Opstand topjournalisten van de zender op. Ze waren het oneens met de partijdigheid van het in Doha gevestigd medium. Recentelijk nog kwam uit een gelekte e-mail naar voren dat Al Jazeera haar redacteuren opdraagt om niet meer naar Jabhat an-Nusra te referen als “al-Qaida”, maar als “rebellen”. Dit zou het conflict onnodig “complex” maken. Of, het zou duidelijk maken dat al-Jazeera en Nusra feitelijk collega’s van elkaar zijn daar ze betaald worden door dezelfde werkgever.

De geniepige rol van Al Jazeera gaat verder dan het promoten van terroristische groeperingen. In het geval van Madaya heeft de Qatarese nieuwszender foto’s verspreid waaruit zou blijken dat de burgers van het belegerd Syrische stad op sterven na dood zijn. Later bleek dat deze foto’s van het internet geplukt waren.  Ook het hoofd van het Internationale Comité van het Rode Kruis bevestigde dat. Het medium laat hiermee zien dat ze inderdaad positie nemen in de oorlog tegen Syrië.

Dat wordt ook duidelijk in de selectie van burgers die Al Jazeera waardig genoeg acht om over te rapporteren. Twee dorpen gelegen in het noordelijke provincie Idlib, Foua en Kefraya, worden namelijk sinds maart 2015 belegerd door Jaish al-Fatah – een takfiri alliantie bestaande uit hoofdzakelijk Ahrar ash-Sham, Jabhat an-Nusra, maar ook het Vrije Syrische Leger. Dit collectief heeft sindsdien duizenden raketten afgevuurd op burgerdoelwitten en tientallen vrouwen en kinderen vermoordt. Tevens weerhoudt het humanitaire hulp en medicijnen aan de burgers van de twee dorpen, net zoals hun takfiri kameraden dat doen in Madaya. In deze video is te zien dat demonstranten die blokkade zat zijn en het Syrische leger eisen om harder in te grijpen tegen deze terroristen. Hierover helaas weinig tot geen berichtgeving, omdat zenders als Al Jazeera hun pijn en lijden niet kunnen ge- of misbruiken voor politieke doeleinden én ze niet deel uitmaken van de dominante religieuze denominatie (ie. het zijn sjiieten).

Wapens als hulp voor de oppositie?
Het positieve aan de aandacht voor de pijn en het lijden van de burgers van Madaya is dat er druk gecreëerd is om hulpgoederen aan niet alleen de belegerde stad te leveren, maar ook Zabadani, Foua en Kefraya. Echter, dit moet ook met argusogen bekeken worden. Zo meldde al-Akhbar in 2013 dat de Qatarese tak van de Rode Halve Maan feitelijk de bewapening van takfiri doodseskaders financierde en de (door mysterieuze omstandigheden omgekomen) PressTV reporter, Serena Shim, documenteerde in 2014 hoe humanitaire hulpkonvooien heimelijk wapens en andere illegale waren vervoerde naar terroristische groeperingen. Humanitaire hulp kan dus gebruikt worden als een vehikel om stiekem wapens en ander militaire hulp door te sluizen naar de oppositie — die compleet gedomineerd wordt door takfiri doodseskaders.

Zolang de levering van hulpgoederen gecoördineerd wordt met de officiële autoriteiten is de kans echter wel groot dat de Syriërs verlicht zullen worden van hun onmenselijk lijden… al is dat waarschijnlijk wel tijdelijk totdat de volgende ‘Madaya’ gecreëerd is.

Gedeclassificeerd VS inlichtingendocument voorspelde opkomst van IS

Judicial Watch, een conservatieve Noord-Amerikaanse watchdog, heeft haar handen gekregen op meer dan een honderd geheime documenten behorend tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Defensie. In één van deze documenten, een 7-pagina’s tellende stuk uit augustus 2012, wordt vernietigend bewijs geleverd voor de Noord-Amerikaanse hand in de opkomst van de Islamitische Staat (IS of Daesh).

Sheher1

Uit het document wordt duidelijk dat, zoals deze schrijver ook heeft beargumenteerd, de oppositie vanaf het begin gesteund werd door jihadi-salafisten én een sterk sektarische karakter kende. De voorloper van IS, al-Qaida in Irak (AQI), steunde aanvankelijk de oppositie in Syrië zowel op ideologisch als communicatief vlak, en in 2012 behoorden ze samen met andere jihadi-salafisten en de Moslimbroederschap tot de meest dominante krachten binnen de oppositie. Deze terroristische organisaties werden gesteund door de oppositie, dat wil zeggen: de westerse regimes, Turkije en de Golf dictatoren (ook wel: Zio/NAVO/GCC alliantie). Anders gezegd: de oppositie tegen Assad heeft de IS gesteund.

Volgens het document kon de IS, die tussen 2009 en 2010 sterk afgezwakt was, groeien door het uitbreken van de opstand in Syrië. Een opstand die zonder steun van de Zio/NAVO/GCC alliantie niet had kunnen verworven zijn tot een oorlog.

Sheher2

Toen de IS vorig jaar de oprichting van het kalifaat uitsprak, reageerde de Zio/NAVO/GCC alliantie geshockeerd. Dit document geeft echter aan dat het oprichten van het IS-kalifaat juist aangemoedigd werd door deze groep:

“There is the possibility of establishing a declared or undeclared Salafist principality in Eastern Syria (Hasaka and Der Zor), and this is exactly what the supporting powers to the opposition want, in order to isolate the Syrian regime, which is considered the strategic depth of the Shia expansion (Iraq and Iran).”

Met andere woorden, het oprichten van het kalifaat werd aangespoord om zo de As van het Verzet — Syrië, Irak en Iran (en Hezbollah en Palestina) — te verzwakken. Verder zal de verslechterende situatie in Irak leiden tot het volgende:

“This creates the ideal atmosphere for AQI to return to its old pockets in Mosul and Ramadi”

Dit is exact wat er sinds 2012 voltrok. In juni 2014 was Daesh sterk genoeg geworden om Mosul te veroveren, en sinds een week geleden is Ramadi ook in handen gevallen van de terreurgroep. Het Noord-Amerikaanse regime poogde, naar eigen zeggen, om de opmars van de IS tegen te houden met welgeteld vijf luchtaanvallen, waarvan er ook één de Iraakse volksmilities ‘per ongeluk’ had geraakt.

Hieruit kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

1) In 2012 was het al duidelijk dat er geen sprake was van een gematigde oppositie (waarmee er ook afgevraagd kan worden welke ‘gematigde’ groepen het kabinet nu nog in 2015 steunt).
2) Aantijgingen van een mogelijke samenwerking tussen Assad en de IS zijn ongegrond.
3) De Zio/NAVO/GCC alliantie steunen IS al jaren.

Islamitische Staat: Frankensteins’ monster?

Politieke islam en westerse mogendheden zijn ondanks hun publieke animositeit geen onbekenden van elkaar. Sterker nog: islamistische groepen als de Moslimbroederschap (MB),Hamas en Taliban zijn door tegenstanders opgericht (respectievelijk, het Britse Rijk, Israël en Verenigde Staten). De samenwerking tussen politieke islam en westerse staten oogt weliswaar onwerkelijk, maar is eenvoudig te verklaren. Radicale moslims en het Westen delen namelijk dezelfde opponenten. Een voorbeeld is al-Qaida. De Verenigde Staten heeft via haar bondgenoten al-Qaida grootgebracht met als doel het ondermijnen van een gedeelde tegenstander: de Sovjet-Unie. Echter, wat zegt dit over de Islamitische Staat (IS of Daesh), als opvolger van een tak van al-Qaida?  Is al-Qaida ook een product van de VS en hoe komen hun belangen samen?

ike-said-ramadan400

Washingtons’ hand
In dit artikel beschreef ik hoe Washingtons’ Irakbeleid leidde tot de opkomst van de Islamitische Staat. Er zijn echter ook sterke aanwijzingen, dat de Noord-Amerikanen de takfiri terreurgroep direct hebben geholpen.

De RAND-corporatie – een invloedrijke denktank voor het militaire establishment – schetste in 2008 verschillende scenario’s voor de controle van energiebronnen uit het Midden-Oosten. Eén daarvan was het steunen van milities, die door het salafisme zijn beïnvloed, en tegen gedeelde sjiitische opponenten gebruikt kunnen worden.

Seymour Hersh, onderzoeksjournalist en winnaar van de Pulitzer Prijs, ontdekte een jaar eerder, dat de Noord-Amerikanen van plan waren om takfiri milities te steunen. Via Washingtons’ bondgenoten, als het Huis van Saoed, werden extreem soennitische milities gesteund: “[T]hat (…) are hostile to America and sympathetic to Al Qaeda.” Ook waren een aantal van deze groepen verweven met de Moslimbroederschap. De gedachte achter dit beleid is dat beide partijen dezelfde vijanden hebben. Denk hierbij aan de Syrische president Bashar al-Assad en Iran. Dit maakt Daesh tot de ideale frontlijnsoldaten van Washingtons’ Midden-Oosten beleid.

Verder zijn er ook berichten verschenen dat de Verenigde Staten wapens heeft geleverd aan takfiri milities. The New York Times meldde in 2007 dat wapens, die geleverd werden aan soennitische militanten, uiteindelijk in handen kwamen van moordbrigades. Sommige van deze doodseskaders waren gelieerd aan al-Qaida. Later, in 2012, constateerde de Noord-Amerikaanse krant dat er ook in Syrië wapens werden geleverd aan takfiri groepen als de Moslimbroederschap. Daarnaast is gebleken dat rebellen van het Vrije Syrische Leger, na een opleiding door het Westen, overgelopen zijn naar al-Qaida’s takken als Jabhat an-Nusra en de IS.

Dr. Nafeez Ahmed, academicus en veiligheidsexpert, merkt op dat de Verenigde Staten eenbepalende rol heeft gespeeld: “In empowering and even directly sponsoring the (…) the Islamic State.” Rand Paul, Noord-Amerikaanse senator van de Republikeinen, deelt deze conclusie. In een interview met NBC News beschuldigt hij de president van de Verenigde Staten. Volgens senator Paul droeg Obama’s Midden-Oosten beleid bij aan de herleving van takfiri doodseskaders.

Ook is het geen geheim dat Washingtons’ bondgenoten in het Midden Oosten IS hebben geholpen. Golf monarchieën als Qatar en Saoedi-Arabië ondersteunen IS financieel. Een andere bron van inkomsten voor de terreurgroep is olie. Daar heeft Turkije een significante rol in gespeeld. Daesh kan via Iraaks Koerdistan en Turkije olie op de Europese en Israëlische markt brengen. Op deze wijze wordt IS indirect gefinancierd door westerse mogendheden.

Daarnaast helpt Turkije de Islamitische Staat niet alleen met het doorverkopen van olie, maar ook om ze door de grens heen te loodsen. Volgens Ali Ediboglu, Turkse politicus uit Hatay, werken er bijna 1.000 ambtenaren mee aan het project. Dat wordt ook bevestigd door eenvoormalig lid van de terreurgroep. Daarom wordt de Turkse grens met Syrië door experts als de Britse Patrick Cockburn en de Turkse journalist Kadri Gursel ook wel jihadi highway genoemd.

_77494621_areas_under_is_control_624_untitled

Liefde-haat relatie?
Het is evident dat de Islamitische Staat en de Verenigde Staten elk hun eigen belangen hebben. De Verenigde Staten is in het Midden-Oosten primair geïnteresseerd in het verzwakken van Iran en het controleren van energiebronnen. De ambitie van de Islamitische Staat is, zoals de oorspronkelijke groepsnaam en naam van de leider – Abu Bakr al-Baghdadi – al doet vermoeden: het veroveren van Irak. In sommige gevallen leidt dat tot een huwelijk, terwijl het in andere gevallen resulteert in een echtscheiding.

Twee voorbeelden waarin IS bijdroeg aan Washingtons’ doelstellingen waren: het verdrijven van de ongewenste ex-premier van Irak, Nouri al-Maliki en legitimeren van een militaire interventie in Syrië. Het Iraakse leger bleek afgelopen juni niet bij machte om een vuist te maken tegen IS. Het Witte Huis was bereid om militaire steun te leveren, indien al-Malikivervangen werd.

Ten tweede hielp Daesh om een andere droom van de VS in vervulling te laten gaan. Obama heeft in de afgelopen jaren, langs verschillende wegen, geprobeerd om voet aan Syrische grond te krijgen, maar liep meermaals tegen drempels op. Uiteindelijk heeft Washington, met hulp van IS, toch een militaire aanwezigheid in Syrië weten te legitimeren. De opmars van de Islamitische Staat en haar brute werkwijze, zoals de onthoofding van de Noord-Amerikaanse journalist James Foley, vormde de basis van een militaire interventie in Syrië (illegaal volgens internationaal recht).

Het ongeschreven partnerschap tussen de Islamitische Staat en de VS was niet altijd even harmonieus. Begin augustus rukte IS op naar het noordelijk gelegen Iraaks Koerdische stad Erbil. De Verenigde Staten reageerde prompt met luchtaanvallen en het bewapenen (en steunen) van lokale troepen: de Iraaks Koerdische Peshmerga. Volgens de officiële lezing waren de Noord-Amerikaanse luchtaanvallen bedoeld om de Koerdische Yezidi’s te beschermen, maar dat wordt betwijfeld. Erbil is namelijk het thuisgebied van grote westerse oliemaatschappijen als ExxonMobil en Chevron. Ook herbergt de stad Noord-Amerikaanse, Israëlische ambassades en inlichtingendiensten als de CIA. Dit geeft aan waarom de stad belangrijk is voor zowel Daesh als Washington.

Volgens de officiële lezing zijn de huidige luchtaanvallen in Syrië en Irak bedoeld om de Islamitische Staat te ondermijnen, maar de resultaten op de grond zeggen iets anders. In Kobani waren de luchtaanvallen volgens Syrisch Koerdische gezagvoerders ineffectief; in Irak hebben ze de territoriale expansie van IS niet weten te voorkomen; en in Syrië zijn vooral non-militaire doelwitten geraakt en burgers gedood. In dat opzicht lijken de luchtaanvallen in Syrië meer gericht op Assad en de Syrische bevolking. Pas recentelijk zijn de luchtaanvallen een beetje effectief geweest.

Britse analist, Dan Glazebrook, komt daarom tot een andere interpretatie van de luchtaanvallen. Het doel van de militaire campagne is volgens een rapport van Reuters: “To hamper Islamic State’s ability to operate across the border with Iraq, where it also controls territory.” Hierdoor stelt hij dat Washington de terreurgroep niet wil vernietigen, maar zijn de luchtaanvallen bedoeld om: “Turning IS – proto-state formation – back into ISIS – a sectarian death squad.”

Dat is precies wat onderzoeksjournalist Seymour Hersh in 2007 naar voren bracht. Uit gesprekken met diverse Witte Huis officials constateerde hij, dat het Witte Huis van plan was om al-Qaida doodseskaders te steunen. Zowel de Verenigde Staten als takfiri doodseskaders zien gemeenschappelijke vijanden in Assad en Iraakse verzetspartijen. De luchtaanvallen kunnen daarom gezien worden als een poging om de Islamitische Staat terug te schalen, en te stimuleren om haar oorspronkelijke doelstellingen na te jagen. Dat wil zeggen: in het vizier krijgen van regionale, sjiitische en gedeelde opponenten zoals de Syrische Assad, Hezbollah, Irak en Iran.

Tot slot: ontwikkelingen in de Noord-Syrische plaats Kobani (ook wel Ayn al-Arab) tonen aan, dat ook Turkije zich comfortabel voelt bij de diensten van Daesh. De Koerdische volkstroepen, YPG en YPJ, voeren maandenlang een moedig verzet tegen de Islamitische Staat. Onder toeziend oog van Turkse strijdkrachten slaan Koerdische strijders takfiri agressie van zich af. De Turkse premier Erdogan weigert echter directe steun te geven, omdat Turkije YPG – partner van de PKK – als terroristen beschouwt. Dat levert dekking voor Erdogan om de brute Islamitische Staat haar gang te laten gaan, en om niet in te grijpen. Anders gezegd: de IS bewijst Turkije een dienst door een gedeelde vijand, Koerdische volkstroepen, aan te vallen.

Frankensteins’ monster
De leiders van de ‘vrije’ wereld spelen hoog spel door de Islamitische Staat haar gang te laten gaan. Daesh heeft tot dusver een nuttig doel gediend, omdat de pijlen gericht zijn op gedeelde vijanden. Dat weerhoudt de terreurgroep er echter niet van om de hand te bijten die haar gevoed heeft. De opmars naar Erbil toont dat aan en bewijst dat IS een eigen agenda volgt. In dat opzicht begint de takfiri doodseskader steeds meer op een Frankensteins’ monster te lijken. Evenals in het bekende verhaal, is het geen kwestie van of, maar van wanneer dit monster tegen haar scheppers zal keren.