Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

 

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië
In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

 

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; zoverre was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Libische al-Qaida terrorist Abdulhakim Belhaj (links) op de foto met John McCain (rechts)
belhaj

 

 

Abedi en de LIFG
De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

 

Rat line
Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Gemotiveerd door westers buitenlandbeleid
Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback
De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om in te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

Advertenties

Syrië’ gematigde oppositie: de hedendaagse ‘Afghaanse Mujahideen’

De oorlog in Syrië heeft tot opmerkelijke allianties geleid.  Zo werkt Israël samen met al-Qaida in Syrië, daar waar Turkije de handen schudt van IS. In deze context is het te vermelden waard dat Syriëgangers aan dezelfde kant staan van deze landen, omdat zij een gemeenschappelijk doel hebben, namelijk: het verdrijven van de Syrische president Bashar al-Assad.

nusra-25

Marc Trevidic, een zeer erkende Franse rechter, vond het daarom moeilijk om de oppositiestrijders in Syrië te zien als vijanden. “Dit zijn onze vrienden”, zei hij in een interview.

De terrorisme-expert Charles Shoebridge stelt dat die relatie toch niet zo onschuldig is. Shoebridge beweert in een interview het volgende over de Britse autoriteiten:

[They] turned a blind eye to the travelling of its own jihadists to Syria, notwithstanding ample video etc evidence of their crimes there. Despite such overseas terrorism having been illegal in the UK since 2006

Syriëgangers konden vrij in en uit Syrië bewegen, omdat zowel Washington als Londen een anti-Assad beleid voeren. Buitenlandse strijders in Syrië kunnen in dit daglicht enigszins worden gezien als soldaten van de NAVO. Hier ga ik verder op in door te stellen dat een NAVO-ontwerp schuilgaat achter de jihadgang naar Syrië.

In dit stuk kijk ik naar de oorsprong van de jihadgang door het in de context te plaatsen van Gladio. Vervolgens analyseer ik de wijze waarop de jihadgang verloopt.

NAVO’s geheime leger: Gladio

Na de Tweede Oorlog werd, onder toeziend oog van Washington en Londen, een geheime militante organisatie door alle NAVO-lidstaten opgezet. Het doel was om het verzet te leiden tegen een mogelijke Sovjet-invasie. Het bestaan van deze groep, bekend als Gladio of het stay-behind-netwerk, werd lang stil gehouden. Na het ontkend te hebben tot 1990, moest toenmalig premier Ruud Lubbers, in navolging van zijn Italiaanse collega Guilio Andreotti, uiteindelijk ook het bestaan van deze clandestiene organisatie erkennen.

Daniele Ganser onderzocht operatie Gladio. Hij kwam tot de volgende verrassende ontdekking: dat het stay-behind-netwerk in het daglicht geplaatst moet worden van een strategy of tension. Dit wil zeggen, dat een reden gezocht (of gecreëerd) moest worden om linkse krachten te ondermijnen wanneer een Sovjet-invasie zou uitblijven. Deze strategie wordt door de Italiaanse Gladio-soldaat, de veroordeelde extreem-rechtse terrorist Vinciguerra, als volgt verwoord:

“You had to attack civilians, the people, women, children, innocent people, unknown people far removed from any political game”.

Hierdoor werd het Italiaanse volk gedwongen het volgende te doen: “To turn to the State to ask for greater security.” De Italiaanse staat spoorde het stay-behind-netwerk aan om aanslagen te plegen, waarbij in totaal 491 burgers gedood werden. De staat kon vervolgens van de vruchten plukken door zich meer rechten toe te eigenen. “This is the political logic that lies behind all the massacres and the bombings which remain unpunished”, aldus de veroordeelde Vinciguerra. Niet verrassend is dat dr. Ganser het stay-behind-netwerk typeerde als NAVO’s geheime leger.

Operatie Gladio laat zien dat NAVO-lidstaten extremiteiten niet schuwen. Het voor een politieke reden vermoorden van burgers behoort tot een kenmerk van deze organisatie. Sterker nog: onder Gladio-soldaten, in Duitsland en Italië, bevonden zich ook nazi’s en fascisten.

De Nederlandse Gladio, beter bekend als Bureau Inlichtingen en Operaties, pleegde geen grote aanslagen, maar maakte zich wel schuldig aan meerdere zware misdrijven. lees hierhier en hier.

BBC-documentaire (1992) over operatie Gladio

Moslims voor communisten

Met het wegvallen van de Sovjet-Unie kwam een einde aan de Koude Oorlog en daarmee ook aan de noodzaak van een stay-behind-netwerk.

Ruud Lubbers beloofde om de Nederlandse Gladio organisatie op te doeken, maar dr. Daniel Ganser denkt dat het project een ander gezicht heeft gekregen:

“The ‘evil Communist’ of the Cold War era has swiftly been replaced with the ‘evil Islamist’ of the war on terrorism era.”

In een interview legt hij uit waarom:

“We can’t just go there and invade them, so we have to have this idea that they’re trying to kill us, then it’s possible, or at least imaginable that a strategy of tension in which the Muslims are playing the role that the communists played in the Cold War, is happening.”

Het gevecht om Eurazië

De Sovjet-Unie splitste op in een reeks nieuwe staten, en daarmee ontstond een nieuwe arenawaar om gestreden kon worden.

Voormalige Sovjet-staten, in het bijzonder de Kaukasus en de Centraal-Aziatische ‘stans’, bezitten kostbare grondstoffen. Verder zijn zij een aantrekkelijk doelwit, omdat zij grenzen aan landen zoals Rusland, China en Iran. Daarnaast blijft het energierijke Midden-Oosten, of West-Azië, een belangrijk deel uitmaken van de Euraziatische geopolitiek.

Dat was ook de centrale stelling in de magnus opus van de invloedrijke Zbigniew Brzezinski. In ‘The Grand Chessboard’ (1997) stelde hij dat dominantie van de Euraziatische continent fundamenteel is om de Noord-Amerikaanse hegemonie te continueren:

“Eurasia is thus the chessboard on which the struggle for global primacy continues to be played.”

Gladio B

Sibel Edmonds, die als vertaler heeft gewerkt voor de FBI, ontdekte dat het Witte Huisheimelijk verscheidene lokale troepen steunde in de strijd tegen gemeenschappelijke vijanden zoals de Sovjet-Unie, Rusland en Servië.

Zij ontdekte dat dit een aanpassing was van operatie Gladio, en dat dit door de FBI geclassificeerd werd als Gladio B. Met als verschil dat in plaats van nationale terreurgroepen (het stay-behind-netwerk) worden ingezet tegen gemeenschappelijke vijanden, nu inheemse strijdkrachten worden gebruikt.

De blauwdruk van Gladio B was waar te nemen in de Afghaanse Oorlog (1979-1989). In deze oorlog steunde de Verenigde Staten Afghaanse krijgsheren (beter bekend als de ‘Moedjahedien’), via haar bondgenoten als het Huis van Saoed en de Pakistaanse inlichtingendienst ISI.

De Noord-Amerikaanse steun aan de Moedjahedien is echter geen geheim. Wat er exact onthullend aan de beweringen van klokkenluider Edmonds was, is dat Gladio B een extensie is van operatie Gladio, en dat er daarmee getracht werd om Eurazië – zoals gesteld door Brzezinski hierboven – te domineren.

Daarnaast ontstond uit de Afghaanse Oorlog een ander instrument, waarmee deze oorlog bij volmacht uitgevochten werd, namelijk: de werving van buitenlandse strijders.

Enter Azzam

De Afghaanse Oorlog was het eerste conflict in de moderne geschiedenis, waarbij buitenlandse strijders op grote schaal vanuit de islamitische wereld gerekruteerd werden. Deze vrijwilligersgroep bestond voornamelijk uit Arabieren en Zuid-Aziaten.

De Afghaanse Oorlog (1979-89) ontstond nadat de toenmalige pro-Moskou regering in Kaboel, onder druk van rebellerende groeperingen (waaronder de Moedjahedien) en politieke instabiliteit, assistentie vroeg aan de Sovjet-Unie. Zodoende werd de oorlog geboren.

De Verenigde Staten steunde aanvankelijk, volgens Zbigniew Brzezinski, toenmalig veiligheidsadviseur van president Jimmy Carter, al vóór de start van de Afghaanse Oorlog de Moedjahedien. Brzezinski noemde dit de “Afghan trap” en wilde hiermee de Sovjet-Unie in haar eigen ‘Vietnam’ lokken.

Het was echter geen zekerheid dat de Moedjahedien de oorlog zouden winnen. Ze waren sterk verdeeld en vochten ook onderlinge veldslagen uit. Om deze door het Westen gesteunde gewapende oppositie te versterken, kwamen invloedrijke religieuze extremisten uit de Arabische schiereiland in beeld, waaronder Osama bin Laden en zijn spirituele leider Abdullah Azzam.

Azzam en Bin Laden werden volgens NBC News (1998) uitgekozen, omdat ze beter te lezen waren dan de Afghaanse krijgsheren. Ook speelde hun anti-communistische houding een belangrijke rol bij de selectie. De samenwerking had volgens de The New York Times (1993) een pragmatisch doeleinde:

“While Washington’s mission was to bleed the Soviets by making the war as costly as possible, for the Arabs, the war was a Muslim duty.”

Afghanistangangers

De Afghaanse Oorlog trok vanaf het begin weinig buitenlandse strijders aan. Tussen 1980 en 1984 voegden slechts tientallen buitenlandse strijders zich aan de oorlog. Dat veranderde aanzienlijk vanaf 1984, waar naar schatting 20.000 militanten gerekruteerd werden.

Dit keerpunt is grotendeels te danken aan de jihadi-salafist en grondlegger van de terreurgroep al-Qaida: Abdullah Azzam. Volgens dr. Thomas Hegghammer, één van de voornaamste experts op het gebied van buitenlandse (moslim)strijders, was Azzan ‘the most influential and prolific proponent of Arab involvement in Afghanistan’.

Azzam, in de hoedanigheid als autoritaire prediker, zorgde daarnaast voor de ideologische motor. Hij ontwikkelde een derde variant van het salafisme: jihadi-salafisme. Deze doctrine leverde de inspiratie en morele rechtvaardiging voor de jihadgang naar buitenlandse landen.

Het is voor de Noorse expert op het gebied van buitenlandse strijders, dr. Heghammer, echter: “unclear what made Azzam call for the involvement of foreign fighters.”

Een artikel uit de New York Magazine uit 1995 geeft daar antwoord op. In april 1985 gaf toenmalig president Ronald Reagan toestemming aan de CIA om in samenwerking met de Saoedische inlichtingendienst geld en strijders te verzamelen voor de jihad in Afghanistan. In Pakistan werden deze Afghanistan-gangers opgeleid tot het volgende: “from making car bombs to shooting Russian MIGs with U.S.-made Stinger missiles”. Abdullah Azzam was één van de voornaamste partners van de CIA.

Opvallend was dat Azzam (met toestemming van de CIA) ook strijders kon werven in de Verenigde Staten. Het blad Slate Magazine schrijft dat Azzam wel 50 Noord-Amerikaanse stedenhad bezocht om mensen te vertellen over zijn zaak, en zijn volgelingen waren in 26 staten actief.

Zbigniew Brzezinski, op de grens tussen Pakistan en Afghanistan (Khyber Pass), in gesprek met de Moedjahedien


De jihadi-connectie

De CIA bestempelde Abdullah Azzam als volgt:

“A prime asset because of his close connections to the Muslim Brotherhood, Saudi intelligence, and the Muslim World League.”

De werving van buitenlandse strijders en de jihadgang werd mogelijk gemaakt door deze “jihadi-connectie”. De jihad in Afghanistan kon gefinancierd worden middels allerleifrontorganisaties zoals de Moslim Wereld Liga. De Deense Institutie van Internationale Studies beschreef hoe dit ongeveer ging:

“By clothing their militant activity with charitable ideals, Arab-Afghan leaders including Usama Bin Laden discovered that they were able to slip below the radar of many global intelligence agencies.”

Daarnaast kon Abdullah Azzam gebruikmaken van het internationale netwerk van de Moslimbroederschap om zijn invloed te vergroten. Ook ontving Azzam geld van de Moslimbroederschap voor zijn jihadactiviteiten. Het gros kwam echter uit het Saoedische koninkrijk.

De Saoedische elite – overheid, moskeeën, bedrijfsleven en ook koninklijke familie, waaronder de huidige koning Salman bin Abdulaziz – financierde de strijd in Afghanistan, waardoor zij een schakel werden in het conflict. Abdullah Azzam was zo in staat om tussen de 5.000 en 20.000 Afghanistan-gangers te rekruteren.

Daarnaast creëerde Azzam de fundamenten voor toekomstige jihadgangen, waaronder die naar Syrië. Volgens de jihadistenexperts van West Point, kwam uit de Afghaanse Oorlog het model voort: “upon which all subsequent efforts to internationalize—and attract foreign volunteers— have been based.”  De jihadnetwerken die toen opgezet waren: “were subsequently employed to generate recruits for conflicts in other parts of the world.”

Deze “jihadi-connectie” komt ook terug in de Nederlandse jihadgang naar Syrië.

Salafistische jihadnetwerken in Nederland

Salafistische moskeeën in Nederland hebben inmiddels een beruchte reputatie opgebouwd in het faciliteren en steunen van de jihadgang. In 2002 werd bekend dat twee bezoekers van de al-Fourkaan-moskee in Eindhoven geronseld werden voor het conflict in Kasjmir. De ronselaars waren actief in de moskee. Later werden 13 personen opgepakt wegens terroristische activiteiten, waarvan een deel regelmatig de al-Fourkaan-moskee bezocht.

In de Amsterdamse el-Tawheed-moskee beïnvloedde Abu Khaled, voormalig lid van de Syrische Moslimbroederschap, Samir A., die in 2003 op weg naar was Tsjetsjenië. Ook de bekendste Nederlandse takfiri jihadi, Mohammed Bouyeri, die Theo van Gogh in 2004 doodstak, was een reguliere bezoeker van de el-Tawheed-moskee. Evenals dit geldt voor de Haagse salafistische prediker Fawaz Jneid. Ook leden van de Hofstadgroep waren in zowel de Amsterdamse als de Haagse salafistische moskee te vinden.

Verder waren ook in de Eindhovense al-Waqf-organisatie geluiden te horen van jihadi-activiteiten. Een NOVA-uitzending concludeerde het volgende: “deelname aan dergelijke bijeenkomsten met een zekere onvermijdelijkheid leidt tot directe betrokkenheid bij de gewelddadige jihad of terrorisme.”

Na alle ophef over de jihadi-activiteiten van de grote salafistische centra en politieke druk, matigden deze hun toon tot 2010. Sinds de opstand in de Arabische wereld is sprake van een sterke heropleving. In een recent rapport van de AIVD (2014) droegen een aantal factoren hieraan bij, waaronder: “[d]e opkomst van Syrië als nieuw strijdtoneel.”

De Nederlandse jihadi-connectie

De “jihadi-connectie” – de Moslimbroederschap, frontorganisaties en Saoedi-Arabië – is ook terug te vinden in het Nederlandse rekruteringsnetwerk.

Ten eerste, de grote salafistische centra worden gesponsord door de Golfstaten, met een hoofdrol voor Saoedi-Arabië. De gevestigde salafistische imams – o.a. Fawaz Jneid en Ahmed Salam – zijn: “op ideologisch en institutioneel vlak sterk aan Saoedi-Arabië verbonden”. Bovendien bevestigde de Saoedische ambassadeur in Den Haag, na een 2004 AIVD-onderzoek, dat: “een vijftal in Nederland actieve imams via de Saoedische ambassade een toelage ontvangt vanuit Saoedi-Arabië.” De AIVD vermoedt dat ook andere predikers, moskeeën en organisaties (indirect) gefinancierd worden door het Huis van Saoed.

Daarnaast hebben ook grote Saoedische liefdadigheidsorganisaties filialen opgezet in Nederland. In Tilburg vestigde de Moslim Wereld Liga Nederland en in Amsterdam al-Haramain. De AIVD heeft geen duidelijk zicht op de financiën van deze liefdadigheidsinstellingen, maar vermoedt dat de Nederlandse takken sterk beïnvloed worden door Saoedi-Arabië.

Tot slot, de Moslimbroederschap heeft ook invloed onder de gevestigde salafistische orde. De grote (salafistische) predikers, Fawaz Jneid (Den Haag), Ahmed Salam (Tilburg) en Mahmoud Shershaby (Amsterdam) waren allen: “in hun geboorteland betrokken bij de Moslimbroederschap.”

Opvallend is dat het Nederlandse comité van salafistische moskeeën aangestuurd wordt door de in Saoedi-Arabië gevestigde Adnan Ibn Muhammed al-Arour. Hij is net als  Fawaz Jneid en Ahmed Salam afkomstig uit Syrië.

Al-Arour was tussen 2011-12 één van de bekendste oppositiepredikers omtrent de oorlog in Syrië. De Syriër staat bekend om zijn haatzaaiende en sektarische tv-optredens, waarin hij mensen oproept om alawieten, geloofsgenoten van de Syrische president, in een gehaktmolen te werpen, en: “let 100.000 die in Aleppo, why not? Big funerals are good for our revolution.”

Jihadpredikers als al-Arour (en de prominente Egyptische imam Yusuf al-Qaradawi) hebben de oorlog in Syrië in sektarische termen weten te framen, en daarmee bijgedragen aan de motivatie van Syriëgangers om naar het conflictgebied af te reizen.

De jihadgang naar Syrië

De jihadgang wordt op verschillende manieren mogelijk gemaakt. Sommige salafistische centra blijven een hub voor de werving van Syriëgangers. Salafistische moskeeën in o.a. Zoetermeer (al-Qibla-moskee) en Delft (Sultan Ahmet-moskee), én netwerken opgebouwd vanuit de As-Soennah-Moskee in Den Haag, zijn geïmpliceerd in het ronselen van Syriëgangers.

De meeste salafistische centra proberen echter vervolging te vermijden door de lijnen langer te maken. Prominente salafistische leiders als Fawaz Jneid en Suhayb Salam wijzen de jihadgang weliswaar af (en hebben hierdoor aan invloed verloren), maar zijn deels verwijtbaar. Tenslotte spelen volgens uit het eerdergenoemde AIVD-rapport (2014):

“aan hen gelieerde dawa-salafistische geestelijken en liefdadigheidsorganisaties uit de Arabische Golfstaten een belangrijke rol bij het inspireren en daadwerkelijk ondersteunen van dawa-salafistische strijdgroepen in Syrië.”

Anders gezegd: de grote salafistische centra wijzen de jihadgang af (wegens angst voor vervolging), maar hun moederorganisaties in Saoedi-Arabië, waar ze ideologisch en institutioneel aan verbonden zijn, steunen Syriëgangers in hun weg naar de slagvelden.

Daarnaast is het een kleine stap om van het politieke salafisme (de stroming die de grote salafistische centra aanhangen) naar het jihadi-salafisme over te stappen. Het verschil ligt niet in de geloofsopvatting, maar in strategie; dat wil zeggen, de wijze wáárop ze hun doel – een islamitische samenleving gebaseerd op salafistische interpretatie – willen bereiken. Het niet-gewelddadige salafisme (oftewel het politieke en staatsgelieerde salafisme) is daarmee, in de woorden van het eerder aangehaalde AIVD-rapport (2014): “weer een kweekvijver voor het jihadisme geworden.”

Dat is een poel waar jihadi-salafistische organisaties en geestelijken ook graag in vissen. Jihadpredikers als o.a. Abou Bashir, prediker in een Zoetermeerse moskee, Abdul-Jabbar van de Ven en Abou Yazeed adviseren jongeren op YouTube filmpjes om “jihad te gaan doen” en voeden het sektarisme (één van de motieven voor de jihadgang naar Syrië).

Sommige van deze salafistische predikers zijn weliswaar niet direct betrokken bij het faciliteren van de jihadgang, of coördineren niet met jihadistische organisaties, maar ze verlenen steun, enthousiasmeren, rechtvaardigen en legitimeren de reis naar Syrië. Daarom zijn ze, volgens de International Centre for the Study of Radicalisation, niet schuldvrij, omdat: “they are clearly serving as cheerleaders for the cause.”

De enige organisaties die direct de jihadgang verzorgen zijn de gedecentraliseerde en moeilijk op te sporen groeperingen zoals Straat Dawah/Behind Bars.

 Voetsoldaten van NAVO

Inmiddels hebben 250 Nederlanders de jihadgang naar Syrië gemaakt. Deze Syriëgangers komen vrijwel allemaal terecht bij al-Qaida gelieerde doodseskaders. De AIVD (2014) heeft geconstateerd dat, sinds de voorjaar van 2013: “de meeste Nederlandse jihadisten in Syrië deel uit [maken] van Jabhat al-Nusra of ISIS.”

Het is een publiek geheim dat deze takfiri doodseskaders – Jabhat an-Nusra en de Islamitische Staat – gesteund worden door o.a. Turkije en Saoedi-Arabië. De vice-president van de Verenigde Staten, Joseph Biden, gaf in gesprek met Harvard studenten, toe dat:

“the Turks (…) the Saudis, the Emiratis [sent] thousands of tons of weapons into anyone who would fight against Assad (…) [including] al-Nusra and al-Qaeda and (…) this outfit called ISIL.”

De Saoediërs, Turken en Qatarezen werden daarbij geholpen door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De CIA en MI6 fungeren in dit netwerk als bruggenbouwers.

Hierboven kwam naar voren dat de Saoedische elite de jihadgang van o.a. Nederlandse jongeren naar Syrië mede mogelijk hebben gemaakt. Dat betekent dat invloedrijke Saoediërs al-Qaida gelieerde doodseskaders steunen en ze ook helpen aan strijders. Dit roept herinneringen op aan de Afghaanse Oorlog. Net als toen zijn Saoediërs nu ook verantwoordelijk – weliswaar met toestemming van Washington – voor de jihadgang.

In het geval van Syrië lijkt ook nu de hand van NAVO zichtbaar. Israëlische inlichtingensite,DEBKAfile, berichtte in augustus 2011 het volgende:

“Also discussed in Brussels [NAVO hoofdkwartier] and Ankara, our sources report, is a campaign to enlist thousands of Muslim volunteers in Middle East countries and the Muslim world to fight alongside the Syrian rebels. The Turkish army would house these volunteers, train them and secure their passage into Syria” (vetgedrukt toegevoegd).”

Kortom, er zijn sterke aanwijzingen dat de NAVO de jihadgang, net als ten tijde van de Afghaanse Oorlog, steunt in een poging om een gemeenschappelijk doel – het verdrijven van de Syrische president Bashar al-Assad – te bereiken. Syriëgangers vervullen in deze oorlog bij volmacht de rol van voetsoldaten.

Dit roept de vraag op waarom Syriëgangers naar het Midden-Oosten zijn afgereisd. In het volgende deel ga ik daar verder op in. Ik zal beargumenteren dat de media, door het verspreiden van propaganda, Syriëgangers hebben misleid van de ware ontwikkelingen die zich in het conflict hebben afgespeeld, terwijl dat bepalend was in de besluitvorming van hun naar het door oorlog geteisterde gebied.