Londen-aanslag: gevolg van geheime verstandhouding Britse staat met extremisten

Op 3 juni was de jongste aanslag gepleegd in Londen. De kranten melden dat de drie daders aangestuurd waren door terreurgroep Daesh, maar wat ze haast unaniem over het hoofd zien is de rol gespeeld door de Britse staat. Inderdaad, nader onderzoek naar de achtergrond van de daders onthult facilitatie door de Britse inlichtingendienst. Anders gezegd, de Londen-aanslag, met 8 doden en 48 gewonden, zou niet hebben plaatsgevonden, zonder de geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten.

We zien dat terug bij de drie aanslagplegers:

Rachid Redouane was een product van Brits interventies in Libië en Syrië. De van Marokkaans-Libische origine Ier Redouane (30) vocht in 2011 mee met de door de NAVO gesteunde oppositie tegen de Libische leider Gaddafi. Daar kwam hij in contact met al-Qaida gelieerde rebellengroepen én ontving training van o.a. Britse officiers. Bovendien was zijn uitreis mede mogelijk gemaakt door de Britse inlichtingendienst MI5.

Khuram Shazad Butt (27) wordt gezien als de leider van de bende. Butt kwam in contact met Redouane in Oost-Londen, waar ze beiden woonachtig waren. Butt, Brit van Pakistaanse komaf, was een “zwaargewicht” binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun en beïnvloed door Daesh-ronselaar Anjem Choudary. Al Muhajiroun heeft jarenlang de uitreis van extremisten gefaciliteerd onder toeziend en goedkeurend oog van de Britse inlichtingendienst. Zo kon Anjem Choudary alleen al 500 geradicaliseerde Britten exporteren naar conflictgebieden als Libië, Irak en Syrië.

Youssef Zaghba was een 22-jarige in Marokko geboren Italiaan en niet direct geholpen door de Britse staat, maar via haar begunstigers. Zaghba wilde aanvankelijk zelf uitreizen naar Syrië om daar in eigen woorden een “terrorist” te worden, maar werd door de Italiaanse autoriteiten tegengehouden. In plaats daarvan, vertrok hij naar Londen waar hij in contact kwam met Butt en Redouane – de twee terroristen waarmee hij de aanslag op 3 juni pleegde. Dat betekent dat conflictgebieden als Libië en Syrië niet meer de enige trainingsgronden voor terroristen zijn. Europese landen als Engeland zijn dat inmiddels ook – mede met hulp en facilitatie van de Britse inlichtingendiensten.

De link wordt hieronder per persoon inhoudelijk toegelicht.

 

Van links naar rechts: Youssef Zaghbha, Khuram Butt en Rachid Redouanelondon-bridge-attackers

Rachid Redouane
De Britse Telegraph berichtte het volgende over Redouane:

It was also claimed that Redouane fought in the Libyan revolution against Col Muammar Gaddafi and joined a militia which went on to send jihadist fighters to Syria.

Libyan security and diplomatic sources said he travelled to the North African country in 2011 and then returned in recent years while living in Ireland and the UK.

Hier zijn paralellen te trekken met de Manchester zelfmoordterrorist (Salman Abedi). Net als Redouane reisde ook Abedi in 2011 uit naar Libië. Abedi sloot zich aan bij de Libische al-Qaida, de LIFG.

Rachid RedouaneRedouane

Zoals eerder over geschreven is, werd deze uitreis gefaciliteerd door de Britse inlichtingendienst MI5. Dat werd ook wel de ratline genoemd of het open deuren beleid (lees hier meer daarover). Kort gezegd: MI5 voerde een zogeheten open deuren beleid voor burgers die vanaf het begin van de Libische opstand, naar het Noord-Afrikaanse land wilden uitreizen, om te strijden tegen Gaddafi. De Britse inlichtingendienst ondersteunde die onderneming omdat ze een gemeenschappelijke vijand in het vizier hadden: Muammar Gaddafi. Dat deze militanten wellicht banden hadden met of zich zouden aansluiten bij al-Qaida werd door de vingers gezien. Dit beleid was tussen 2011 en 2013 van kracht en dat was de periode waarin zowel Redouane als Abedi vertrokken naar Libië.

Wat de zaak nog verder compliceert is dat dit open deuren beleid werd overzien door de huidige Britse premier, Theresa May. Zij was toentertijd de minister van Buitenlandse Zaken.

De parallellen met Abedi houden hier niet bij op. Net zoals de Manchester-aanslagpleger sloot ook de Londen-terrorist zich aan bij een al-Qaida gelieerde doodseskader. In geval van Abedi was dat bij de LIFG en Redouane Liwa al-Ummah. De leider van (de Tripoli tak van) Liwa al-Ummah, Mahdi al-Harati, vocht onder hoede van Abdulhakim Belhadj, één van de topcommandanten binnen de Libische al-Qaida (de LIFG) – de groep waar Salman Abedi toe behoorde.

Verder is de kans groot dat Redouane opgeleid is door westerse officiers, wellicht wel Britse. Zo meldt de Noord-Amerikaanse magazine Foreign Policy dat Liwa al-Ummah training kreeg van Qatarese speciale eenheden. Uit Foreign Policy:

Its [ie. Liwa al-Ummah] fighters, who included many Libyan expatriates, had received training from Qatari special forces in Nalut, a town in Libya’s western mountains.

Deze Qatarese speciale eenheden werder ondersteund door o.a. Britse officiers. Dat blijkt uit een Wall Street Journal artikel opgegraven door terrorisme-expert Mark Curtis:

“A team of about 60 Qataris helped set up rebel command centers in Benghazi, the mountain city of Zintan and later in Tripoli, according to Qatari Staff Colonel Hamad Abdullah al-Marri, who later accompanied Mr.Belhaj on the march into Tripoli on Aug. 22, broadcast live on al-Jazeera. Mr. Marri said that during the rebel training, he interacted with about 30 Western liaison officers, including Britons, French and several Americans.” (dikgedrukt niet in origineel)

Daar houdt de westerse, en specifieker Britse, steun aan milities met banden met al-Qaida niet op. Die Britse assistentie liep namelijk door tot in Syrië.

Mahdi al-Harati, de leider van Liwa al-Ummah (in Tripoli), vertrok na de lynching van Gaddafi naar Syrië en richtte daar in 2012 de lokale tak op. Uit het artikel van The Telegraph blijkt dat ook Redouane in Syrië aan de kant stond van al-Qaida terroristen en hoogstwaarschijnlijk westerse steun ontvangen.

Volgens Foreign Policy sloot de Syrische tak van Liwa al-Ummah zich in 2012 aan bij het Vrije Syrische Leger (FSA). Het FSA is de voornaamste partner van het westen in het Syrische conflict en hebben de meeste steun en hulp ontvangen. The New York Times constateerde reeds in 2012 dat het gros van deze (westerse) assistentie is in handen kwam van al-Qaida gelieerde rebellengroepen. Niet verrassend dan dat het FSA eind 2012 haar onvrede uitte over de plaatsing van de Syrische al-Qaida (Jabhat an-Nusra) op de terroristenlijst. Deze stelling wordt verder onderbouwd door het feit dat het Liwa al-Ummah (en het FSA) veelvuldig samenwerkte met de Syrische al-Qaida (Nusra). Militaire blog The Long War Journal rapporteerde in 2014 dat Liwa al-Ummah, als onderdeel van het FSA, niet opgehouden was om samen te vechten met Nusra. Tegenwoordig is het FSA niet meer af te scheiden van Nusra.

Na zijn periode in Syrië keerde Redouane terug naar het Verenigd Koninkrijk. Ondanks deelname aan terroristische organisaties in het buitenland werd Redouane niet gearresteerd, en gezien rechtszaken tegen Syriëgangers valt dat te begrijpen. In 2014 en 2015 was de berechting van twee Syriëgangers namelijk afgebroken omdat anders de Britse inlichtingendienst in verlegenheid gebracht zou worden.

De eerste betrof Moazzam Begg, die in 2012 meermaals reisde naar Syrië. Uit de verslaglegging van de rechtszaak bleek dat Begg “was assisting opposition fighters in their war against Bashar al-Assad’s regime”. Dat was reden voor de Britse veiligheidsdiensten om hem aan te klagen voor het faciliteren van terrorisme in het buitenland. De rechtszaak viel echter nadat:

“MI5 belatedly gave police and prosecutors a series of documents that detailed the agency’s extensive contacts with him before and after his trips to Syria”

Oftewel, MI5 gaf groen licht aan Begg om uit te reizen naar Syrië en de gewapende oppositie te steunen, maar dat werd juist door de veiligheidsdiensten aangekaart als reden om hem te vervolgen!

Een gelijke proces was te zien bij de zaak tegen Bherlin Gildo. Gildo, een Zweedse burger, werd in oktober 2014 gearresteerd en aangeklaagd voor deelname aan terroristische organisaties. De rechtszaak viel echter “after it became clear Britain’s security and intelligence agencies would have been deeply embarrassed had a trial gone ahead”. De advocaten van Gildo beargumenteerden namelijk dat:

British intelligence agencies were supporting the same Syrian opposition groups as he was, and were party to a secret operation providing weapons and non-lethal help to the groups, including the Free Syrian Army.

Hier ook weer: Gildo hielp Syrische rebellengroepen die door de autoriteiten als terroristisch worden aangemerkt, terwijl diezelfde milities gesupport worden door MI5!

Dat geeft wellicht een verklaring waarom teruggekeerde Libië- en Syriëgangers, als de al-Qaida gelieerde Rachid Redouane, zo moeilijk berecht kunnen worden: dat schijnt licht op de geheime verstandhouding van de Britse inlichtingendiensten met al-Qaida gelieerde strijders en rebellengroepen in Libië en Syrië.

Khuram Butt
Khuram Butt werd gezien als een zwaargewicht binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun. Deze organisatie werd in Engeland opgezet in 1986 door de Syriër Omar Bakri Mohammed. In de jaren negentig onderhield oprichter Mohammed contacten met Osama bin Laden en faciliteerde de uitreis naar de Balkan. Daar sloten uitreizigers zich aan bij Bin Laden’s groep. Al Muhajiroun werd uiteindelijk in 2005 verboden na de 7/7 aanslagen in Londen en Omar Bakri Mohammed verbannen naar Libanon. Daar werd hij later meermaals veroordeeld en terecht gezet.

Khuram Butt799051cc9d7434d1e30930fbd0ba6e3af11336377460b4978b298420da4424a9_3971339

De extremistische groep wordt sindsdien geleid door Anjem Choudary – leerling van Omar Bakri Mohammed. Butt was een bekende van Anjem Choudary en vermoedelijk door hem ook geradicaliseerd. Een andere bekende terrorist geradicaliseerd door Choudary was Michael Adebolajo – de man die in 2013 soldaat Lee Rigby overdag in Londen neerstak.

Choudary wordt gezien als de voornaamste Britse ronselaar voor terreurgroep Daesh in Syrië, Irak en Libië; van de 850 Britse uitreizigers heeft Choudary er vermoedelijk 500 verzorgd. Uit gelekte bestanden van Daesh blijkt dat hij daarbij werd ondersteund door zijn mentor Omar Bakri Mohammed.

Twee derde van alle pogingen tot terreurdaden waarin burgers van het Verening Koninkrijk in binnen- en buitenland bij betrokken zijn in de afgelopen twintig jaar, zijn toe te schrijven aan leden van Al Muhajiroun.

Dat deze extremisten zolang hun werk hebben kunnen doen heeft volgens veiligheidsexpert Nafeez Ahmed te maken met een geheime verstandshouding met de Britse staat. Ahmed somt in zijn onderzoeksartikel een groot aantal bronnen op om zijn stelling te onderbouwen, een paar worden hier genoemd:

  1. Voormalig VS leger inlichtingenofficier, John Loftus, beweerde dat drie leden van Al Muhajiroun, waaronder Omar Bakri Mohammad, geworven waren door de Britse MI6 in 1996 om de al-Qaida’s terroristische activiteiten in de Balkan te coördineren;
  2. Omar Bakri Mohammad gaf in 2000 zelf toe Britse moslims naar het buitenland te sturen om te vechten en zei daarover: “The British government knows who we are. MI5 has interrogated us many times. I think now we have something called public immunity”.

Al Muhajiroun kon de uitreis van extremisten naar Libië en Syrië zo lang volhouden, volgens voormalige Britse inlichtingenofficial, Charles Shoebridge, in gesprek met veiligheidsexpert Nafeez Ahmed, omdat ze een gedeelde tegenstander als doelwit hadden: Gaddafi in Libië en Assad in Syrië. De Britten hadden zich in 2011 gecommitteerd om genoemde leiders te verdrijven en in het kader van die doelstelling werd de facilitering van extremistische uitreizigers ondersteund. Shoebridge zegt in die context over de Libië- en Syriëgangers:

““this ‘turning a blind eye’ was actually consistent with the UK govt position of intensive overt and covert support of rebel groups in Libya and Syria in attempting to topple Gaddafi and Assad”

Shoebridge zegt verder dat het wegkijken van de Britse overheid geen incident is, maar in lijn staat met:

“a long record of the UK government allowing, using and facilitating Islamist extremists to destabilise ‘enemy’ states, from Soviet occupied Afghanistan in the 80s, through Bosnia and Chechnya, to Libya and Syria today”

Hij voegt verder toe dat deze geheime verstandhouding pas ophield in 2013, toen terroristische organisaties als Daesh Britse en Noord-Amerikaanse belangen bedreigde en burgers doodde. In reactie hierop zeggen de autoriteiten dat de nodige wetgeving ontbrak om uitreizigers te vervolgen, maar dat wuijft Shoebridge weg: “First, it’s been illegal to take part in terrorist related activities abroad since 2006 and, second, the new legislation introduced since 2013 has itself barely been used.”

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat een extremistische groep als al Muhajiroun niet kon uitgroeien tot een haast terroristische reisbureau ware het niet zonder facilitatie van de Britse inlichtingendienst. Zonder deze steun zou Khuram Butt niet in contact zijn gekomen met de extremistische en Daesh-ronselaar Anjem Choudary en niet in dat netwerk van terroristen zitten en daarmee in aanraking met Rachid Redouane.

Yousef Zaghba
Normaliter reizen geradicaliseerde burgers uit naar landen als Syrië, Irak en Libië om daar opgeleid te worden tot terrorist. Ook Youssef Zaghba was dat van plan. In maart 2016 had hij een enkeltje geboekt naar Turkije met de intentie om door te reizen naar Syrië. Toen hij door de autoriteiten werd tegengehouden en ondervraagd over zijn motivatie, gaf Zaghba toe dat hij naar Syrië wilde om een “terrorist” te worden. Op de telefoon van de jonge Marokkaanse-Italiaan werd propaganda van Daesh gevonden.

Youssef Zaghba
youssef-zaghba2

De Italiaanse autoriteiten zorgden ervoor dat hij niet kon uitreizen. Zaghba was echter nog gedreven om zijn doelstelling te voltooien en zag een ander mogelijkheid om ‘terrorist’ te worden: Londen.

In Londen kwam de jonge Italiaan in het netwerk van de extremistische al-Muhajiroun terecht. Hij leerde daar Khuram Butt kennen, die in 2015 nog door de autoriteiten werd onderzocht voor zijn banden met terroristen. Het is bekend dat Butt geradicaliseerd werd door Anjem Choudary (en de in die kringen populaire haatprediker Ahmed Jibril) en het ligt in de lijn der verwachting dat hij Zaghba beïnvloedde. Daarmee wordt de samenhang met de geheime verstandhouding van de extremistische al Muhajiroun en de Britse staat duidelijk, aangezien de extremisten jarenlang zijn getolereerd door de Britse lichtingendiensten.

Tevens in Londen, kwam Zaghba in contact met Rachid Redouane, die teruggekeerd was van een periode bij terreurorganisaties in Libië en Syrië. De uitreis werd mogelijk gemaakt door het open deuren beleid. Redouane vertrok als geradicaliseerde jongere en kwam terug als professionele terrorist. De training had hij wellicht wel ontvangen van o.a. Britse officiers. De Britse autoriteiten waren niet in staat om zijn terugkeer te verhinderen vanwege collaboratie van de geheime diensten met extremistische organisaties, zoals de gedropte rechtszaken tegen Moazzem Begg en Bherlin Ghado getuigen. Deze ervaring en vaardigheden kon hij delen met andere extremisten als Khuram Butt en Youssef Zaghba. Samen pleegden ze hun gewelddaad op 3 juni.

De geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten heeft de War on Terror naar eigen land gebracht. Geradicaliseerde jongeren als Youssef Zaghba hoeven niet meer de oversteek buiten Europa te maken. Door extremisten in eigen land te laten groeien (als Khuram Butt) en terroristische ervaring in het buitenland op te doen (als Rachid Redouane), zijn plekken als Londen verworven tot trainingsgrond voor terroristen – en thuisplaats voor terroristische aanslagen, zoals de recente aanslagen in Londen en Manchester demonstreren.

Conclusie
Kortom, in de achtergronden van de drie daders, Rachid Redouane, Khuram Butt en Youssef Zaghba, zien we de onbedoelde gevolgen van Britse geheime verstandhouding met extremisten terug. Het is in feite een herhaling van de praktijken van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan. Deze drie landen steunden in de jaren tachtig de Afghaanse oppositie tijdens de Sovjet-Afghaanse Oorlog. Uit die collaboratie kwam al-Qaida en de Taliban voort en zoals bekend is pleegden die extremisten aanslagen in de landen die hen groot hadden gebracht. Oftewel, terroristen bijten altijd de handen die hen gevoed heeft. Zo nu ook in Londen en Manchester.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

 

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië
In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

 

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; zoverre was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Libische al-Qaida terrorist Abdulhakim Belhaj (links) op de foto met John McCain (rechts)
belhaj

 

 

Abedi en de LIFG
De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

 

Rat line
Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Gemotiveerd door westers buitenlandbeleid
Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback
De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om in te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.