Kan Turkije het Westen wel verlaten?

In de afgelopen weken en maanden hebben vele analisten geschreven over een mogelijke Turkse re-oriëntatie. Sterker nog, sommigen spreken zelfs van een scheiding met het Westen.

Het klopt dat recente ontwikkelingen Ankara heeft gedwongen om haar buitenlandbeleid te wijzigen conform de huidige, geopolitieke setting (zoals deze schrijver hier, hier en hier beargumenteerd heeft). Dat verklaart waarom Ankara strategische diepte (ie. vrienden) zoekt en de banden heeft genormaliseerd met regionale grootmachten als Rusland, Iran en Israël.

Een afscheiding, echter, gaat niet gebeuren.

Gekeken naar hard power (ie. op militair en economisch domein), is ondubbelzinnig opmerkbaar dat Turkije té sterk geïntegreerd is met de westerse wereld. Sterker nog: op sommige vlakken is Turkije afhankelijk van het westen voor stabiliteit en groei.

Wat echter wel gaande is dat Ankara beseft dat het afhankelijk is van het westen en daarop reageert. Daarvoor is het jaar 2023 cruciaal — 100 jaar na oprichting van de Turkse republiek. De Turken hopen in dat jaar zowel economische als militaire (relatieve) onafhankelijkheid te bereiken en daarmee hun status als (regionale) grootmacht terug verworven te hebben.

In dit stuk ga ik daar verder op in. Ik probeer meer duidelijkheid te geven op hoe Turkije exact (militair en economisch) verweven is met het westen, wat ze daar aan proberen te doen en wat er van de Turkse re-oriëntatie te maken is.

  1. Veiligheid

Turkije is een cruciale partner binnen de westerse veiligheidsalliantie. Dat heeft niet enkel te maken met haar geavanceerde leger en militaire capaciteiten, maar ook de geostrategische ligging. Turkije is een belangrijke uitvalsbasis voor de uitdagingen komende uit het Midden-Oosten (de strijd tegen IS) en bredere regio (ie. Rusland en in eerdere vorm als de Sovjet-Unie). Hierdoor heeft het Anatolische land zich na aansluiting bij de NAVO kunnen ontwikkelen tot een onmisbare schakel in het westerse alliantiesysteem. Die navelstreng relatie met het Westen is op te merken in de taken die Ankara uitvoert. De Turken zijn verantwoordelijk voor:

  • Het stationeren van tactisch nucleaire raketten van de V.S.;
  • Het schrikt, met deze kernkoppen, vijandig gepercipieerde staten af (ie. primair Rusland, secundair Iran);
  • Het behuist het X-Band radarsysteem, wat onderdeel uitmaakt van de bredere NAVO-luchtverdedigingsstructuur;
  • Het is het speerpunt van de gevechtseenheden van de alliantie — oftewel, het hart van het NAVO rapide responsesysteem.

Daar blijft het niet blij: Turkije importeert haar wapens en andere militaire apparatuur en materiaal voornamelijk vanuit het westen. Dit maakt duidelijk dat Turkije sterk geïntegreerd en afhankelijk is van het westerse alliantiesysteem.

1 Turkse defensie-exports en grootte leger (ivm NAVO partners)
wo-aw203_turkar_16u_20150420182122

Bron: http://www.wsj.com/articles/turkey-shifts-away-from-west-on-defense-1429608604

Ankara is op de hoogte van haar afhankelijke positie. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Ahmet Davutoglu, zei in 2015 dat de “painful experience” uit de Eerste Wereldoorlog leert om niet afhankelijk te zijn voor wapens en dergelijke van externe machten. Het bouwen van een onafhankelijke, binnenlandse wapenindustrie is daarom cruciaal, want: “[a] nation without its own defence industry cannot fight the cause of liberation”, aldus Davutoglu. In 2002, bij aantreden van de nog steeds zittende regering, importeerde Turkije 80% van al haar wapens uit het buitenland, zei Erdogan in 2015. Daar moet verandering in komen, zei de toenmalige Turkse premier en huidige president, door: “to eliminate external dependency on defense equipment supply with ongoing projects and investments by 2023″. Dit maakt duidelijk dat er duidelijk noodzaak heerst in Ankara om zelf wapens te produceren en om daarmee van haar afhankelijkheidsrelatie af te komen. Volgens Burak Bekdil, veiligheidsanalist bij Turkse krant Hurriyet, zit dit diep geworteld in de hoofden van de Turkse beleidsmakers. “Turkey’s rulers firmly believe that Turkey cannot be the regional power they wish it to become without a really deterrent military force,” zei Bekdil tegen Reuters.

De Turkse regeerders willen die doelstellingen bereiken door een eenvoudige stappenplan te volgen. Het doel is om: a) minder wapens en materiaal te importeren en b) deze zelf te ontwikkelen, door: 1) zoveel mogelijk zélf wapens te produceren en 2) indien dat niet mogelijk is, technologische kennis te verkrijgen door gezamenlijke producties met geavanceerde militaire mogendheden aan te gaan.

2. Grootste importeurs en exporteurs van wapens, 2010–14

Exporter Global share (%) Importer Global share (%)
USA 31 India 15
Russia 27 Saudi Arabia 5
China 5 China 5
Germany 5 UAE 4
France 5 Pakistan 4
UK 4 Australia 4
Spain 3 Turkey 3
Italy 3 USA 3
Ukraine 3 South Korea 3
Israel 2 Singapore 3

Bron: https://www.sipri.org/yearbook/2015/10

In relatie tot het importeren van militaire wapens en materiaal vertaalt dit, in de woorden van Erdogan, geuit op 30 april 2016, als volgt:

“Our reliance on [defense imports] has decreased to about 40%, from 80% in 2002. Our target is to bring this down to zero at the centenary of the republic [in 2023]. We’ll  not only be meeting our own needs, but we’ll also become the main supplier of friendly  and brotherly countries.”

Het streven, dus, is om niet alleen de import van defensie te diversificeren, maar ook een (binnenlandse) wapenindustrie te ontwikkelen. De Turken probeerden dit lang samen met haar westerse partners te bereiken, maar die spelen, volgens Ankara, onvoldoende mee. Die gepercipieerde onwelwillendheid wordt gehekeld door de Turken en is sinds de gefaalde putsch van 15 juli in mate (en sterkte) toegenomen. De Turkse minister van Defensie, Fikri Isik, herhaalde en bevestigde op 15 augustus die ergernis. Volgens Isik willen Turkije’ NAVO-partners niet hen helpen verder ontwikkelen en daarom zijn ze genoodzaakt om naar andere partners te kijken:

 If our allies’ approach remains to keep Turkey at arm’s length, that will force us to           develop our own capacity with other types of cooperation. We can’t shut the door to on NATO countries like Russia or China.

Met andere woorden: Ankara ziet het ontwikkelen van haar defensie en militaire capaciteiten als een noodzakelijke ontwikkeling, maar ziet weinig openingen en kansen aan kant van hun NAVO-partners. Dat motiveert ze om de banden te versterken en verbreden met militaire grootmachten als Rusland — een opponent van de NAVO.

Dit is niet de eerste keer dat de Turken hun ongenoegen uiten over hun rol en positie in de westerse alliantie. Geluiden om haar NAVO-lidmaatschap te herzien zijn in de afgelopen jaren meermaals geuit en sterker geworden. Recentelijk nog, in 2015, was de regering van plan om een luchtverdedigingssysteem van Chinese makelij aan te schaffen, dat niet geïntegreerd kon worden in de door NAVO aangelegde en met verweven veiligheidsinfrastructuur. Uiteindelijk ging dat plan niet door (niet ondanks en mede dankzij druk vanuit haar NAVO-partners). Anderen zagen hierin dat Turkije de “Russische kaart” speelde. Oftewel: de Turken dreigde met meer en diepere betrekkingen met Rusland, om zo meer concessies te trekken uit haar westerse bondgenoten. Niettemin, de Turkse dreigingen worden steeds luider en serieuzer. De minister van Buitenlandse Zaken Cavusoglu (10 augustus) zei hierover:

“But, Turkey needs to establish its own air defense system and it needs to develop its own technology with the cooperation of other countries. If you [the West] do not do it, if you do not approach us as NATO allies and if you look at Turkey with a different eye, then Turkey has to set off on a quest,”

Dat is duidelijke taal. Daarnaast lijkt de tijd en context zich ook in het voordeel van het anti-NAVO kamp te scharen. In 2015 werd gemeten dat 30% van de Turken tegen NAVO-lidmaatschap waren. Hoewel dit een significant aantal was (maar geen meerderheid), is de kans groot dat dit percentage flink is toegenomen sinds de mislukte putsch — gezien de beschuldigingen vanuit Ankara aan het adres van Washington (voor o.a. niet het uitleveren van de vermeende leider van de coupplegers, Gülen, en hun eigen (mogelijke) betrokkenheid) en dat de gefaalde coup uitgevoerd werd door het NAVO-gezinde deel van het leger.

In conclusie, Turkije maakt integraal onderdeel uit van het westerse alliantiesysteem. Een mogelijk beperkte of verminderde rol zal verregaande gevolgen hebben, voor zowel Turkije als het westen. Recente ontwikkelingen als de rapprochement met Rusland en de gefaalde putsch van 15 juli hebben de Turken echter geprikkeld om alternatieve opties in (her)overweging te nemen. De Turken zijn vastberaden om hun 2023 doelstelling van militaire zelfvoorzienendheid te bereiken én realiseren zich dat ze buitenlandse partners nodig hebben, maar zullen in het kiezen daarvan pragmatisch mee omgaan.

 

  1. Economie

Op (financieel-)economische vlak zal een mogelijke re-oriëntatie van het westen uiterst moeizaam lopen, indien dat überhaupt mogelijk is. Dat heeft te maken met hoe de regerende partij de economie heeft gebouwd en gestructureerd.

Sinds aantreden in 2002 wist Erdogan’s partij groei te realiseren door een combinatie van factoren, met een grote rol voor het implementeren van een neoliberale regime. Hierdoor werd het land aantrekkelijk gemaakt voor buitenlandse kapitaal. Volgens Turkse journalist Mehmet Cetingulec waren dit de essentiële ingrediënten van het ‘Turkse model’. De voormalige minister van Economie, Mustafa Elitas, beraamde dat Turkije op deze wijze, sinds 2002, $165 miljard aan Foreign Direct Investments (FDI) kon aantrekken. Oftewel: buitenlandse kapitaal was bepalend in de Turkse groei.

De keerzijde van deze groei waren (en zijn):

  • structurele tekorten in het budget
  • deze tekorten worden opgevuld door buitenlandse kapitaal (o.a. “hot money”).

Hierdoor is er een wezenlijke afhankelijkheid ontstaan met en aan buitenlandse kapitaal. Dit is duidelijk merkbaar in de Turkse aandelenmarkt, die, volgens officiële data, momenteel voor 64% in buitenlandse handen is, en kent een (huidig) budget tekort van $30 miljard en schuld van $180 miljard in vreemde valuta. De overgrote meerderheid van deze leningen en geldstromen komen voort uit westers financiële bronnen. Anders gezegd: westers kapitaal heeft Turkije grootgebracht en houdt het ook zo in stand.

3. Turkije’ private schuld

turkey-debt

De structurele tekorten in het Turkse budget worden hoofdzakelijk veroorzaakt door teveel import. Één van de primaire oorzaken hiervan is de afhankelijkheid aan energie. Turkije haalt haar energie (olie en gas) voornamelijk uit landen als Rusland en Iran.

Een ander hoofdoorzaak voor de structurele tekorten in het budget onstaat als gevolg van het hoge percentage aan geïmporteerde halffabricaten in de productie van de Turkse export — dit betekent dat groei in export automatisch een toename in importen met zich meebrengt.

Volgens de Turkse centrale bank wordt dit tekort veroorzaakt door een inadequate binnenlandse bevoorradingsketen. De meeste Turkse bedrijven moeten namelijk het gros van hun materialen en grondstoffen importeren, in sommige sectoren als in de petrochemische industrie tot wel 87%, waardoor het tekort in het budget chronisch is en blijft. “Each percentage point of GDP growth requires more current account deficit than historic averages”, zegt Murat Ucer, econoom bij consultany bureau GlobalSourcePartners, tegen The Financial Times.

Het tekort wordt verder aangedreven door een hoge binnenlandse consumptie, waardoor groei in industriële productie automatisch een toename van imports betekent, wat verder gestuwd wordt door de eenvoudig te verkrijgen consumentenkrediet.

Bovendien kennen de Turkse banken een lage mate aan deposits — oftewel, Turken leggen hun geld niet op de bank — en zijn daarom verder genoodzaakt om te lenen op buitenlandse markten. De binnenlandse schuld is sinds 2002 gestegen van 7 miljard TL naar 372 miljard TL in 2013. Simpel gezegd: Turkije koopt meer dan dat het zelf kan betalen en leent daarom van het westen om die gat op te vullen.

De structurele tekorten in het budget worden opgevuld door te lenen. Dit wordt gedaan op buitenlandse markten, waardoor een sterke afhankelijkheid ontstaat aan en van externe financiers, die vaak op zoek zijn naar een snelle manier om geld te verdienen (en daarom aan korte termijnleningen doen). Deze financiële geldstromen worden ook wel “hot money” genoemd — vanwege de snelheid waarmee het zich van land naar land verplaatst, constant op zoek naar aantrekkelijke rentekoersen.

Hier is de afhankelijkheid van Turkije aan het westen duidelijk op te merken. Het gros van dat buitenlandse kapitaal bestaan volgens Atilla Yesiladas, partner bij een in Istanbul gevestigde denktank, vrijwel volledig uit leningen, korte termijn obligaties en “hot money”. En dat kapitaal origineert hoofdzakelijk vanuit het westen. Inderdaad, het Turkse dagblad Hurriyet kwam tot de conclusie dat 85% van die investeerders uit Europa en Noord-Amerika komen.

4. Oorsprong buitenlandse kapitaal Turkije

turkey-fdi

Daarbij komt dat ongeveer 30% van de Turkse buitenlandse schuld (ie. 120 miljard dollar uit een totaal van $405 miljard) bestaat uit korte termijn leningen en deze komen óók primair voort uit Europese en V.S. financiële bronnen. De conclusie hiervan is evident: Turkije is op financieel vlak compleet afhankelijk van westers kapitaal.

Hier zit volgens Yesilada ook de reden waarom een publieke en permanente botsing tussen Ankara en haar westerse partners niet van lange duur zal zijn:

Without a fresh supply of loans, and financial investors abandoning its bond and equity markets, Turkish lira could weaken precipitously; heavily indebted Turkish companies could not be able to service their foreign debts; and Turkish banks could not be able to extend loans at home. Recession and double-digit inflation could ensue in the upcoming months.

Inderdaad, dat was ook na de mislukte putsch van 15 juli op te merken. De politieke instabiliteit die daarop volgde wekte zorgen op bij investeerders, waardoor gevreesd werd van kapitaalvlucht. Ozlem Derici, hoofd van een in Istanboel gevestigde investeringsmaatschappij, zei tegen Reuters, dat het uitroepen van de noodtoestand zal bijdragen aan onzekerheid onder investeerders. Dit zal leiden tot “capital outflows from conservative, rating-constrained funds while making it costlier for companies and banks to raise finance”. Anders gezegd: om niet op te drogen van financiële geldstromen, moet Turkije politiek stabiel blijven en ook zo overkomen. Dat maakt het uiterst gevoelig voor politieke druk vanuit westerse hoofdsteden.

Met andere woorden, de Turkse economie is intrinsiek verweven met westers financiële kapitalisme. Yesilada beargumenteert daarom dat Turkije de westerse alliantie niet kan verlaten, omdat: “over the years it has developed an umbilical cord to Western capital and goods markets”. Bovendien is het een uitdrukking van de macht en invloed die het westen heeft over Turkije: Europese en VS autoriteiten kunnen eenvoudig en zeer effectief druk uitoefenen op Turkije door hun banken te adviseren om geen geld meer uit te lenen.

Ook op dit vlak is Ankara (overduidelijk en logischerwijs) op de hoogte van haar afhankelijkheidspositie én wil dat ook veranderen. Dit maakt dan ook onderdeel uit van de 2023 visie, die, zoals eerder gezegd, het leven in is geroepen om militaire en economisch onafhankelijkheid te realiseren.

Om die 2023 doelstellingen realiteit te maken, zijn er een aantal megaprojecten gepland. Een aantal van die zijn: Turk Stream, een Trans-Anatolische gaspijplijn en drie nucleaire kerncentrales. Deze megaprojecten zijn bedoeld om de structurele tekorten in het budget weg te werken, door: 1) haar energie importafhankelijkheid te diversificeren en 2) zelf energie op te wekken en produceren.

Tegen 2023 hopen de Turken om met de drie nog te realiseren kerncentrales voor een derde zelf in haar eigen energiebehoeften te voorzien, waardoor de structurele tekorten in het budget sterk teruggedrongen worden. Daarnaast probeert de Erdogan-regering, volgens een Poolse econome gespecialiseerd in de Turkse economie, haar structurele tekorten te reduceren door:

” actively pursuing the policy of promoting Turkish goods abroad and modernising the export structure by increasing the share of high-technology goods in overall exports.

Dit betekent dat de zittende partij in Ankara serieus stappen maakt om haar economie te herstructureren en daarmee ook haar afhankelijkheid aan westers kapitaal.

In conclusie, op korte termijn heeft Turkije weinig tot geen bewegingsvrijheid. Westers kapitaal heeft de Turkse economie in handen. En aangezien de meeste 2023 projecten op lange termijn dividenden zullen opleveren, zal er op korte termijn weinig veranderen. Daarnaast is het nog de vraag of Ankara 1) in staat is om deze maatregelen succesvol te implementeren, 2) of het daadwerkelijk de structurele tekorten en afhankelijkheid aan westerse kapitaal zal terugdringen en, belangrijker, 3) of het weet tot minimaal 2023 in macht te blijven. Aan politieke wil zal het echter niet ontbreken.

Verlaat Turkije het westen?

Terugkomend op de vraag  ‘kan Turkije het westen wel verlaten?’ is het antwoord duidelijk: nee. Wellicht zou de vraag moeten zijn of Ankara dat überhaupt wel wilt. Turkije mag dan weliswaar de betrekkingen hebben genormaliseerd met Rusland en Iran, en dat zal gevolgen hebben op de (geo)politieke betrekkingen met het westen, maar dat is meer een uitdrukking en gevolg van het eigen streven om een regionale grootmacht te worden dan van een wens om het westen per se te willen verlaten. De Turken zoeken partners om die status te bereiken en de huidige wereld biedt meer mogelijkheden dan enkel het westen. Turkije maakt daar simpelweg gebruik van in dienst van haar ‘2023’ doelstellingen.

Advertenties

Turkije valt Syrië binnen. Zet het daarmee de alliantie met Rusland en Iran op het spel?

Op 25 augustus kwamen berichten naar buiten dat het Turkse leger met steun van VS luchtaanvallen en Vrije Syrische Leger (FSA) milities Syrië was binnen gedrongen. Wat zegt dit over de alliantie met de Russen en Iraniërs, die de Syrische soevereiniteit en territoriale integriteit willen beschermen? Oftewel: zet Ankara hiermee haar alliantie met Rusland (en Iran) op het spel? Het antwoord is simpel: Ankara doet wat het altijd gedaan heeft; dat is: haar eigen belangen najagen — of dat nou met de VS of Rusland is.

De Turken hebben de strategische Syrische plaats Jarabulus ingenomen, die tot voorheen in handen was van IS/Daesh. Hoewel de terreurgroep de dienst uitmaakte in het nabij de Turkse grens gelegen noordelijke stad, heeft deze inval daarmee niet te maken. Anders gezegd, de Turken zijn Syrië niet binnen gevallen om Daesh te verdrijven. De Turkse transgressie heeft te maken met de progressie van haar gezworen vijanden: de PKK gelieerde Syrische Koerden.

De Syrische-Koerden zijn in de opmars. Tegen 14 augustus hadden ze de noordelijk gelegen stad Manbij bevrijd van Daesh onder het vlag van de VS-gesteunde Syrian Democratic Forces. Dat leverde het momentum om verder, oostelijk te bewegen naar de strategisch belangrijke stad Jarabulus, die in handen was Daesh en haar laatste grote stad was nabij de Turkse grens. Dit was een ontwikkeling die zorgen baarde in Ankara, aangezien daarmee de kans vergroot werd dat de afzonderlijke Koerdische enclaves verenigd konden wonden in één streek (of Syrisch-Koerdistan).

Het prospect van een relatief autonome Koerdistan is een rode lijn voor de Turkse republiek. De Syrische Koerden werken nauw samen en zijn op vele vlakken verbonden met de (PKK) Koerden in Turkije. Ankara ziet in een Syrisch-Koerdistan derhalve bedreiging voor haar eigen territoriale integriteit en in algemene zin ook de Turkse republiek. Dat is een ontwikkeling die de Turken dus koste wat koste zouden tegengaan.

Het was in dat licht te verwachten dat de Turken actie zouden ondernemen. Ook gaat het waarschijnlijk hier niet bij blijven. De door de Turken gesteunde FSA milities zeiden tegen The Wall Street Journal dat dit onderdeel maakt van een grotere plan. Een leider van een Syrisch-Turkmeense groepering zei:

“Operations are most likely to continue southward; our main aim is to defeat Daesh and repel it from around Aleppo, especially the northern part, and to set up a safe zone there,”

Hoe rijmt dit met de genormaliseerde betrekkingen met Rusland, aangezien Moskou en haar partners allen tegen een opsplitsing van Syrië zijn?

Zoals ik in dit stuk ook heb beargumenteerd, met als voorbeeld het Aleppo offensief begin augustus: dit heeft te maken met 1) de regime change-infrastructuur die de Turken in de afgelopen jaren hebben opgezet, die niet overnacht ontmanteld kunnen worden, én 2) het is een geopolitieke troefkaart op de onderhandelingstafels. Zodra de onderhandelingen gaan starten over de toekomst van Syrië, willen de Turken ook meer macht en invloed gaan uiten en daarom de waarde van hun ‘chips’ vergroten. Het Koerdische aspect speelt daar ook een belangrijke rol in, omdat de Turken hun hand kunnen gebruiken om de Koerden zoveel mogelijk te weren van de onderhandelingstafels of hun plannen te dwarsbomen. Dat is de rationale achter de Turkse beslissing om Syrië binnen te vallen. Ook valt er weinig meer over te onderhandelen als Assad Aleppo heeft veroverd: de Syrische president heeft dan de meest belangrijke steden in handen. Wellicht daarom steunde de Noord-Amerikanen de Turken in hun transgressie.

Wat is de reactie van Rusland? Poetin belde met Erdogan en uitte zijn zorgen over de Turkse inval, maar veroordeelde de aanval niet. Dat betekent dat de Russen of 1) passieve toestemming gaven of 2) weinig aan de situatie kunnen veranderen, aangezien de Turken de goedkeuring en (militaire) support van Washington hadden gekregen. Wellicht is het een combinatie van beide, omdat de Turken met deze inval 1) terreurgroep IS bestrijden en 2) de vorming van een Koerdistan ondermijnen — twee doelstellingen waar de Russen en ook de Syriërs en Iraniërs zich in kunnen vinden. Dat de Turken dan deze actie doorzetten om Aleppo te bereiken en een safe zone op te zetten kan dan gezien worden als een maatregel om hun macht en invloed op de slagvelden te vergroten én daarmee ook op de onderhandelingstafels.

Naar een Moskou-Teheran-Ankara alliantie?

Vlak na de historische ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus ontving Turkije hoog bezoek vanuit Iran. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, bracht op 12 augustus als eerst hoog geklede official bezoek aan het land sinds de coup – een tweede, significante gebeurtenis en teken van de verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen. De gefaalde putsch van 15 juli en de snelle Iraanse response in steun voor Erdogan lijkt opening hebben geboden om een nieuwe axis te creëren: een Moskou-Teheran-Ankara alliantie. In hoeverre is hier sprake van en wat zegt dit over de relatie tussen Turkije en het westen?

De vorming van een dergelijke axis zijn in de afgelopen maanden steeds sterker zichtbaar geworden, en dat begon al voor de gefaalde putsch van 15 juli. Op 9 juni kwamen de Defensie ministers van Rusland, Syrië en Iran voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog in Syrië bijeen in Teheran; de Turks-Russische betrekkingen werden genormaliseerd op 9 augustus (lees hier en hier voor context); een dag voor de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus, was de Russische leider op 8 augustus in Baku (Azerbeijan) om de economische en geopolitieke betrekkingen met Iran en Azerbaijan (zoveel mogelijk) te harmoniseren; na deze ontmoetingen kwamen Russische en Iraanse officials bijeen, op 15 augustus, om Syrië te bespreken. Deze reeks besprekingen hadden tot als gevolg dat Ankara haar buitenlandbeleid vis-à-vis Damascus wijzigde: voor het eerst sinds vijf jaar versoepelen de Turken hun eis m.b.t. het lot van Assad.

Tot voorheen eiste Ankara het vertrek van de Syrische leider. De Turken houden hem verantwoordelijk houden voor de oorlog in het Levantijnse land. Echter, zoals eerder besproken, hebben recente ontwikkelingen Turkije doen dwingen om toenadering te zoeken met Rusland en Iran. Om dit mogelijk te maken moest Ankara haar standpunten ombuigen zodat ze in grote lijnen geïntegreerd konden worden met die van de Russische (en Iraanse). Dat werd bereikt op 20 augustus. De Turkse premier Yildirim zei toen dat “[w]hether we like it or not, Assad is one of the actors” die een oplossing kan brengen in Syrië. Oftewel, het op regime change geörienteerde beleid is tot een eind gebracht. Een overwinning en getuigenis van de groeiende macht van Rusland en Iran.

Dit betekent niet dat er wezenlijke verschillen zijn. Ook met Iran. Maar waar het omgaat is dat er overeenstemming is gevonden op algemene beginselen. Die gemeenschappelijke standpunten worden gevonden op:

  1. de strijd tegen IS,
  2. oppositie tegen Koerdisch separatisme (wat in Iran sinds kort ook opgelaaid is)
  3. anti-Amerikanisme.

Deze gedeelde posities zullen volgens de Iraanse viceminister van Buitenlandse Zaken, Hossein Jaberi Ansar “contribute to creating an environment suitable to solving the Syrian crisis”.  Er is voldoende grond om daar samenwerking m.b.t. Syrië op te baseren. Het zijn op deze drie punten waar ook Rusland aansluiting vindt en daarmee de Moskou-Teheran-Ankara alliantie licht ziet.

Dat is een bijzondere ontwikkeling die ingrijpende gevolgen zal hebben voor toekomstige geopolitieke gebeurtenissen. Dit samenwerkingsverband kan namelijk dienen als de eerste belangrijke test voor de Euraziatische grootmachten in het oplossen van een regionale conflict. Dat wil zeggen, met een minimale tot geen rol voor het westen. Mocht dit trilaterale partnerschap daarom succesvol uitpakken, kan dit verder uitgebouwd en geïntegreerd worden binnen het raamwerk van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie. De Shanghai-samenwerkingsorganisatie is opgericht door de Russen en Chinezen en wordt gezien als de Aziatische NAVO. Iran wordt in 2017 volledig lid en Turkije heeft zich sinds in 2015 “observer status” verworven. Veel hangt dus af in hoeverre er een antwoord voor het Syrische vraagstuk gevonden kan worden.

In Syrië lijkt deze trilaterale toenadering enigszins haar vruchten af te werpen. Zo maakten de Russen onlangs gebruik van een militaire basis in Iran om luchtaanvallen uit te voeren in Syrië – voor het eerst sinds 1979 mocht een buitenlandse macht hier gebruik van maken. Ook suggereerde de Turkse premier dat de Russen gebruik konden maken van de Incirlik militaire basis. Dat wil zeggen, de basis die ook gebruik gemaakt wordt door de VS en andere westerse krachten. Volgens de Turkse premier heeft Ankara de Incirlik militaire basis open gezet voor strijdkrachten die zich inspannen tegen IS en “if necessary” kan Moskou daar ook gebruik van maken. Het moet nog blijken of dit daadwerkelijk zal leiden tot een Russische militaire aanwezigheid in Incirlik, maar de gevolgen van de Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn zichtbaar.

Daarnaast traden ook de Aziatische grootmachten in de afgelopen weken naar voren om hun steun te uiten voor hun Russische en Iraanse bondgenoten. China en India herhaalden en bevestigden hun steun uit voor Assad. Een teken van de zegen en goedkeuring van de belangrijke leden van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie.

Betekent de vroege tekenen van een Moskou-Teheran-Ankara alliantie dat Turkije haar rug keert tegen het westen? Daar is het te vroeg voor. Turkije is en blijft voor de komende tijd onderdeel van het westerse alliantiesysteem en haar economie is sterk verweven met die van het westen.

Aan andere kant, heeft Turkije meermaals aangegeven niet tevreden te zijn met haar rol in de NAVO en ook over het Europese toetredingsproces. Deze onvrede is alleen maar versterkt door de gefaalde putsch en de westerse reactie daarop. Daarbij komt dat recente ontwikkelingen op de grond in Syrië zich niet in het voordeel van Turkije hebben vertaald. Deze gebeurtenissen hebben Ankara ervan overtuigt buiten haar traditionele (westerse) partners te zoeken naar mogelijkheden om haar belangen te vertegenwoordigen.

Daar komen Rusland en Iran in beeld. Moskou en Teheran, twee grootmachten met bovenmatige invloed in de regio, hebben Ankara een opening geboden om zichzelf te herpositioneren in het licht van haar eigen belangen en doelstellingen. Het is derhalve geen kwestie van het aangaan van een alliantie met Moskou en Iran en een mogelijke afscheiding van het westen, maar het volgen van belangen in overeenstemming met de (geopolitieke) realiteit.  Een wereld waarin Rusland (sinds de Russische interventie in Syrië) en (post-nucleaire deal) Iran, naast het westen, een significante rol in spelen.

Het is vanuit dit licht dat Turkije zich zal (her)positioneren. De verwachting is dat de Anatolische macht haar ‘natuurlijke’ positie en rol zal innemen, in historische en geografische zin. Dat wil zeggen: als brug tussen Oost en West. Dat betekent dat Turkije het westen niet zal verlaten en Azië zal joinen, maar het maximale uit beide werelden zal halen. Oftewel: het is niet of of, maar en en. De nieuw geboren Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn daar de eerste tekenen van.

Turkije: lid van het westen of Russische bondgenoot?

De ontmoeting op 9 augustus in St. Petersburg tussen de Turkse president en zijn Russische tegenhanger was zeker historisch te noemen. Binnen driekwart jaar gingen de Russen van vijanden naar “lieve vriend”, zoals Recep Tayyip Erdogan zijn Russische collega, Vladimir Poetin, liefkozend noemde. Maar het bleven niet enkel bij woorden. De Turken hebben veel concessies moeten leveren en zijn dichterbij de Russische positie komen te liggen. De vraag die rijst: hebben de Turken hun rug gekeerd tegen het westen? Of speelt Ankara de “Russische hand” om daarmee druk te oefenen op hun westerse partners? Beide niet. Wat de verzoening aangeeft is dat Turkije realiseert dat de wereld veranderd is, en in die nieuwe realiteit spelen de Russen een belangrijke rol. De Turkse heroriëntatie is derhalve bedoeld om zich in het licht van hun eigen belangen en doelstellingen te positioneren in die nieuwe context.

De deal, 2023 visie en interafhankelijkheid
De bevroreren relaties met de Russen heeft Turkije sterk geschaad. In economische termen heeft de Turkse economie, sinds het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (24 november 2015), klappen moeten verduren. Alleen al in de eerste vijf maanden van 2016 was de handel tussen beide landen gezakt met 43% (uit een jaarlijkse volume van $30 miljard). Inkomsten uit toerisme, een pilaar van de Turkse economie, nam vanuit Rusland af met 87%, wat vertaalt naar een schadepost van $840 miljoen. Ook waren economische projecten als de Akkuyu nucleaire reactor en Turk Stream gaspijplijn tot een halt gebracht.

Het terug op gang zetten van deze megaprojecten is niet alleen essentieel om de Turkse economie enigszins te herstellen, maar ook voor de ‘2023 visie’. De Erdogan-regering heeft zich binnen de ‘2023 visie’ als doel gesteld om aansluiting te vinden bij de top 10 economieën van de wereld. Dat moet bereikt worden in het jaar 2023 — 100 jaar na stichting van de Turkse republiek. In die doelstelling hoort een te realiseren BNP van $2 biljoen met een gemiddelde per capita inkomen van $20.000 (van een 2015 BNP van $718 miljard en een BNP per capita van $11.500). Om in de buurt van dat ambitieuze doel te komen speelt Rusland een cruciale rol: het (deels) zelf voorzien van en diversificeren van de Turkse energiebehoefte (waarover later meer). In algemene zin is het doel (binnen het kader van de 2023 visie) om de jaarlijkse handel tussen Turkije en Rusland toe te laten nemen van $30 naar $100 miljard — dat komt neer op meer dan een 8ste van de huidige BNP. Kortom: Rusland is een essentiële partner voor de Turken om haar 2023 te bereiken.

Rusland, aan andere kant, heeft Turkije ook nodig. Moskou kan niet meer via Oekraïne gas leveren aan Europa en heeft nieuwe ingangen nodig naar Europa. Daar komt Turkije in beeld. Middels Turk Stream vindt Rusland een opening naar de Europese markten. Dat is het niet alleen: deze projecten worden verder opgenomen in het bredere raamwerk van Euraziatische samenwerkingsverbanden, zoals de Russisch geleide Europees Economische Unie (en gekoppeld aan de Chinees gedreven Nieuwe Zijderoute). Maar, zo maakte de Russische Minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, voor de ontmoeting (op 22 juli) duidelijk: het repareren van de relaties zou sterk afhangen van “on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”.

Eens over Syrië, oneens over de strijdende partijen
De onderhandelingen over Syrië leken aanvankelijk niet verder te komen dan wat vooraf bekend en meer of minder reeds besloten was. Er was overeenstemming gevonden in: 1) het behoud van de Syrisch territoriale integriteit, 2) een wapenstilstand en 3) dat een toekomstige regering in Damascus alleen ingevuld kan worden op democratische wijze. Er bleven nog genoeg onenigheden over.

Tegenstellingen werden gevonden in het lot van de Syrische president, Bashar al-Assad. Moskou en Ankara nemen in zijn geval tegenovergestelde posities in: de Russen willen dat de Syrische leider in het zadel blijft; de Turken willen hem verdrijven. Veel van een mogelijke verzoening tussen Turkije en Rusland zou hiervan afhangen.

Erdogan gaf vlak voor de ontmoeting met Poetin een interview af aan de Russische staatszender TASS. In dit interview bevestigde en herhaalde hij zijn positie van de afgelopen jaren. Erdogan eiste: “the departure of Bashar Assad who is guilty for the deaths of 600,000 people”. Moskou verwerpt dat en staat achter Assad.

Verder onenigheid was m.b.t. de oppositiegroepen in Syrië. Het ging hierbij om welke oppositiegroepen als een terroristische groepering aangemerkt konden worden. De Russen zien álle gewapende groepen die embedded zijn met één van de terroristische groeperingen (ie. IS/Daesh en Jabhat an-Nusra/Fatah ash-Sham) als legitieme doelwit — in lijn met het VS onderhandelde raamwerk; Turkije is het eens betreft IS, maar niet over Fatah ash-Sham, voormalig Jabhat an Nusra, omdat: “al-Nusra front is also fighting against the Islamic State”, volgens Erdogan. Niettemin, de strijd tegen IS levert voldoende grond om de bilaterale betrekkingen tussen beide landen daarop te bouwen, wat volgens Poetin “the most important element of our joint work [is]”.

Samenvattend: ondanks dat beide partijen op vele punten dichterbij elkaar waren gekomen, waren er nog wezenlijke (geopolitieke) verschillen. Poetin bleek echter aan het eind van de sessie optimistisch: “We had a substantial and, I would like to stress, constructive conversation on the entire spectrum of bilateral ties, and on the international agenda”. Daags later gingen ministers en diplomaten aan de slag om de resterende kreuken zoveel mogelijk plat te strijken.

Toenadering en harmonisatie van beleid
De Turkse Mininister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, pakte de volgende dag de draad verder op en zei: “We have similar views on the ceasefire in Syria, humanitarian aid and political settlement”. Daar bleef het niet bij. Het lijkt erop dat Cavusoglu, en zijn konvooi van militaire, diplomatieke en inlichtingenexperts, met de taak berust waren op de Turkse positie te harmoniseren met die van hun Russische tegenhangers. Dat werd duidelijk uit het gezamenlijke verdedigingsmechanisme dat die dag, 10 augustus, werd geconstrueerd:

“Many countries are engaged in Syria actively. There could be mistakes (…) In order to prevent that, we need to put into practice the solidarity and cooperation [mechanism] between us including sharing of real-time intelligence.”

Dat is een significante gebeurtenis, niet alleen omdat hiermee het raamwerk om de strijd tegen IS te baseren gecreëerd werd, maar de Turkse beleidsmakers gaven hiermee ook aan dat ze een incident als het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig willen voorkomen. Dat is in zichzelf een belangrijke ontwikkeling, aangezien hiermee afgevraagd kan worden wat voor rol de Turken nog willen gaan spelen in het licht van de groeiende confronterende verhoudingen tussen de NAVO en Rusland.

De Turkse minister van Buitenlandse Zaken stelde echter zijn NAVO-partners direct gerust door te stellen dat dit samenwerkingsverband beslist geen “move against NATO” is, maar maakte wel duidelijk dat Ankara verder gaat kijken naar opties om haar belangen te verdedigen.

De daaropvolgende dag, 11 augustus, twee dagen na de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin, vonden de Turken meer aanknopingspunten met de Russen. Cavusoglu maakte de volgende statement: “”We think the same as Russia on Syria’s future. The next administration in Syria should be inclusive and cover everyone,” en voegde eraan toe dat de volgende regering “must be a secular one”. Dit was een indirecte toezegging dat: 1) de islamistische (ie. sektarische) oppositie geen zal toekomst hebben in Damascus en 2) hield de deur open voor de huidige machtshebbers in Syrië (de seculiere Ba’ath-partij).  Kortom: Ankara doet meer water bij de wijn en komt steeds dichterbij de Russische positie te liggen.

Geopolitieke troefkaart
Dit wil niet zeggen dat de Turken compleet hun positie hebben verlaten: Turkije steunt nog steeds de gewapende oppositie en probeert de uitkomst van de oorlog te beïnvloeden. Dat bleek onder andere uit het Aleppo offensief van 11 augustus. The Financial Times kwam met een rapport naar buiten dat dit offensief mede mogelijk werd gemaakt door buitenlandse hulp én dat Turkije daar een centrale rol in speelde. Uit het bericht:

 [T]he offensive against President Bashar al-Assad’s troops may have had more foreign    help than it appears: activists and rebels say opposition forces were replenished with   new weapons, cash and other supplies before and during the fighting.

(…)

  “At the border yesterday we counted tens of trucks bringing in weapons,” said one           Syrian activist, who crosses between Syria and neighbouring Turkey. “It’s been         happening daily, for weeks… weapons, artillery — we’re not just talking about some       bullets or guns.”

 

 Two other rebels (…) described cash and supplies being ferried in for weeks. They and    others believe the money and supplies came from regional backers, including Saudi      Arabia and Qatar, and were sent in trucks across Turkey’s border with Syria.

Dit geeft aan dat de uitspraken van Erdogan (gemaakt op 9 augustus, voor de ontmoeting met Poetin) niet alleen voor de achterban was. In de afgelopen vijf+ jaar is een enorme infrastructuur opgebouwd om de oppositiegroepen in Syrië te trainen, faciliteren, bewapenen en op allerlei andere manieren te steunen, waardoor deze operatie niet overnacht ontmanteld kan worden. Daarnaast: de Turkse steun en rol, in het door de oppositie uitgevoerde offensief in Aleppo, kan worden gezien als een poging om haar invloed op de toekomstige onderhandelingstafels (over de toekomst van Syrië) te vergroten. Dat wordt in het FT stuk als volgt uitgelegd:

 The city is Syria’s largest and the last remaining urban stronghold of the rebels, who        have been fighting for five years against Mr Assad. Without it, they could become a             rural rebellion with far less pressure to bear on political negotiations that world powers   hope will end the bloodshed.

De verwachting is dan ook dat de Turkse steun niet plots zal ophouden, althans niet voor een politieke en militaire oplossing is gevonden.

Naar een driestappenplan
Voor de punten waar Turkije en Rusland overeenstemming hebben gevonden, heeft Ankara een driestappenplan uitgebracht. De Turkse premier, Binali Yildirim, vatte deze tijdens een persconferentie op 15 augustus als volgt samen:

  • Het behouden en beschermen van de territoriale integriteit van Syrië.
  • Een inclusieve, seculiere overheid.
  • Het terug laten keren van de Syrische vluchtelingen.

De Turkse premier Yildirim bevestigt dat de vorming van een autonome Koerdistan (in het noorden van Syrië) bepalend was om de bevroren relaties met Rusland te ontdooien. Ook significant aan dit driestappenplan was welke rol het lot van Assad inneemt. Voor het eerst sinds vijf plus jaar lieten de Turken hun wens dat de huidige president van Syrië weg moest los. Althans, niet op korte termijn maar wel op “the long run” — wat betekent dat er ruimte wordt gelaten zodat Assad deel uit te maken van een transitieregering of kan meedoen aan verkiezingen.

De stapsgewijze Turkse toenadering tot de Russische is een demonstratie van de invloed en macht van Moskou en de huidige geopolitieke verhoudingen. Op algemene beginselen zijn de Turken op lijn van de Russen gekomen en daarmee is er voldoende grond gecreëerd om daarop de toekomstige samenwerkingen op te bouwen. Moskou heeft genoeg om mee samen te werken. Daarnaast was het Ankara die haar best moest doen om aanknopingspunten te vinden met de Russen. Dit geeft weer dat de Russen over de betere kaarten bezaten (en zitten). Verder heeft Moskou een invloedrijke partner er bij voor de komende onderhandelingen. Dat is iets wat met name Washington zal hekelen.

Turkije: ex-lid van het westen en vriend van Rusland?
De vraag die rest is: heeft Turkije nu afscheid genomen van het westen en aansluiting gevonden bij Rusland? Nee, een afscheiding van het westen gaat niet gebeuren en sterker nog: dat kan ook niet. Dat heeft te maken met de Turkse integratie in de westerse (financieel)economische en militaire wereld (daarover in een volgend stuk meer).

Echter, in geopolitiek perspectief, en in het bijzonder de crisis in Syrië, hebben spanningen tussen de VS en Turkije Ankara doen kijken naar andere partners om haar Koerdische zorgen weg te nemen. Daar komen de Russen in spel. Naast het belang van Rusland in het kader van de Turkse ‘2023 visie’, heeft Moskou de geopolitieke kaarten in handen. Sinds de Russische interventie september 2015 heeft Moskou haar plek in de regio terug weten op te eisen. De Turks-Russische rapprochement is een getuigenis en uitkomst van die status. En in die nieuwe realiteit is Ankara gedwongen om rekening te houden met de Russen, zoals de historische ontmoeting van 9 augustus bewijst.

In conclusie, Turkije zal zich niet scheiden van het westen, maar heeft zich in ieder geval ten opzichte van Syrië aan kant van Rusland gepositioneerd. Daarmee leveren ze een enorme klap uit aan vijf jaar regime change beleid van de VS (in relatie tot Syrië) én Rusland herclaimt haar status als grootmacht. Ongetwijfeld zullen beleidsmakers in Washington denken aan een countermove. The game is on.

Mislukte putsch overtuigt Erdogan van aansluiting bij Poetin

De mislukte putsch van 15 juli 2016 tegen de Turkse president, Recep Tayyip Erdogan, lijkt de Turkse integratie met Eurazië (ie. Rusland en China) in een stroomversnelling te hebben geplaatst. Was de Turkse president op 15 mei nog van mening dat de Zwarte Zee dreigde een “Russische meer” te worden, onderneemt hij post-coup de nodige stappen om de gebroken betrekkingen te repareren. De Turken voelen in toenemende mate verminderde steun en vertrouwen vanuit het westen, wat na de gefaalde staatsgreep alleen maar versterkt is geworden. Bovendien dwingen feiten op de grond Ankara om haar buitenlandbeleid aan te passen. De eerste post-coup buitenlandbezoek van Erdogan geeft duidelijk weer waar de Turkse prioriteiten gaan komen te liggen: Moskou.

Veranderende geopolitieke setting motiveert beleid Ankara
De Turks-Russische betrekkingen worden van oudsher gekenmerkt door wantrouwen en spanningen. In de huidige context is dat o.a. op te merken in het Syrische conflict: Ankara eist het aftreden van de Syrische president, terwijl Moskou hem in het zadel wilt houden. Deze tegenstellingen bereikten afgelopen november een hoogtepunt toen de Turken een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig uit de lucht hadden geschoten. Als gevolg daarvan werden alle betrekkingen bevroren.

Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter doen dwingen om hun opstelling vis-à-vis Moskou aan te passen en van koers te wijzigen. De Russische interventie in Syrië, gestart sinds eind september 2015, heeft de Syrische president, Bashar al-Assad, namelijk fermer in zijn zetel geplaatst en deelde mokerslagen uit aan (de door de Turken gesteunde) gematigde oppositie. Daarnaast zijn de Syrische Koerden hard op weg om een eigen staat te vormen — wat als een rode lijn beschouwd wordt voor de Turkse republiek. Kortom, het Turkse buitenlandbeleid ging van het bekende “zero problems” naar “only problems”.

Daarbij komt ook nog dat de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten de Syrische Koerden steunen — die gelieerd zijn aan de in Turkse ogen terroristische groepering PKK. Tevens hebben ze militaire basissen opgezet in de Koerdische delen van Syrië. De impliciete boodschap voor Ankara is evident: de traditionele (westerse) partners scharen zich aan zijde van haar gezworen vijanden.

De Koerden: bindende factor Erdogan en Assad
Gedwongen door deze nieuwe, geopolitieke context besloten de Turken om van tactiek te veranderen. De prioriteit ligt nog steeds bij het ondermijnen van een Syrische Koerdistan, maar nu langs Syrië, en daarvoor is Rusland nodig. Echter, om als een serieuze partner gezien te worden, moest Erdogan dat ook laten zien. Zoveel maakte de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, op 22 juli duidelijk tegen zijn Turkse tegenhanger. “Much will depend on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”, werd Lavrov geciteerd zeggende.

En dat deed Erdogan ook. Hij zette ten eerste op 5 mei zijn toenmalige premier, Ahmet Davutoglu, af. Davutoglu werd gezien als de architect achter het Turkse buitenlandbeleid en was een voorstander van hardere maatregelen tegen Syrië. Verder schreef Erdogan zelf op 12 juni een excuusbrief aan Poetin voor het in november 2015 neerhalen van een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (waarbij de piloot omkwam).

Deze publieke omwenteling kwam na maandenlange geheime onderhandelingen met Syrische diplomaten. Volgens Foreign Policy waren onderhandelaars, namens de zittende regering in Ankara, sinds januari 2016 bezig om een normalisatieproces op gang te krijgen. Een anonieme senior AKP-official rationaliseerde dit besluit tegen Reuters (17 juni) als volgt: “Assad (…) doesn’t support Kurdish autonomy. We may dislike one another, but we pursue similar politics with that regard”. Oftewel, de Turken hopen de vorming van een onafhankelijke Syrisch Koerdistan te ondermijnen, door de Syrische staat als unitaire entiteit te behouden. Daarvoor moet Ankara de betrekkingen normaliseren met Poetin en Assad, iets wat meer dan een maand geleden nog ondenkbaar was.

Hierbij is belangrijk om op te merken dat deze rappochement met Rusland niet spontaan is ontstaan, maar waarvoor de fundamenten reeds aangelegd waren: in 2015 bood Turkije zich aan om lid te worden van de ‘Aziatische NAVO’ (de Shanghai-samenwerkingsorganisatie, waar Rusland en China de oprichters van zijn); was tot voor kort van plan om een Chinees luchtverdedigingssysteem te kopen (significant hieraan is dat dit systeem niet geïntegreerd kan worden in de bredere NAVO luchtverdedigingsinfrastructuur); ging akkoord om Russische gas af te nemen (genaamd Turkish Stream, maar werd in de ijskast gezet na de crisis die ontstand als gevolg van het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig). Kortom, de Turkse aansluiting bij Rusland (en in breder verband China) volgt een reeds ingezette trend, maar die tijdelijk bevroren was wegens (geo)politieke omstandigheden.

Rusland vs. de VS: warm vs koud.
De mislukte putsch van 15 juli tegen Erdogan volgde op met zijn eigen heuse coup: het zuiveren van het staatsapparaat van oppositionele elementen. Hoewel dit ongetwijfeld bedoeld is om de positie van de Turkse leider te verstevigen, lijkt de gefaalde couppoging ook de Turkse re-oriëntatie van het Westen en naar Rusland (en China) te hebben geacceleerd. De daaruit volgende uitval met de Verenigde Staten spreekt boekdelen.

Terwijl de couppoging onderweg was, hield Washington zich afzijdig en veroordeelde de gepoogde machtsovername door het leger van meet af aan niet. Althans, dat is de heersende perceptie in Ankara. Toen eenmaal duidelijk werd dat deze putsch falende was, spraken de Amerikanen pas hun steun uit voor de zittende machthebbers. Deze aarzelende uiting van support werd door de Turkse regering niet in dank afgenomen.

De diplomatieke onenigheid tussen Ankara en Washington verergerde door de situatie rondom geestelijke leider Fethullah Gülen. Gülen, die verblijft in de VS, wordt door Ankara verantwoordelijk gehouden voor de mislukte putsch en eist zijn uitlevering. Washington weigert echter (bij gebrek aan juridisch bewijs) daar gehoor aan te geven. De Turken lieten het daar niet bij en begonnen druk uit te oefenen op hun langdurige NAVO-bondgenoot: op 19 juli werd de stroom voor de militaire basis in Incirlik uitgezet (waar er minimaal 2.500 Amerikaanse soldaten gestationeerd zijn, alsmede 50 tactische nucleaire raketten en wat de uitvalsbasis vormt voor de strijd tegen Daesh in Syrië en Irak); Ankara zette hoger in door op 26 juli president Obama er direct van te beschuldigen om de vermeende couppleger (Gülen) onderdak en rugdekking te geven. Dat werd gedaan door Bekir Bozdag, de minister van Justitie en vertrouweling van Erdogan; op 29 juli uitte ook Erdogan fel kritiek uit op zijn NAVO-partner, toen hij stelde dat de Amerikanen de “kant van de coupplegers” hadden genomen en op 31 juli werd de Incirlik-vliegtuigbasis afgesloten door 1.000 politiekrachten.

In schril contrast staan de (warme) reacties van de Russische president. Russische inlichtingendienst hadden volgens Arabische en Iraanse media hun Turkse collega’s  geïnformeerd over de aanstaande putsch en de volgende dag belde Poetin Erdogan persoonlijk op om zijn steun en vertrouwen in hem uit te spreken. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, was (25 juli) lofend hierover: “Russia has provided us with complete and unconditional support during the coup attempt, for that we are grateful to Putin and all Russian officials”.

Dat Ankara bereid is om de kwestie rondom Gülen zo ver te laten escaleren, is een duidelijke signaal dat de Turken de limieten van hun Atlantische partnerschap opzoeken. Belangrijker nog, dit geeft weer dat de Turkse regering ervan overtuigd is dat de VS een aandeel had in de mislukte putsch. In hoeverre er een zaak hiervoor te maken is, is irrelevant. Het gaat er om wat de Turkse machthebbers denken. Dat is cruciaal, want dat zal Turks beleid beïnvloeden en vormgeven.

Ook in relatie tot de Europese Unie (EU) is te zien dat de Turken hun betrekkingen anders willen vormgeven. Het voornemen om de doodstraf weer in te voeren reflecteert dat. Het introduceren van een dergelijke maatregel zou een potentiële lidmaatschap van de EU namelijk onmogelijk maken. Indien de Turken serieus zijn (om de doodstraf in te voeren), kan afgevraagd worden of ze überhaupt nog lid willen worden van de EU.

Het tijdperk van realisme
De Russische respons (op de mislukte putsch) creëerde een opening om de bevroren relaties met Ankara te ontdooien. Die kans werd ook gelijk gegrepen door de Turken. Vicepremier Mehmet Simsek reisde in de week van 27 juli af naar Moskou om de handelsrelaties weer te herstellen. Verder zijn de onderhandelingen over de gaspijplijn Turkish Stream herstart alsmede over de Akkuyu nucleaire kerncentrale. Bovendien laat de eerste buitenland bezoek (op 9 augustus) van president Erdogan duidelijk zien waar de prioriteit voor Turkije ligt: Rusland. Verwacht wordt dat tijdens deze ontmoeting, in de woorden van de minister van Economie Nihat Zeybekci, “the final impetus” zal worden gegeven aan bovengenoemde projecten. Belangrijker nog: hiermee zal een mijlpaal bereikt worden in de Turkse re-oriëntatie van het westen en naar Rusland en China. Een gebeurtenis die, volgens oud-topdiplomaat M.K. Bhadrakumar, gezien de centrale rol die Turkije speelt in het westerse alliantiesysteem, wellicht significanter zal kunnen uitpakken dan de 1979 Iraanse revolutie.

Een afscheiding zal echter niet gebeuren. EU landen als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijven de belangrijkste bestemmingen voor de Turkse export. Daarentegen staat wel dat de nummer één en drie importpartners respectievelijk China en Rusland zijn. Het Turkse buitenlandbeleid lijkt deze realiteit te volgen. Abdulkader Selvi, senior journalist bij de Turkse krant Hürriyet, typeert deze transitie (van het Turkse buitenlandbeleid) als een omschakeling van een “tijdperk van idealisme” naar een “tijdperk van realisme”. En in dat nieuwe tijdperk spelen Moskou en Peking een belangrijke rol.

De geopolitieke context van de Atatürk Airport terreuraanslag: cui bono?

Er is inmiddels al veel en vanuit verschillende hoeken geschreven over de terreuraanslag op Turkije’ grootste vliegveld, Atatürk Airport. Het geopolitieke aspect is echter wat me enorm interesseert. Hoewel er meerdere aanslagen zijn gepleegd in het afgelopen jaar, steekt deze, op het vliegveld, er boven uit. Dit heeft te maken met de geopolitieke context waarin deze aanslag gebeurd en de politieke geschiedenis van Turkije.
In de afgelopen weken was namelijk de contouren van een nieuw Turks (en post-Davutoglu) buitenlandbeleid op te merken, door: 1) het ontslaan van premier en tevens architect van Erdogan’s (voormalig) buitenlandbeleid, Ahmet Davutoglu; 2) normalisatie met Israël en 3), wellicht wel belangrijkste, rapprochement met Moskou.
Wat dan, heeft de aanslag met deze veranderende geopolitieke context te maken?
Geopolitieke prikkels
Om op bovengestelde vraag antwoord te geven moet als eerst onderzocht worden waar Ankara naar streeft. Oftewel, wat heeft de nieuwe geopolitieke context doen verschuiven?
De regering-Erdogan volgt wat sommige analisten een “neo-Ottomaanse” beleid noemen. Kort gezegd: Turkije moet volgens deze visie streven om haar eens verworven status als regionale grootmacht te heroveren. Davutoglu noemde deze zoektocht een “great restoration”.
Binnen dit kader, en in de context van de ontwikkelingen rondom Syrië, heeft de regering-Erdogan de volgende doelstellingen opgesteld:
  1. Turkije te positioneren als centrale doorvoerland tussen Europa en Azië;
  2. Het voorkomen van de vorming van een Koerdische staat in het noorden van Syrië

Betreft punt 1): De oorlog in Syrië is in vele opzichten een energie-oorlog. Syrië vormt door haar geostrategische ligging, net als Turkije, een belangrijke kruising in de energienetwerken, met name voor gaspijplijnen vanuit Iran en Qatar, en Erdogan wilt dat die pijplijnen, op weg naar de Europese markten, eerst langs Syrië en vervolgens Turkije gaan lopen. Daarmee hoopt Ankara haar machtspositie te vergroten. De Syrische president, Bashar al-Assad, had daar andere plannen over: hier meer daarover.

Dat was één van de hoofdredenen voor Erdogan om Assad te verdrijven en vervangen met een onderdanige cliëntregime, middels een bonte verzameling aan gematigde tot al-Qaida gelieerde milities (waaronder Jabhat an-Nusra en Ahrar ash-Sham). Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter gedwongen om het vigerend beleid te herzien. Een aantal van deze ‘push’-factoren zijn:
  1. Economische vooruitzichten zijn somber;
  2. Oorlog met PKK destabiliseert het land en heeft 200.000 vluchtelingen veroorzaakt;
  3. Extreme toename IS-aanslagen en andere, terroristische groeperingen;
  4. Russische interventie in Syrië heeft ervoor gezorgd dat Assad voorlopig nog aan de macht blijft (het verdrijven van de Syrische leider was één van de hoofdprioriteiten van Erdogan);
  5. Toetreding tot EU loopt op niets uit;
  6. 2+ miljoen Syrische vluchtelingen legt hevige druk op het land;
  7. Syrische Koerden zijn hard op weg om een eigen staat te vormen in noord-Syrië — een rode lijn voor de Turkse staat.

Betreft punt 2): in de afgelopen weken en maanden is gebleken dat Noord-Amerikaanse, Britse, Duitse en Franse special forces op dit moment aanwezig zijn in noorden van Syrië (ie. zonder toestemming van de regering in Damascus). Ze vechten daar zij aan zij met de Koerdische groepen tegen terreurgroep IS.

Die westerse aanwezigheid (in het noorden van Syrië) wordt door zowel Damascus als Ankara met argusogen bekeken. Zij zien daarin impliciete support áán én vóór een (semi-)onafhankelijke Koerdistan. Dat is iets waar zowel Ankara als Damascus niet willen en zullen laten toestaan. President Assad heeft namelijk al aangegeven alle (verloren) terrein terug te willen heroveren en de vorming van een Syrisch-Koerdistan wordt door Turkse beleidsmakers gezien als een bedreiging voor haar territoriale integriteit.

Anders gezegd: Turkije als Syrië zien binnen een prospect Syrisch-Koerdistan gemeenschappelijke doelen. Het is in dit perspectief dat de heimelijke onderhandelingen tussen Turkse en Syrische officials (gestart sinds april 2016 via Algerije) bezien moet worden: beide partijen proberen hun oppositionele beleid tegen de Koerden te harmoniseren.

Samenvattend: twee van Turkije’ hoofddoelen zijn in de afgelopen periode in gevaar gekomen: 1) het positioneren van Turkije als een cruciale doorvoerland en 2) de vorming van een Syrisch-Koerdistan.

Genoeg prikkels voor Erdogan om van beleid te veranderen, en dat deed hij ook:
  • sinds april 2016 praat Ankara weer met Damascus, dit gebeurde met hulp van Algerije.
  • het afzetten van Davutoglu, de architect van het voormalig buitenlandse beleid van Erdogan.
  • normalisatieproces op gang gezet met Israël ondanks een lopende rechtszaak (mbt het humanitaire schip Mavi Marmara, het liquideren van Turkse activisten en het opheffen van de blokkade op Gaza).
  •  excuses geboden aan Poetin voor het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig (november 2015).
De (Euraziatische) toon is gezet
Turkije zette hiermee stappen naar een meer gebalanceerd buitenlandbeleid, als brug tussen Europa en Azië. Dat wordt onder meer weergegeven in de (militaire) allianties die Ankara wil aangaan: Turkije is reeds lid van de NAVO en meldde zich in 2015 aan om ook lid te worden van de Aziatische variant (de (Chinees-Russische geleide) Shanghai-samenwerkingsorganisatie). Dit weerspiegelt het streven van Turkije om zich te positioneren als verbindende natie tussen Oost en West.
Binnen dit raamwerk moet de rappochement met Rusland en normalisatie met Israël gezien worden: het verdiepen van het Euraziatische integratieproces. Dat wordt gedaan onder meer gedaan door de gaspijplijn met Israël te herstarten en, belangrijker nog, ook die met Rusland (genaamd Turk Stream). De Russische gaspijplijn zal worden verbonden met het zuidoosten van Europa, waardoor Turkije dichterbij haar “neo-Ottomaanse” streven zal komen om zich als cruciale doorvoerland te positioneren (kort omlijnd hierboven).
Erdogan’s re-oriëntatie moet echter ook niet overschat worden: Turkse militaire eenheden staan nog steeds klaar langs de Syrische grenzen en de veiligheidsdiensten faciliteren nog steeds de bonte verzameling aan jihadisten naar Syrië. Cruciaal is echter dat de toon gezet is.
Turkse re-oriëntatie versus aanslag airport
Hoe kruist deze Turkse geopolitieke re-oriëntatie met de terroristische aanslag op Atatürk Airport?
Een voorbeeld uit het verleden wordt gehaald om deze aanslag in perspectief te plaatsen: de eerste coup in Turkije was tegen de regering van Adnan Menderes (Democratische Partij). Deze coup, uitgevoerd door het leger, was gedaan omdat Menderes ontevreden was over de macht en invloed van de VS over de Turkse veiligheidsdiensten. Tevens uitte hij kritiek uit op de structurering van het westerse alliantiesysteem en zocht derhalve toenadering tot de Sovjet-Unie, zoals hier uitgelegd wordt:
“As a matter of fact, Menderes was not content with the structure and control the CIA had within Turkey’s National Intelligence Organization (MİT). The U.S. even paid MİT officers’ salaries. Menderes’s visit to Moscow in order to prevent the intervention and find support for his cause irritated the U.S. Moreover, Menderes’s collaboration with Iran, Iraq and Pakistan via the Central Treaty Organization (CENTO) scared the U.K.”
Dat was aanleiding voor de coup. Nadat de coup succesvol was verlopen, spraken de coupplegers onmiddelijk hun steun uit voor en om onderdeel te blijven van het westerse alliantiesysteem:
“Our goal is the full observance of the U.N. Charter and Universal Declaration of Human Rights. Great Atatürk’s ‘Peace at home, peace at world’ principle is our flag. We are loyal to all our alliances and commitments. We are a part of NATO and CENTO,”
Dit was aanleiding voor vele analisten om te suggereren dat deze coup uitgevoerd werd op goedkeuren én bevel van Washington. De vraag is: is een zelfde model toegepast op Turkije? En indien dat het geval is: wat staat Erdogan en Turkije nog meer te verwachten?

Waarom Ankara’s anti-IS maatregelen gericht zijn op de Koerden

(Dit is een oud stuk uit juli 2015)

Turkije heeft besloten om actie te ondernemen tegen de Islamitische Staat (IS of Daesh). Aanleiding was de door IS gepleegde aanslag in Suruc, waarbij 32 Koerdische socialisten omkwamen. Een aantal van die maatregelen zijn: aanvallen op IS-doelen in Syrië, het arresteren van jihadisten (en Koerdische socialisten) én toestemming verlenen aan Washington om haar Incirlik luchtmachtbasis in gebruik te nemen (in strijd tegen IS). Hiermee wekt het Erdogan regime de indruk dat ze (eindelijk) bereid zijn om tegen Daesh op te treden — na jaren van een dubieuze verstandhouding.

Genoemde maatregelen zullen echter ontoereikend zijn om de terreurgroep te stoppen. Ankara maakt gebruik van het momentum (voortvloeiend uit de IS-aanslag) om aan haar eigenlijke doelstellingen te werken:

  1. Voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen haar populariteitscijfers te verhogen (in navolging van een parlementaire meerderheid);
  2. Het ondermijnen van de Koerdische bewegingen in zowel Turkije als Syrië;
  3. Ter aanvulling op vigerend beleid met betrekking tot Syrië.

Alle politiek is lokaal
Het bekende adagium ‘alle politiek is lokaal’ is een handige vertrekpunt om de daadwerkelijke redenen van de anti-IS maatregelen te achterhalen. Tijdens de algemene verkiezingen van 7 juni 2015 kwam de AKP als winnaar uit de bus kwam, maar verloor het haar hegemonische status. De AKP ging van 327 zetels naar 258, en behaalde voor het eerst geen meerderheid in het parlement. Die afname was mede te danken aan het buitenbeleid dat de regerende partij de afgelopen jaren gevoerd heeft, in het bijzonder: Syrië.

In haar streven om de ontwikkelingen in naburig Syrië naar eigen voordeel te sturen beroepte Turkije zich op allerlei rebellengroepen. Een aantal van die rebellengroepen gingen later deel uitmaken van IS. Toen deze terreurgroep haar pijlen ging richten op de Koerdische volkeren in zowel Syrië als Irak, kwamen de spanningen tussen de Koerden en Ankara weer eens tot een hoogtepunt; met name toen Daesh, in september 2014, de Syrisch-Koerdische plaats Kobani/Ayn al-Arab aanviel. De Koerden verweten het Turkse leger ook om toe te kijken zonder in te grijpen én Turks-Koerdische hulp aan hun Syrische verwanten te blokkeren.

Dit motiveerde de Turkse Koerden om hun stem in de afgelopen verkiezingen niet op de zittende regering (AKP) uit te brengen, maar op de (pro-)Koerdische HDP — momenteel de vierde partij in het parlement, geleid door de Koerdische socialist Demirtas. Hierdoor kwam de AKP voor het eerst zonder parlementaire meerderheid te zitten en laakt het daarmee het benodigde mandaat om haar beleid voort te zetten.

Dit betekent echter niet dat de AKP zich bij de verkiezingsuitslagen heeft neergelegd. Sterker nog, de AKP gaat voor een tweede ronde. Dat wordt duidelijk in de houding die president Erdogan sindsdien heeft aangenomen; de Turkse leider heeft de vorming van een nieuwe regering herhaaldelijk weten te vertragen en daarmee schijnt Erdogan licht op zijn tot dan verborgen ontwerp: het (demissionair) kabinet stuurt aan tot nieuwe verkiezingen. De AKP-leiders ontkennen dat zelf ook niet, zoals Turkije-kenner Peter Edel pent in een recente column:

‘Aldus liet Davutoglu doorschemeren dat nieuwe verkiezingen nog altijd de voorkeur hebben voor de AKP, iets waar Erdogan eerder ook al op zinspeelde.’

De maatregelen tegen IS vervullen in dit licht een tweeledige functie: 1) het is een poging om, voor het uitschrijven van nieuwe verkiezingen, verloren stemmers terug te winnen; 2) het dient als een dekmantel om de socialistische Koerden te verzwakken én staat in dienst van haar Syrië-beleid.

Ongeloofwaardig

Erdogan heeft na jaren protest van de oppositie besloten om actie tegen Daesh te ondernemen. Het heeft in de afgelopen dagen o.a. aanvallen op IS-doelwitten uitgevoerd, IS- militanten opgepakt en een plan onthuld om de grens met Syrië te bewaken. Hiermee wil het demissionair kabinet aantonen dat het inderdaad toegewijd is om de Koerden te beschermen, maar de huidige maatregelen zullen daarvoor ontoereikend blijken.

Een aantal maatregelen die niet ondernomen worden maar bewezen zijn in het bestrijden van IS, zijn: 1) de levering van wapens (door de Turkse grens) naar IS-milities tot een halt roepen, 2) actoren steunen die een CV in het decimeren van Daesh hebben opgebouwd (ie. Koerdische volkseenheden, Syrië, Iran, Hezbollah & Irak) en 3) landen direct verantwoordelijk voor de opkomst van IS, zoals Saoedi-Arabië, bekritiseren en diens steun aan de terreurgroep laten stoppen.

Bovendien zou Turkije ook moeten stoppen om de rebellengroepen te steunen die op hun beurt weer al-Qaida gelieerde doodseskaders steunen (zoals Jaish al-Fatah, eerder uitgelegd hier).

Anti-IS of Koerdisch?
Het tweede doel van de anti-IS maatregelen hebben niet alleen met de takfiri terreurgroep te maken, zoals dat ook duidelijk wordt uit onderstaand statement van de Turkse premier Davutoglu:

“The State of the Turkish Republic is adamant on fighting all terrorism without distinction as it has always done, be it the terrorist organisation of Daesh [Isis], the terrorist organisation of the PKK or any other international terrorist organisation,”

Dit verklaart waarom de Turkse autoriteiten tijdens haar invallen op IS-locaties óók Koerdische socialisten heeft gearresteerd, waarbij er één Koerdische DHPK/C-militant is omgekomen (tegenover nul jihadisten). Ankara probeert hiermee twee vliegen in één klap te slaan. Enerzijds breekt het de ontwikkeling van een sterke Koerdische beweging in Turkije en ondermijnt het de vorming van een autonome Koerdistan in Syrië, en anderzijds boost het haar populariteitscijfers door naast terreurgroep IS ook de PKK in het vizier te hebben (die door het Turkse regime geclassificeerd wordt als een terroristische organisatie). Anders gezegd: de AKP probeert het Turkse volk achter zich te krijgen door twee terreurgroepen te bestrijden.

Deze aanpak is des te meer opmerkelijk (en getuige van realpolitik), daar de 32 gedode Koerdische socialisten bij de IS-aanslag in Suruc, dezelfde ideologie delen als de Koerdische socialisten die gearresteerd worden door het Erdogan regime én óók bezig waren om hun Syrische verwanten in het door YPG gerunde Kobani/Ayn al-Arab te helpen!

De rol van Syrië

Ankara heeft ook de IS-aanslag in Suruc in dienst van haar buitenlandbeleid weten te construeren. Het uit de aanslag voortvloeiende (politieke) momentum is gebruikt om acties tegen IS-doelen in Syrisch grondgebied te rechtvaardigen, en zo legitimeert Ankara haar militaire aanwezigheid in Syrië. Dit brengt haar dichterbij haar plan om Syrië te ondermijnen (uitgelegd hier).

De Turkse leider heeft in de afgelopen jaren meerdere malen gepoogd om een casus belli voor militaire interventie in Syrië te creëren; case in point is het plot om de tombe van Süleyman Sjah — die sinds kort geleden op Syrisch grondgebied te vinden was — op te blazen. In maart 2014 kwam uit gelekte audiogesprekken tussen hooggeplaatste officials, waaronder de huidige premier Davutoglu, naar voren dat Ankara van plan was om de tombe van de vaderfiguur uit de Ottomaanse geschiedenis te vernietigen, om daarmee steun voor militaire interventie te legitimeren. Tevens blijkt uit de gesprekken dat ze hiermee de NAVO wilden dwingen om een no-fly-zone in te stellen.

Het lijkt erop dat dit nog steeds het werkend beleid is. Dat blijkt uit de recente deal die Turkije met Washington afgesloten heeft. In ruil voor Noord-Amerikaanse toegang tot haar luchtmachtbasis in Incirlik, heeft het Obama regime toezegging gedaan om een buffer- en no-fly-zone in Syrië in te stellen. Dit is een lang opgehoopte wens van Erdogan . Hiermee tracht Ankara om een stuk Syrisch grondgebied eigen te maken, waarmee 1) een autonoom Syrisch-Koerdistan ondermijnd kan worden en 2) wapens en strijders (zonder Syrische en buitenlandse inmenging) vrije doorgang geboden kan worden om het verloop van de ontwikkelingen in het Syrische conflict zoveel mogelijk naar haar voordeel te sturen.

Kortom, hoewel Turkije vanuit haar officiële kanalen beweert dat haar maatregelen bedoeld zijn om IS te verzwakken, zijn de effectieve doelstellingen het volgende: 1) het vergroten van haar waarderingscijfers vergroten in de hoop om een parlementaire meerderheid af te dwingen bij de volgende verkiezingen, 2) de macht van de Koerdische bewegingen/actoren in zowel Turkije als buurland Syrië te verzwakken en 3) ter aanvulling op vigerend buitenlandbeleid met betrekking tot Syrië.