Vijf misvattingen over terrorisme

In het publieke debat en discours over terrorisme zijn een aantal mythes en misvattingen ingeslopen en die voor waar worden aangenomen. Denk hierbij aan de gedachte dat alle aanslagen in het westen gepleegd worden door al-Qaida, Daesh en de gelijken (vanaf nu takfiri terrorisme) en dat er sprake zou zijn van een ‘gouden tijdperk van terrorisme’. Hieronder zal ik met behulp van feitelijke documentatie een vijftal van die misvattingen uit de wereld helpen:

  1. Alle aanslagen in de westerse wereld worden gepleegd door takfiri terroristen;
  2. De meeste slachtoffers van terroristisch geweld vallen in de niet-westerse wereld, maar is de schaal bekend?
  3. Er worden steeds meer terroristische aanslagen gepleegd in West-Europa, met name na 9/11;
  4. De onderschatte dreiging van extreemrechtse terreur;
  5. De sterk overschatte rol van vluchtelingen en nieuwkomers in terrorisme .

 

1.Takfiri terrorisme zijn in de minderheid
Terrorisme is (in het westen) niet het exclusieve domein van al-Qaida, Daesh en de gelijken. De meerderheid van de aanslagen worden namelijk niet gepleegd door takfiri terroristen. Sterker, van 2006 en 2013 betrof het in de Europese Unie (EU) een insignificant aantal, namelijk: 0.7%. Volgens Europol kwam in die periode de meeste dreiging vanuit separatistische hoek. In het opvolgende jaar (2014) was één aanslag gepleegd door een takfiri terrorist; in 2015 was dat 17 op een totaalaantal van 121; en in 2016 zakte dat naar 13 van de 142 aanvallen. In het jongste rapport van Europol (2017) wordt nogmaals geconstateerd dat de meeste aanslagen (99 van 142) op naam komen van separatistische bewegingen. Denk hierbij aan afscheidsbewegingen als de IRA, ETA en PKK. De Ierse separatistische groepering Dissident Republicans, ook wel de ‘nieuwe IRA’ genoemd, maakte bijvoorbeeld één dodelijke slachtoffer in maart 2016, toen ze een explosief onder een busje van een gevangenisbewaarder lieten afgaan. Een ander voorbeeld: Britse politica Jo Cox was in juni 2016 om het leven gebracht door rechtse extremist Thomas Mair vanwege haar standpunt m.b.t. Brexit.

Eenzelfde beeld is te zien in de Verenigde Staten (VS). Uit cijfers van de FBI blijkt dat 94% van de terroristische aanslagen, in de periode van 1980 tot 2005, gepleegd waren door daders zonder een islamitische profiel. Een studie ondernomen door de National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism kwam tot de conclusie dat tussen 1970 en 2011 slechts 7% van alle aanslagen gepleegd waren door terroristen met een “religieuze overtuiging” (hierbij verwijzend naar al-Qaida en de gelijken). Het grootste percentage (32%) maakte groepen op die gemotiveerd werden door een etnonationalistische of een separatistische agenda, vervolgens 28% door single-issues (als dierenrechten of anti-oorlog), 22% extreemlinks en 11% extreemrechts. Een bekend voorbeeld is de slachtpartij aangericht door witte nationalist Dylann Roof. De 21-jarige suprematist richtte zijn geweer op Afro-Amerikaanse kerkbezoekers in Charleston en ontnam daarbij negen levens.

Niettemin, de aanslagen gepleegd door takfiri terroristen van de afgelopen jaren waren wel erg dodelijk. Bij de gewelddaden in Brussel (2016) kwamen 32 burgers om, Nice (2016) 84 en Parijs (2015) 130. Daarmee komt het gros van de slachtoffers in de afgelopen jaren op conto van takfiri terroristen – in de periode 2000 – 2013 tot 40% van alle doden door terrorisme. In het afgelopen jaar zelfs bijna alle doden (135 slachtoffers uit een totaal van 142).

In conclusie: takfiri terroristische aanslagen zijn erg dodelijk, maar is niet het enige gevaar. Extreemrechtse, separatistische en etnonationalistische groeperingen vormen ook een sterke dreiging.

2. De grootte van de dodelijke gevolgen van terrorisme in de niet-westerse wereld
Waarschijnlijk is het bij het grote publiek bekend dat voornamelijk de niet-westerse wereld gebukt gaat onder de dodelijke gevolgen van terrorisme. De vraag is echter of de werkelijke schaal bekend is. Een onderzoeksartikel van de Washington Post biedt daarover duidelijk: “Since the beginning of 2015, the Middle East, Africa and Asia have seen nearly 50 times more deaths from terrorism than Europe and the Americas” de Washington Post. Met de grafiek hieronder worden die verhoudingen hieronder gevisualiseerd:

 

Dodelijke slachtoffers van terrorisme wereldwijd (periode 2001-2014)
afbeelding 1
Bron: Huffington Post (2015)

 

De top drie bestaat uit moslimmeerderheid landen. Het eerste westers land op de lijst is de VS op #7. Wanneer 9/11 uit de data wordt gehaald, dan blijft er géén enkel westers land in de top tien over. En ter vergelijking: bij alle door Daesh gepleegde terroristische aanslagen in de westerse wereld (53) kwamen 425[1] om. Terroristisch geweld is dus voornamelijk een probleem voor de niet-westerse wereld.

Hoe komt het dat er onduidelijkheid heerst m.b.t. de schaal van terrorisme in de westerse en niet-westerse wereld? Volgens socioloog Sean Darling-Hammond te maken met de mediaberichtgeving (of het gebrek daaraan). Darling-Hammond verzamelde data van elk van de 300 gerapporteerde terroristische aanslagen in het jaar 2015. Hij constateerde het volgende over het aantal artikelen toegewijd aan terroristische aanslagen in november 2015: 392 mediaberichten over de aanslag in Baghdad; 1.292 aan Beiroet en meer dan 21.000 over de gewelddaad in Parijs. De onderzoeker concludeert logischerwijs dat westerse slachtoffers disproportioneel meer aandacht krijgen dan hun medelotgenoten in de niet-westerse wereld.

Er valt nog iets op gekeken naar de cijfers hierboven: de top tien bestaat veelal uit landen die of onderwerp waren van de door de VS geleide Global War on Terror of de bijgevolgen ervaren. Dat komt beter naar voren in onderstaande grafiek:

Doden door terrorisme wereldwijd
afbeelding 6
Bron: economist.com

 

Neem Irak. De VS viel het Arabisch land binnen in 2003 op grond van twee redenen: 1) de toenmalige leider, Saddam Hoessein, zou chemische wapens in zijn bezit hebben en 2) hij zou onderdak bieden aan al-Qaida – beide claims bleken ongegrond te zijn. De gevolgen van de invasie waren echter zeer reëel: elf jaar na de illegale inval, in 2014, werden meer Irakezen slachtoffer van terroristisch geweld dan het totale wereldaantal (!) in 2001 – het jaar waarin 9/11 plaats vond en de start betekende van de Global War on Terror. Irak – waar vóór 2003 géén zelfmoordaanslagen geregistreerd waren – is compleet gedestabiliseerd geraakt door de illegale invasie en sindsdien zijn meer dan 40.000 doden gevallen door terroristisch geweld.

Waarom ontbreken deze cijfers in het publieke discours? Volgens intellectueel Noam Chomsky heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan media-aandacht, maar een politieke cultuur waarin onderscheid gemaakt wordt tussen waardige – en onwaardige slachtoffers. Chomsky legt dat uit met het volgende voorbeeld: in 2007 werd een poll gehouden onder burgers in de VS waarbij gevraagd werd om het totale aantal doden in Irak te schatten. De mediaan lag op 10.000. Het werkelijke lag in die tijd tussen de 150.000 en 650.000 doden. Dit verschil in perceptie komt volgens Chomsky als gevolg van een gerichte campagne om zoveel berichtgeving over de (dodelijke) burgerslachtoffers te onderdrukken. Hierdoor probeert de VS te voorkomen dat hun rol in de bezetting en oorlog niet onderwerp van discussie wordt.

Wanneer worden burgerdoden wél als waardig beschouwd? Dat is wanneer ze de agenda van Washington vooruit kunnen helpen. Case in point: hoe Obama middels de dreiging van Daesh weer ‘boots on the ground’ wist te krijgen in Irak. In 2011 weigerde de toenmalige president Nouri al-Maliki om het verblijf van het Amerikaanse leger te verlengen. Dat leidde tot onvrede en verzet in Washington die het liefst zouden willen blijven in Irak. Toen in 2014 Daesh op de westerse radar kwam en burgers wereldwijd bedreigde, werd dat gevaar gebruikt om het aantal Amerikaanse troepen in Irak toe te laten nemen. Daarmee werden de (potentiële) slachtoffers van Daesh gebruikt om het buitenlandbeleid van Washington te rechtvaardigen.

3. Neerwaartse trend doden terrorisme in West-Europa
Er vallen steeds minder doden door terrorisme in West-Europa. Dit staat in contrast met de doemscenario’s die sommige experts schetsen van een mogelijke “gouden tijdperk van terrorisme”. Dat is in het geval van West-Europa incorrect. Er is eerder sprake van een neerwaartse trend, zie de grafiek hieronder:

 

Doden door terroristische aanvallen in West Europa (periode 1970-2015)
afbeelding 2
Bron: Datagraver.com

 Bovenstaande cijfers laten duidelijk zien dat er in de periode na 9/11 aanzienlijk minder dodelijke slachtoffers zijn gevallen dan in de 21 jaar daarvoor. Die trend begon na de Val van de Berlijnse Muur (1989) en zette zich sindsdien voort uitgezonderd uitschieters als Madrid (2004) en Londen (2005).

Verder, als we de doden in Europa uitsplitsen tussen west en oost, is op te merken dat de meerderheid van de slachtoffers in de afgelopen 15+ jaar vielen in het oostelijk deel van de continent (zie hieronder):

Doden door terrorisme per maand: West- versus Oost-Europa
afbeelding 3
Bron: Washington Post

Volgens experts wordt dat verklaard door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de (langdurige) gevolgen van conflicten die (mede) daaruit ontstonden. Denk hierbij aan de conflicten in Joegoslavië, Tsjetsjenië en Oekraïne. De map hieronder laat zien hoe die aanslagen verdeeld zijn in Europa tussen 1970 en 2015:

 

Geografische verdeling terroristische aanslagen in Europa tussen 1970 en 2015
afbeelding 4
Bron: Washington Post

Anders gezegd: de heersende gedachte dat de meeste doden vallen in en aanslagen gepleegd worden in het westelijk deel van Europa wordt niet ondersteund door de actuele verdeling van de dodelijke terroristische aanslagen; dat is namelijk in Oost-Europa het geval. Een voorbeeld is de Vakbondsgebouw-aanslag in Odessa (Oekraïne) van 2 mei 2014. Daarbij werden 46 mensen vermoord door de neonazistische Pravy Sektor vanwege hun pro-Russische affiliaties.

 

4. Groeiende dreiging extreemrechts geweld
De dreiging vanuit extreemrechtse hoek is echter niet voorbehouden aan Oost-Europa. In West-Europa en Noord-Amerika zijn terroristische gewelddaden door extreemrechtse terroristen in de opmars. Een recente studie concludeerde dat 1/3 van alle zogeheten lone-wolf terroristen in Europa van extreemrechtse slag zijn.

In de VS zijn soortgelijke bevindingen geconstateerd. Volgens denktank New America zijn er bijna twee keer meer slachtoffers gevallen, in de periode 9/11 tot 2015, door witte suprematisten dan door takfiri terroristen.

Die conclusie wordt verder ondersteund door een recent onderzoek (2017) van het hoogste auditorgaan van de Verenigde Staten – het Government Accountability Office (GAO). Het GOA concludeert dat extreemrechts verantwoordelijk is voor de bulk van de dodelijke terroristische aanslagen, namelijk: 73% tegenover 27% door takfiri terrorisme.

Echter, wanneer terroristische aanslagen worden uitgezet in termen van dodelijke slachtoffers zien we hetzelfde als in Europa: takfiri terroristen zijn verantwoordelijk voor de meeste doden. Dit doet verder niks af van de reële en groeiende dreiging van extreemrechts terrorisme. De gevallen van Breivik, Tristan van der Vlis en Dylann Roof zijn relatief bekend, maar met de volgende voorbeelden wordt dat gevaar nogmaals benadrukt:

  • In 2013 werd de 82-jarige Mohammed Saleem neergestoken door een extreemrechtse terrorist terwijl hij thuiskwam van een moskeebezoek. Saleem overleed snel daarna. Een zelfde lot overkwam de 81-jarige Brits Muhsin Ahmed twee jaar later. In het opvolgende jaar in 2016 werd Labour-politica Jo Cox neergeschoten door een extreemrechtse terrorist vanwege haar politieke positie inzake Brexit;
  • In de VS zijn alleen al in de afgelopen vijf jaar moslims en Afro-Amerikanen vermoord – en in sommige gevallen zelfs geëxecuteerd – door witte racisten vanwege hun religieuze en/of etnische Ook andere (religieuze) minderheidsgroepen als hindoes en sikhs zijn doelwit geweest van extreemrechtse terreur, vaak omdat laatstgenoemde hen verwarren en/of aanzien als moslims;
  • In 2016 werd in Nederland een terroristische aanslag gepleegd op een moskee door een groepje van vijf extreemrechtse racisten.
  • In Griekenland werd in 2016 een vluchtelingenkamp aangevallen door een groep extreemrechtse racisten;
  • Begin 2017 viel een extreemrechtse terrorist een moskee aan in het Canadese Quebec. De dader schoot op de moskeegangers terwijl ze aan het bidden waren en doodde daarbij 6 burgers.

Kortom, dit select overzicht maakt duidelijk dat extreemrechtse terreur niet alleen in opmars is, maar breed in de westerse wereld voorkomt.

5. Rol vluchtelingen en nieuwkomers overschat
De instroom van migranten en vluchtelingen leidt automatisch tot meer (terroristische) dreiging. Ten eerste, de rol van migranten en vluchtelingen in aanslagen zijn beperkt. Het in Den Haag gevestigde onderzoeksinstituut ICCT onderzocht (2017) alle door Daesh gepleegde in het westen en concludeerde dat 73% van alle aanslagplegers burgers van hetzelfde land zijn waar zij hun geweld in praktijk brengen. Nog een 14% waren bezoekers of inwoners met een (legale) verblijfsstatus. 6% verbleven in het land zonder documentatie en slechts 5% waren vluchtelingen of statushouders (zie hieronder).

Grafiek afkomst aanslagplegers
afbeelding 5
Bron: ICCT (2017)

 De dreiging vanuit vluchtelingen of statushouders bestaat dus maar is miniem. De overgrote meerderheid van het gevaar (95%) komt van burgers of ingezetenen met een legale verblijfsstatus. Het ICCT onderzoek wordt ondersteund door een studie van de Britse denktank The Henry Jack Society. Zij (2017) constateren dat bij meer dan twee derde van de aanslagen sinds 2005 uitgevoerd zijn door individuen die “who were either born or raised in the UK.”. De New America Foundation stelt in het geval van de VS “every jihadist who conducted a lethal attack inside the United States since 9/11 was a citizen or legal resident”. Een ander recent onderzoek, uitgevoerd onder leiding van politicoloog Robert Pape, komt tot gelijke bevindingen. In het onderzoek genaamd American Face of ISIS waren bij 112 van de Daesh gerelateerde misdrijven nul vluchtelingen betrokken. Libertarische denktank Cato onderzocht die verhouding ook en komt tot de conclusie dat immigranten en vluchtelingen praktisch geen rol hebben gespeeld bij terroristische aanslagen. Vrijwel alle doden komen uit één single gebeurtenis: 9/11 (98.6%). Afgezien daarvan zijn fatale terroristische aanslagen door immigranten of vluchtelingen extreem zeldzaam.

Met recente aanslagen als Berlijn (2016), Ansbach (2016) en Kopenhagen (2016) is het aandeel van nieuwkomers in aanslagen wél gestegen. Volgens het ICCT is de instroom van vluchtelingen en migranten an sich niet het probleem, want: “the number of criminals and terrorists in mass migration movements has been low” en “terrorists often have a criminal background to begin with”. Daesh focust haar operaties vooral in de strijd in Irak en Syrië en de nieuwkomers en immigranten ontvluchten die brandhaarden juist omdat ze tegen de terreurgroepen zijn. De focus daarom zou moeten zijn op propere regulatie.

Ten tweede, het probleem zijn niet de migranten en of vluchtelingen, maar ontstaat het volgens Brookings Institute wetenschapper, Daniel L. Byman, pas als nieuwkomers in contact komen met lokale reeds geradicaliseerde groepen (zogeheten “radicalization hubs”).

Inderdaad, dat zien we in het geval van de 22-jarige Syrische statushouder, Jaber al Bakr, die in oktober 2016 gearresteerd werd op grond van het plegen van een aanslag.

Jaber al-Bakr kwam in februari 2015 aan in Duitsland en ontving status vijf maanden later. Volgens de broer van al-Bakr, Alaa al-Bakr, kwam was Jabr vóór aankomst in Duitsland niet politiek actief of geïnteresseerd. Dat veranderde na aankomst. In Berlijn kwam Jabr al- Bakr in aanraking met extremisten. Een lokale imam zou hem in contact hebben gebracht met en aangespoord om te vechten voor Daesh in Raqqa (Syrië). In september 2015 vertrok Bakr uit Duitsland naar Syrië via Turkije, waar hij ongeveer vijf maanden verbleef en vervolgens twee in Syrië. Op zijn persoonlijke Facebook-pagina is te zien dat al-Bakr vanaf januari 2016 zich begon te sympathiseren met Daesh. Ongeveer twee maanden voordat Jabr zijn gewelddaad wilde plegen werd hij opgepakt door de Duitse autoriteiten. Een andere Syrische statushouder hield hem aan en droeg Jabr vervolgens over (waarna de verdachte zichzelf later ophing in zijn cel).

De conclusie is dat de overgrote meerderheid van de IS-daders burgers van het land waar ze een aanslag in plegen zijn. Slechts een miniem aantal van de IS-aanslagplegers zijn nieuwkomers of ongedocumenteerden. Indien de wens is om terrorisme tegen te houden zou daarom meer aandacht gevestigd moeten worden op lokale geradicaliseerde groepen in plaats van grensbewaking, en in het verlengde daarvan: wáárom extremisten überhaupt voedingsbodem kunnen vinden in westerse samenlevingen.

 

 

[1] Volgens het ICCT (2017) kwamen 395 westerse burgers om door Daesh van juni 2014 tot juni 2017. Bij de Manchester-aanslag kwamen 22 burgers om en de daaropvolgende aanslag in Londen ontnam van 8 burgers het leven.

Advertenties

Londen-aanslag: gevolg van geheime verstandhouding Britse staat met extremisten

Op 3 juni was de jongste aanslag gepleegd in Londen. De kranten melden dat de drie daders aangestuurd waren door terreurgroep Daesh, maar wat ze haast unaniem over het hoofd zien is de rol gespeeld door de Britse staat. Inderdaad, nader onderzoek naar de achtergrond van de daders onthult facilitatie door de Britse inlichtingendienst. Anders gezegd, de Londen-aanslag, met 8 doden en 48 gewonden, zou niet hebben plaatsgevonden, zonder de geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten.

We zien dat terug bij de drie aanslagplegers:

Rachid Redouane was een product van Brits interventies in Libië en Syrië. De van Marokkaans-Libische origine Ier Redouane (30) vocht in 2011 mee met de door de NAVO gesteunde oppositie tegen de Libische leider Gaddafi. Daar kwam hij in contact met al-Qaida gelieerde rebellengroepen én ontving training van o.a. Britse officiers. Bovendien was zijn uitreis mede mogelijk gemaakt door de Britse inlichtingendienst MI5.

Khuram Shazad Butt (27) wordt gezien als de leider van de bende. Butt kwam in contact met Redouane in Oost-Londen, waar ze beiden woonachtig waren. Butt, Brit van Pakistaanse komaf, was een “zwaargewicht” binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun en beïnvloed door Daesh-ronselaar Anjem Choudary. Al Muhajiroun heeft jarenlang de uitreis van extremisten gefaciliteerd onder toeziend en goedkeurend oog van de Britse inlichtingendienst. Zo kon Anjem Choudary alleen al 500 geradicaliseerde Britten exporteren naar conflictgebieden als Libië, Irak en Syrië.

Youssef Zaghba was een 22-jarige in Marokko geboren Italiaan en niet direct geholpen door de Britse staat, maar via haar begunstigers. Zaghba wilde aanvankelijk zelf uitreizen naar Syrië om daar in eigen woorden een “terrorist” te worden, maar werd door de Italiaanse autoriteiten tegengehouden. In plaats daarvan, vertrok hij naar Londen waar hij in contact kwam met Butt en Redouane – de twee terroristen waarmee hij de aanslag op 3 juni pleegde. Dat betekent dat conflictgebieden als Libië en Syrië niet meer de enige trainingsgronden voor terroristen zijn. Europese landen als Engeland zijn dat inmiddels ook – mede met hulp en facilitatie van de Britse inlichtingendiensten.

De link wordt hieronder per persoon inhoudelijk toegelicht.

 

Van links naar rechts: Youssef Zaghbha, Khuram Butt en Rachid Redouanelondon-bridge-attackers

Rachid Redouane
De Britse Telegraph berichtte het volgende over Redouane:

It was also claimed that Redouane fought in the Libyan revolution against Col Muammar Gaddafi and joined a militia which went on to send jihadist fighters to Syria.

Libyan security and diplomatic sources said he travelled to the North African country in 2011 and then returned in recent years while living in Ireland and the UK.

Hier zijn paralellen te trekken met de Manchester zelfmoordterrorist (Salman Abedi). Net als Redouane reisde ook Abedi in 2011 uit naar Libië. Abedi sloot zich aan bij de Libische al-Qaida, de LIFG.

Rachid RedouaneRedouane

Zoals eerder over geschreven is, werd deze uitreis gefaciliteerd door de Britse inlichtingendienst MI5. Dat werd ook wel de ratline genoemd of het open deuren beleid (lees hier meer daarover). Kort gezegd: MI5 voerde een zogeheten open deuren beleid voor burgers die vanaf het begin van de Libische opstand, naar het Noord-Afrikaanse land wilden uitreizen, om te strijden tegen Gaddafi. De Britse inlichtingendienst ondersteunde die onderneming omdat ze een gemeenschappelijke vijand in het vizier hadden: Muammar Gaddafi. Dat deze militanten wellicht banden hadden met of zich zouden aansluiten bij al-Qaida werd door de vingers gezien. Dit beleid was tussen 2011 en 2013 van kracht en dat was de periode waarin zowel Redouane als Abedi vertrokken naar Libië.

Wat de zaak nog verder compliceert is dat dit open deuren beleid werd overzien door de huidige Britse premier, Theresa May. Zij was toentertijd de minister van Buitenlandse Zaken.

De parallellen met Abedi houden hier niet bij op. Net zoals de Manchester-aanslagpleger sloot ook de Londen-terrorist zich aan bij een al-Qaida gelieerde doodseskader. In geval van Abedi was dat bij de LIFG en Redouane Liwa al-Ummah. De leider van (de Tripoli tak van) Liwa al-Ummah, Mahdi al-Harati, vocht onder hoede van Abdulhakim Belhadj, één van de topcommandanten binnen de Libische al-Qaida (de LIFG) – de groep waar Salman Abedi toe behoorde.

Verder is de kans groot dat Redouane opgeleid is door westerse officiers, wellicht wel Britse. Zo meldt de Noord-Amerikaanse magazine Foreign Policy dat Liwa al-Ummah training kreeg van Qatarese speciale eenheden. Uit Foreign Policy:

Its [ie. Liwa al-Ummah] fighters, who included many Libyan expatriates, had received training from Qatari special forces in Nalut, a town in Libya’s western mountains.

Deze Qatarese speciale eenheden werder ondersteund door o.a. Britse officiers. Dat blijkt uit een Wall Street Journal artikel opgegraven door terrorisme-expert Mark Curtis:

“A team of about 60 Qataris helped set up rebel command centers in Benghazi, the mountain city of Zintan and later in Tripoli, according to Qatari Staff Colonel Hamad Abdullah al-Marri, who later accompanied Mr.Belhaj on the march into Tripoli on Aug. 22, broadcast live on al-Jazeera. Mr. Marri said that during the rebel training, he interacted with about 30 Western liaison officers, including Britons, French and several Americans.” (dikgedrukt niet in origineel)

Daar houdt de westerse, en specifieker Britse, steun aan milities met banden met al-Qaida niet op. Die Britse assistentie liep namelijk door tot in Syrië.

Mahdi al-Harati, de leider van Liwa al-Ummah (in Tripoli), vertrok na de lynching van Gaddafi naar Syrië en richtte daar in 2012 de lokale tak op. Uit het artikel van The Telegraph blijkt dat ook Redouane in Syrië aan de kant stond van al-Qaida terroristen en hoogstwaarschijnlijk westerse steun ontvangen.

Volgens Foreign Policy sloot de Syrische tak van Liwa al-Ummah zich in 2012 aan bij het Vrije Syrische Leger (FSA). Het FSA is de voornaamste partner van het westen in het Syrische conflict en hebben de meeste steun en hulp ontvangen. The New York Times constateerde reeds in 2012 dat het gros van deze (westerse) assistentie is in handen kwam van al-Qaida gelieerde rebellengroepen. Niet verrassend dan dat het FSA eind 2012 haar onvrede uitte over de plaatsing van de Syrische al-Qaida (Jabhat an-Nusra) op de terroristenlijst. Deze stelling wordt verder onderbouwd door het feit dat het Liwa al-Ummah (en het FSA) veelvuldig samenwerkte met de Syrische al-Qaida (Nusra). Militaire blog The Long War Journal rapporteerde in 2014 dat Liwa al-Ummah, als onderdeel van het FSA, niet opgehouden was om samen te vechten met Nusra. Tegenwoordig is het FSA niet meer af te scheiden van Nusra.

Na zijn periode in Syrië keerde Redouane terug naar het Verenigd Koninkrijk. Ondanks deelname aan terroristische organisaties in het buitenland werd Redouane niet gearresteerd, en gezien rechtszaken tegen Syriëgangers valt dat te begrijpen. In 2014 en 2015 was de berechting van twee Syriëgangers namelijk afgebroken omdat anders de Britse inlichtingendienst in verlegenheid gebracht zou worden.

De eerste betrof Moazzam Begg, die in 2012 meermaals reisde naar Syrië. Uit de verslaglegging van de rechtszaak bleek dat Begg “was assisting opposition fighters in their war against Bashar al-Assad’s regime”. Dat was reden voor de Britse veiligheidsdiensten om hem aan te klagen voor het faciliteren van terrorisme in het buitenland. De rechtszaak viel echter nadat:

“MI5 belatedly gave police and prosecutors a series of documents that detailed the agency’s extensive contacts with him before and after his trips to Syria”

Oftewel, MI5 gaf groen licht aan Begg om uit te reizen naar Syrië en de gewapende oppositie te steunen, maar dat werd juist door de veiligheidsdiensten aangekaart als reden om hem te vervolgen!

Een gelijke proces was te zien bij de zaak tegen Bherlin Gildo. Gildo, een Zweedse burger, werd in oktober 2014 gearresteerd en aangeklaagd voor deelname aan terroristische organisaties. De rechtszaak viel echter “after it became clear Britain’s security and intelligence agencies would have been deeply embarrassed had a trial gone ahead”. De advocaten van Gildo beargumenteerden namelijk dat:

British intelligence agencies were supporting the same Syrian opposition groups as he was, and were party to a secret operation providing weapons and non-lethal help to the groups, including the Free Syrian Army.

Hier ook weer: Gildo hielp Syrische rebellengroepen die door de autoriteiten als terroristisch worden aangemerkt, terwijl diezelfde milities gesupport worden door MI5!

Dat geeft wellicht een verklaring waarom teruggekeerde Libië- en Syriëgangers, als de al-Qaida gelieerde Rachid Redouane, zo moeilijk berecht kunnen worden: dat schijnt licht op de geheime verstandhouding van de Britse inlichtingendiensten met al-Qaida gelieerde strijders en rebellengroepen in Libië en Syrië.

Khuram Butt
Khuram Butt werd gezien als een zwaargewicht binnen de verboden extremistische groep Al Muhajiroun. Deze organisatie werd in Engeland opgezet in 1986 door de Syriër Omar Bakri Mohammed. In de jaren negentig onderhield oprichter Mohammed contacten met Osama bin Laden en faciliteerde de uitreis naar de Balkan. Daar sloten uitreizigers zich aan bij Bin Laden’s groep. Al Muhajiroun werd uiteindelijk in 2005 verboden na de 7/7 aanslagen in Londen en Omar Bakri Mohammed verbannen naar Libanon. Daar werd hij later meermaals veroordeeld en terecht gezet.

Khuram Butt799051cc9d7434d1e30930fbd0ba6e3af11336377460b4978b298420da4424a9_3971339

De extremistische groep wordt sindsdien geleid door Anjem Choudary – leerling van Omar Bakri Mohammed. Butt was een bekende van Anjem Choudary en vermoedelijk door hem ook geradicaliseerd. Een andere bekende terrorist geradicaliseerd door Choudary was Michael Adebolajo – de man die in 2013 soldaat Lee Rigby overdag in Londen neerstak.

Choudary wordt gezien als de voornaamste Britse ronselaar voor terreurgroep Daesh in Syrië, Irak en Libië; van de 850 Britse uitreizigers heeft Choudary er vermoedelijk 500 verzorgd. Uit gelekte bestanden van Daesh blijkt dat hij daarbij werd ondersteund door zijn mentor Omar Bakri Mohammed.

Twee derde van alle pogingen tot terreurdaden waarin burgers van het Verening Koninkrijk in binnen- en buitenland bij betrokken zijn in de afgelopen twintig jaar, zijn toe te schrijven aan leden van Al Muhajiroun.

Dat deze extremisten zolang hun werk hebben kunnen doen heeft volgens veiligheidsexpert Nafeez Ahmed te maken met een geheime verstandshouding met de Britse staat. Ahmed somt in zijn onderzoeksartikel een groot aantal bronnen op om zijn stelling te onderbouwen, een paar worden hier genoemd:

  1. Voormalig VS leger inlichtingenofficier, John Loftus, beweerde dat drie leden van Al Muhajiroun, waaronder Omar Bakri Mohammad, geworven waren door de Britse MI6 in 1996 om de al-Qaida’s terroristische activiteiten in de Balkan te coördineren;
  2. Omar Bakri Mohammad gaf in 2000 zelf toe Britse moslims naar het buitenland te sturen om te vechten en zei daarover: “The British government knows who we are. MI5 has interrogated us many times. I think now we have something called public immunity”.

Al Muhajiroun kon de uitreis van extremisten naar Libië en Syrië zo lang volhouden, volgens voormalige Britse inlichtingenofficial, Charles Shoebridge, in gesprek met veiligheidsexpert Nafeez Ahmed, omdat ze een gedeelde tegenstander als doelwit hadden: Gaddafi in Libië en Assad in Syrië. De Britten hadden zich in 2011 gecommitteerd om genoemde leiders te verdrijven en in het kader van die doelstelling werd de facilitering van extremistische uitreizigers ondersteund. Shoebridge zegt in die context over de Libië- en Syriëgangers:

““this ‘turning a blind eye’ was actually consistent with the UK govt position of intensive overt and covert support of rebel groups in Libya and Syria in attempting to topple Gaddafi and Assad”

Shoebridge zegt verder dat het wegkijken van de Britse overheid geen incident is, maar in lijn staat met:

“a long record of the UK government allowing, using and facilitating Islamist extremists to destabilise ‘enemy’ states, from Soviet occupied Afghanistan in the 80s, through Bosnia and Chechnya, to Libya and Syria today”

Hij voegt verder toe dat deze geheime verstandhouding pas ophield in 2013, toen terroristische organisaties als Daesh Britse en Noord-Amerikaanse belangen bedreigde en burgers doodde. In reactie hierop zeggen de autoriteiten dat de nodige wetgeving ontbrak om uitreizigers te vervolgen, maar dat wuijft Shoebridge weg: “First, it’s been illegal to take part in terrorist related activities abroad since 2006 and, second, the new legislation introduced since 2013 has itself barely been used.”

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat een extremistische groep als al Muhajiroun niet kon uitgroeien tot een haast terroristische reisbureau ware het niet zonder facilitatie van de Britse inlichtingendienst. Zonder deze steun zou Khuram Butt niet in contact zijn gekomen met de extremistische en Daesh-ronselaar Anjem Choudary en niet in dat netwerk van terroristen zitten en daarmee in aanraking met Rachid Redouane.

Yousef Zaghba
Normaliter reizen geradicaliseerde burgers uit naar landen als Syrië, Irak en Libië om daar opgeleid te worden tot terrorist. Ook Youssef Zaghba was dat van plan. In maart 2016 had hij een enkeltje geboekt naar Turkije met de intentie om door te reizen naar Syrië. Toen hij door de autoriteiten werd tegengehouden en ondervraagd over zijn motivatie, gaf Zaghba toe dat hij naar Syrië wilde om een “terrorist” te worden. Op de telefoon van de jonge Marokkaanse-Italiaan werd propaganda van Daesh gevonden.

Youssef Zaghba
youssef-zaghba2

De Italiaanse autoriteiten zorgden ervoor dat hij niet kon uitreizen. Zaghba was echter nog gedreven om zijn doelstelling te voltooien en zag een ander mogelijkheid om ‘terrorist’ te worden: Londen.

In Londen kwam de jonge Italiaan in het netwerk van de extremistische al-Muhajiroun terecht. Hij leerde daar Khuram Butt kennen, die in 2015 nog door de autoriteiten werd onderzocht voor zijn banden met terroristen. Het is bekend dat Butt geradicaliseerd werd door Anjem Choudary (en de in die kringen populaire haatprediker Ahmed Jibril) en het ligt in de lijn der verwachting dat hij Zaghba beïnvloedde. Daarmee wordt de samenhang met de geheime verstandhouding van de extremistische al Muhajiroun en de Britse staat duidelijk, aangezien de extremisten jarenlang zijn getolereerd door de Britse lichtingendiensten.

Tevens in Londen, kwam Zaghba in contact met Rachid Redouane, die teruggekeerd was van een periode bij terreurorganisaties in Libië en Syrië. De uitreis werd mogelijk gemaakt door het open deuren beleid. Redouane vertrok als geradicaliseerde jongere en kwam terug als professionele terrorist. De training had hij wellicht wel ontvangen van o.a. Britse officiers. De Britse autoriteiten waren niet in staat om zijn terugkeer te verhinderen vanwege collaboratie van de geheime diensten met extremistische organisaties, zoals de gedropte rechtszaken tegen Moazzem Begg en Bherlin Ghado getuigen. Deze ervaring en vaardigheden kon hij delen met andere extremisten als Khuram Butt en Youssef Zaghba. Samen pleegden ze hun gewelddaad op 3 juni.

De geheime verstandhouding van de Britse staat met extremisten heeft de War on Terror naar eigen land gebracht. Geradicaliseerde jongeren als Youssef Zaghba hoeven niet meer de oversteek buiten Europa te maken. Door extremisten in eigen land te laten groeien (als Khuram Butt) en terroristische ervaring in het buitenland op te doen (als Rachid Redouane), zijn plekken als Londen verworven tot trainingsgrond voor terroristen – en thuisplaats voor terroristische aanslagen, zoals de recente aanslagen in Londen en Manchester demonstreren.

Conclusie
Kortom, in de achtergronden van de drie daders, Rachid Redouane, Khuram Butt en Youssef Zaghba, zien we de onbedoelde gevolgen van Britse geheime verstandhouding met extremisten terug. Het is in feite een herhaling van de praktijken van de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Pakistan. Deze drie landen steunden in de jaren tachtig de Afghaanse oppositie tijdens de Sovjet-Afghaanse Oorlog. Uit die collaboratie kwam al-Qaida en de Taliban voort en zoals bekend is pleegden die extremisten aanslagen in de landen die hen groot hadden gebracht. Oftewel, terroristen bijten altijd de handen die hen gevoed heeft. Zo nu ook in Londen en Manchester.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

 

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië
In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

 

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; zoverre was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Libische al-Qaida terrorist Abdulhakim Belhaj (links) op de foto met John McCain (rechts)
belhaj

 

 

Abedi en de LIFG
De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

 

Rat line
Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Gemotiveerd door westers buitenlandbeleid
Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback
De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om in te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

Turkije valt Syrië binnen. Zet het daarmee de alliantie met Rusland en Iran op het spel?

Op 25 augustus kwamen berichten naar buiten dat het Turkse leger met steun van VS luchtaanvallen en Vrije Syrische Leger (FSA) milities Syrië was binnen gedrongen. Wat zegt dit over de alliantie met de Russen en Iraniërs, die de Syrische soevereiniteit en territoriale integriteit willen beschermen? Oftewel: zet Ankara hiermee haar alliantie met Rusland (en Iran) op het spel? Het antwoord is simpel: Ankara doet wat het altijd gedaan heeft; dat is: haar eigen belangen najagen — of dat nou met de VS of Rusland is.

De Turken hebben de strategische Syrische plaats Jarabulus ingenomen, die tot voorheen in handen was van IS/Daesh. Hoewel de terreurgroep de dienst uitmaakte in het nabij de Turkse grens gelegen noordelijke stad, heeft deze inval daarmee niet te maken. Anders gezegd, de Turken zijn Syrië niet binnen gevallen om Daesh te verdrijven. De Turkse transgressie heeft te maken met de progressie van haar gezworen vijanden: de PKK gelieerde Syrische Koerden.

De Syrische-Koerden zijn in de opmars. Tegen 14 augustus hadden ze de noordelijk gelegen stad Manbij bevrijd van Daesh onder het vlag van de VS-gesteunde Syrian Democratic Forces. Dat leverde het momentum om verder, oostelijk te bewegen naar de strategisch belangrijke stad Jarabulus, die in handen was Daesh en haar laatste grote stad was nabij de Turkse grens. Dit was een ontwikkeling die zorgen baarde in Ankara, aangezien daarmee de kans vergroot werd dat de afzonderlijke Koerdische enclaves verenigd konden wonden in één streek (of Syrisch-Koerdistan).

Het prospect van een relatief autonome Koerdistan is een rode lijn voor de Turkse republiek. De Syrische Koerden werken nauw samen en zijn op vele vlakken verbonden met de (PKK) Koerden in Turkije. Ankara ziet in een Syrisch-Koerdistan derhalve bedreiging voor haar eigen territoriale integriteit en in algemene zin ook de Turkse republiek. Dat is een ontwikkeling die de Turken dus koste wat koste zouden tegengaan.

Het was in dat licht te verwachten dat de Turken actie zouden ondernemen. Ook gaat het waarschijnlijk hier niet bij blijven. De door de Turken gesteunde FSA milities zeiden tegen The Wall Street Journal dat dit onderdeel maakt van een grotere plan. Een leider van een Syrisch-Turkmeense groepering zei:

“Operations are most likely to continue southward; our main aim is to defeat Daesh and repel it from around Aleppo, especially the northern part, and to set up a safe zone there,”

Hoe rijmt dit met de genormaliseerde betrekkingen met Rusland, aangezien Moskou en haar partners allen tegen een opsplitsing van Syrië zijn?

Zoals ik in dit stuk ook heb beargumenteerd, met als voorbeeld het Aleppo offensief begin augustus: dit heeft te maken met 1) de regime change-infrastructuur die de Turken in de afgelopen jaren hebben opgezet, die niet overnacht ontmanteld kunnen worden, én 2) het is een geopolitieke troefkaart op de onderhandelingstafels. Zodra de onderhandelingen gaan starten over de toekomst van Syrië, willen de Turken ook meer macht en invloed gaan uiten en daarom de waarde van hun ‘chips’ vergroten. Het Koerdische aspect speelt daar ook een belangrijke rol in, omdat de Turken hun hand kunnen gebruiken om de Koerden zoveel mogelijk te weren van de onderhandelingstafels of hun plannen te dwarsbomen. Dat is de rationale achter de Turkse beslissing om Syrië binnen te vallen. Ook valt er weinig meer over te onderhandelen als Assad Aleppo heeft veroverd: de Syrische president heeft dan de meest belangrijke steden in handen. Wellicht daarom steunde de Noord-Amerikanen de Turken in hun transgressie.

Wat is de reactie van Rusland? Poetin belde met Erdogan en uitte zijn zorgen over de Turkse inval, maar veroordeelde de aanval niet. Dat betekent dat de Russen of 1) passieve toestemming gaven of 2) weinig aan de situatie kunnen veranderen, aangezien de Turken de goedkeuring en (militaire) support van Washington hadden gekregen. Wellicht is het een combinatie van beide, omdat de Turken met deze inval 1) terreurgroep IS bestrijden en 2) de vorming van een Koerdistan ondermijnen — twee doelstellingen waar de Russen en ook de Syriërs en Iraniërs zich in kunnen vinden. Dat de Turken dan deze actie doorzetten om Aleppo te bereiken en een safe zone op te zetten kan dan gezien worden als een maatregel om hun macht en invloed op de slagvelden te vergroten én daarmee ook op de onderhandelingstafels.

Naar een Moskou-Teheran-Ankara alliantie?

Vlak na de historische ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus ontving Turkije hoog bezoek vanuit Iran. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Mohammad Javad Zarif, bracht op 12 augustus als eerst hoog geklede official bezoek aan het land sinds de coup – een tweede, significante gebeurtenis en teken van de verschuivende geopolitieke machtsverhoudingen. De gefaalde putsch van 15 juli en de snelle Iraanse response in steun voor Erdogan lijkt opening hebben geboden om een nieuwe axis te creëren: een Moskou-Teheran-Ankara alliantie. In hoeverre is hier sprake van en wat zegt dit over de relatie tussen Turkije en het westen?

De vorming van een dergelijke axis zijn in de afgelopen maanden steeds sterker zichtbaar geworden, en dat begon al voor de gefaalde putsch van 15 juli. Op 9 juni kwamen de Defensie ministers van Rusland, Syrië en Iran voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog in Syrië bijeen in Teheran; de Turks-Russische betrekkingen werden genormaliseerd op 9 augustus (lees hier en hier voor context); een dag voor de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin op 9 augustus, was de Russische leider op 8 augustus in Baku (Azerbeijan) om de economische en geopolitieke betrekkingen met Iran en Azerbaijan (zoveel mogelijk) te harmoniseren; na deze ontmoetingen kwamen Russische en Iraanse officials bijeen, op 15 augustus, om Syrië te bespreken. Deze reeks besprekingen hadden tot als gevolg dat Ankara haar buitenlandbeleid vis-à-vis Damascus wijzigde: voor het eerst sinds vijf jaar versoepelen de Turken hun eis m.b.t. het lot van Assad.

Tot voorheen eiste Ankara het vertrek van de Syrische leider. De Turken houden hem verantwoordelijk houden voor de oorlog in het Levantijnse land. Echter, zoals eerder besproken, hebben recente ontwikkelingen Turkije doen dwingen om toenadering te zoeken met Rusland en Iran. Om dit mogelijk te maken moest Ankara haar standpunten ombuigen zodat ze in grote lijnen geïntegreerd konden worden met die van de Russische (en Iraanse). Dat werd bereikt op 20 augustus. De Turkse premier Yildirim zei toen dat “[w]hether we like it or not, Assad is one of the actors” die een oplossing kan brengen in Syrië. Oftewel, het op regime change geörienteerde beleid is tot een eind gebracht. Een overwinning en getuigenis van de groeiende macht van Rusland en Iran.

Dit betekent niet dat er wezenlijke verschillen zijn. Ook met Iran. Maar waar het omgaat is dat er overeenstemming is gevonden op algemene beginselen. Die gemeenschappelijke standpunten worden gevonden op:

  1. de strijd tegen IS,
  2. oppositie tegen Koerdisch separatisme (wat in Iran sinds kort ook opgelaaid is)
  3. anti-Amerikanisme.

Deze gedeelde posities zullen volgens de Iraanse viceminister van Buitenlandse Zaken, Hossein Jaberi Ansar “contribute to creating an environment suitable to solving the Syrian crisis”.  Er is voldoende grond om daar samenwerking m.b.t. Syrië op te baseren. Het zijn op deze drie punten waar ook Rusland aansluiting vindt en daarmee de Moskou-Teheran-Ankara alliantie licht ziet.

Dat is een bijzondere ontwikkeling die ingrijpende gevolgen zal hebben voor toekomstige geopolitieke gebeurtenissen. Dit samenwerkingsverband kan namelijk dienen als de eerste belangrijke test voor de Euraziatische grootmachten in het oplossen van een regionale conflict. Dat wil zeggen, met een minimale tot geen rol voor het westen. Mocht dit trilaterale partnerschap daarom succesvol uitpakken, kan dit verder uitgebouwd en geïntegreerd worden binnen het raamwerk van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie. De Shanghai-samenwerkingsorganisatie is opgericht door de Russen en Chinezen en wordt gezien als de Aziatische NAVO. Iran wordt in 2017 volledig lid en Turkije heeft zich sinds in 2015 “observer status” verworven. Veel hangt dus af in hoeverre er een antwoord voor het Syrische vraagstuk gevonden kan worden.

In Syrië lijkt deze trilaterale toenadering enigszins haar vruchten af te werpen. Zo maakten de Russen onlangs gebruik van een militaire basis in Iran om luchtaanvallen uit te voeren in Syrië – voor het eerst sinds 1979 mocht een buitenlandse macht hier gebruik van maken. Ook suggereerde de Turkse premier dat de Russen gebruik konden maken van de Incirlik militaire basis. Dat wil zeggen, de basis die ook gebruik gemaakt wordt door de VS en andere westerse krachten. Volgens de Turkse premier heeft Ankara de Incirlik militaire basis open gezet voor strijdkrachten die zich inspannen tegen IS en “if necessary” kan Moskou daar ook gebruik van maken. Het moet nog blijken of dit daadwerkelijk zal leiden tot een Russische militaire aanwezigheid in Incirlik, maar de gevolgen van de Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn zichtbaar.

Daarnaast traden ook de Aziatische grootmachten in de afgelopen weken naar voren om hun steun te uiten voor hun Russische en Iraanse bondgenoten. China en India herhaalden en bevestigden hun steun uit voor Assad. Een teken van de zegen en goedkeuring van de belangrijke leden van de Shanghai-samenwerkingsorganisatie.

Betekent de vroege tekenen van een Moskou-Teheran-Ankara alliantie dat Turkije haar rug keert tegen het westen? Daar is het te vroeg voor. Turkije is en blijft voor de komende tijd onderdeel van het westerse alliantiesysteem en haar economie is sterk verweven met die van het westen.

Aan andere kant, heeft Turkije meermaals aangegeven niet tevreden te zijn met haar rol in de NAVO en ook over het Europese toetredingsproces. Deze onvrede is alleen maar versterkt door de gefaalde putsch en de westerse reactie daarop. Daarbij komt dat recente ontwikkelingen op de grond in Syrië zich niet in het voordeel van Turkije hebben vertaald. Deze gebeurtenissen hebben Ankara ervan overtuigt buiten haar traditionele (westerse) partners te zoeken naar mogelijkheden om haar belangen te vertegenwoordigen.

Daar komen Rusland en Iran in beeld. Moskou en Teheran, twee grootmachten met bovenmatige invloed in de regio, hebben Ankara een opening geboden om zichzelf te herpositioneren in het licht van haar eigen belangen en doelstellingen. Het is derhalve geen kwestie van het aangaan van een alliantie met Moskou en Iran en een mogelijke afscheiding van het westen, maar het volgen van belangen in overeenstemming met de (geopolitieke) realiteit.  Een wereld waarin Rusland (sinds de Russische interventie in Syrië) en (post-nucleaire deal) Iran, naast het westen, een significante rol in spelen.

Het is vanuit dit licht dat Turkije zich zal (her)positioneren. De verwachting is dat de Anatolische macht haar ‘natuurlijke’ positie en rol zal innemen, in historische en geografische zin. Dat wil zeggen: als brug tussen Oost en West. Dat betekent dat Turkije het westen niet zal verlaten en Azië zal joinen, maar het maximale uit beide werelden zal halen. Oftewel: het is niet of of, maar en en. De nieuw geboren Moskou-Teheran-Ankara alliantie zijn daar de eerste tekenen van.

Turkije: lid van het westen of Russische bondgenoot?

De ontmoeting op 9 augustus in St. Petersburg tussen de Turkse president en zijn Russische tegenhanger was zeker historisch te noemen. Binnen driekwart jaar gingen de Russen van vijanden naar “lieve vriend”, zoals Recep Tayyip Erdogan zijn Russische collega, Vladimir Poetin, liefkozend noemde. Maar het bleven niet enkel bij woorden. De Turken hebben veel concessies moeten leveren en zijn dichterbij de Russische positie komen te liggen. De vraag die rijst: hebben de Turken hun rug gekeerd tegen het westen? Of speelt Ankara de “Russische hand” om daarmee druk te oefenen op hun westerse partners? Beide niet. Wat de verzoening aangeeft is dat Turkije realiseert dat de wereld veranderd is, en in die nieuwe realiteit spelen de Russen een belangrijke rol. De Turkse heroriëntatie is derhalve bedoeld om zich in het licht van hun eigen belangen en doelstellingen te positioneren in die nieuwe context.

De deal, 2023 visie en interafhankelijkheid
De bevroreren relaties met de Russen heeft Turkije sterk geschaad. In economische termen heeft de Turkse economie, sinds het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (24 november 2015), klappen moeten verduren. Alleen al in de eerste vijf maanden van 2016 was de handel tussen beide landen gezakt met 43% (uit een jaarlijkse volume van $30 miljard). Inkomsten uit toerisme, een pilaar van de Turkse economie, nam vanuit Rusland af met 87%, wat vertaalt naar een schadepost van $840 miljoen. Ook waren economische projecten als de Akkuyu nucleaire reactor en Turk Stream gaspijplijn tot een halt gebracht.

Het terug op gang zetten van deze megaprojecten is niet alleen essentieel om de Turkse economie enigszins te herstellen, maar ook voor de ‘2023 visie’. De Erdogan-regering heeft zich binnen de ‘2023 visie’ als doel gesteld om aansluiting te vinden bij de top 10 economieën van de wereld. Dat moet bereikt worden in het jaar 2023 — 100 jaar na stichting van de Turkse republiek. In die doelstelling hoort een te realiseren BNP van $2 biljoen met een gemiddelde per capita inkomen van $20.000 (van een 2015 BNP van $718 miljard en een BNP per capita van $11.500). Om in de buurt van dat ambitieuze doel te komen speelt Rusland een cruciale rol: het (deels) zelf voorzien van en diversificeren van de Turkse energiebehoefte (waarover later meer). In algemene zin is het doel (binnen het kader van de 2023 visie) om de jaarlijkse handel tussen Turkije en Rusland toe te laten nemen van $30 naar $100 miljard — dat komt neer op meer dan een 8ste van de huidige BNP. Kortom: Rusland is een essentiële partner voor de Turken om haar 2023 te bereiken.

Rusland, aan andere kant, heeft Turkije ook nodig. Moskou kan niet meer via Oekraïne gas leveren aan Europa en heeft nieuwe ingangen nodig naar Europa. Daar komt Turkije in beeld. Middels Turk Stream vindt Rusland een opening naar de Europese markten. Dat is het niet alleen: deze projecten worden verder opgenomen in het bredere raamwerk van Euraziatische samenwerkingsverbanden, zoals de Russisch geleide Europees Economische Unie (en gekoppeld aan de Chinees gedreven Nieuwe Zijderoute). Maar, zo maakte de Russische Minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, voor de ontmoeting (op 22 juli) duidelijk: het repareren van de relaties zou sterk afhangen van “on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”.

Eens over Syrië, oneens over de strijdende partijen
De onderhandelingen over Syrië leken aanvankelijk niet verder te komen dan wat vooraf bekend en meer of minder reeds besloten was. Er was overeenstemming gevonden in: 1) het behoud van de Syrisch territoriale integriteit, 2) een wapenstilstand en 3) dat een toekomstige regering in Damascus alleen ingevuld kan worden op democratische wijze. Er bleven nog genoeg onenigheden over.

Tegenstellingen werden gevonden in het lot van de Syrische president, Bashar al-Assad. Moskou en Ankara nemen in zijn geval tegenovergestelde posities in: de Russen willen dat de Syrische leider in het zadel blijft; de Turken willen hem verdrijven. Veel van een mogelijke verzoening tussen Turkije en Rusland zou hiervan afhangen.

Erdogan gaf vlak voor de ontmoeting met Poetin een interview af aan de Russische staatszender TASS. In dit interview bevestigde en herhaalde hij zijn positie van de afgelopen jaren. Erdogan eiste: “the departure of Bashar Assad who is guilty for the deaths of 600,000 people”. Moskou verwerpt dat en staat achter Assad.

Verder onenigheid was m.b.t. de oppositiegroepen in Syrië. Het ging hierbij om welke oppositiegroepen als een terroristische groepering aangemerkt konden worden. De Russen zien álle gewapende groepen die embedded zijn met één van de terroristische groeperingen (ie. IS/Daesh en Jabhat an-Nusra/Fatah ash-Sham) als legitieme doelwit — in lijn met het VS onderhandelde raamwerk; Turkije is het eens betreft IS, maar niet over Fatah ash-Sham, voormalig Jabhat an Nusra, omdat: “al-Nusra front is also fighting against the Islamic State”, volgens Erdogan. Niettemin, de strijd tegen IS levert voldoende grond om de bilaterale betrekkingen tussen beide landen daarop te bouwen, wat volgens Poetin “the most important element of our joint work [is]”.

Samenvattend: ondanks dat beide partijen op vele punten dichterbij elkaar waren gekomen, waren er nog wezenlijke (geopolitieke) verschillen. Poetin bleek echter aan het eind van de sessie optimistisch: “We had a substantial and, I would like to stress, constructive conversation on the entire spectrum of bilateral ties, and on the international agenda”. Daags later gingen ministers en diplomaten aan de slag om de resterende kreuken zoveel mogelijk plat te strijken.

Toenadering en harmonisatie van beleid
De Turkse Mininister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, pakte de volgende dag de draad verder op en zei: “We have similar views on the ceasefire in Syria, humanitarian aid and political settlement”. Daar bleef het niet bij. Het lijkt erop dat Cavusoglu, en zijn konvooi van militaire, diplomatieke en inlichtingenexperts, met de taak berust waren op de Turkse positie te harmoniseren met die van hun Russische tegenhangers. Dat werd duidelijk uit het gezamenlijke verdedigingsmechanisme dat die dag, 10 augustus, werd geconstrueerd:

“Many countries are engaged in Syria actively. There could be mistakes (…) In order to prevent that, we need to put into practice the solidarity and cooperation [mechanism] between us including sharing of real-time intelligence.”

Dat is een significante gebeurtenis, niet alleen omdat hiermee het raamwerk om de strijd tegen IS te baseren gecreëerd werd, maar de Turkse beleidsmakers gaven hiermee ook aan dat ze een incident als het neerhalen van de Russische Su-24 gevechtsvliegtuig willen voorkomen. Dat is in zichzelf een belangrijke ontwikkeling, aangezien hiermee afgevraagd kan worden wat voor rol de Turken nog willen gaan spelen in het licht van de groeiende confronterende verhoudingen tussen de NAVO en Rusland.

De Turkse minister van Buitenlandse Zaken stelde echter zijn NAVO-partners direct gerust door te stellen dat dit samenwerkingsverband beslist geen “move against NATO” is, maar maakte wel duidelijk dat Ankara verder gaat kijken naar opties om haar belangen te verdedigen.

De daaropvolgende dag, 11 augustus, twee dagen na de ontmoeting tussen Erdogan en Poetin, vonden de Turken meer aanknopingspunten met de Russen. Cavusoglu maakte de volgende statement: “”We think the same as Russia on Syria’s future. The next administration in Syria should be inclusive and cover everyone,” en voegde eraan toe dat de volgende regering “must be a secular one”. Dit was een indirecte toezegging dat: 1) de islamistische (ie. sektarische) oppositie geen zal toekomst hebben in Damascus en 2) hield de deur open voor de huidige machtshebbers in Syrië (de seculiere Ba’ath-partij).  Kortom: Ankara doet meer water bij de wijn en komt steeds dichterbij de Russische positie te liggen.

Geopolitieke troefkaart
Dit wil niet zeggen dat de Turken compleet hun positie hebben verlaten: Turkije steunt nog steeds de gewapende oppositie en probeert de uitkomst van de oorlog te beïnvloeden. Dat bleek onder andere uit het Aleppo offensief van 11 augustus. The Financial Times kwam met een rapport naar buiten dat dit offensief mede mogelijk werd gemaakt door buitenlandse hulp én dat Turkije daar een centrale rol in speelde. Uit het bericht:

 [T]he offensive against President Bashar al-Assad’s troops may have had more foreign    help than it appears: activists and rebels say opposition forces were replenished with   new weapons, cash and other supplies before and during the fighting.

(…)

  “At the border yesterday we counted tens of trucks bringing in weapons,” said one           Syrian activist, who crosses between Syria and neighbouring Turkey. “It’s been         happening daily, for weeks… weapons, artillery — we’re not just talking about some       bullets or guns.”

 

 Two other rebels (…) described cash and supplies being ferried in for weeks. They and    others believe the money and supplies came from regional backers, including Saudi      Arabia and Qatar, and were sent in trucks across Turkey’s border with Syria.

Dit geeft aan dat de uitspraken van Erdogan (gemaakt op 9 augustus, voor de ontmoeting met Poetin) niet alleen voor de achterban was. In de afgelopen vijf+ jaar is een enorme infrastructuur opgebouwd om de oppositiegroepen in Syrië te trainen, faciliteren, bewapenen en op allerlei andere manieren te steunen, waardoor deze operatie niet overnacht ontmanteld kan worden. Daarnaast: de Turkse steun en rol, in het door de oppositie uitgevoerde offensief in Aleppo, kan worden gezien als een poging om haar invloed op de toekomstige onderhandelingstafels (over de toekomst van Syrië) te vergroten. Dat wordt in het FT stuk als volgt uitgelegd:

 The city is Syria’s largest and the last remaining urban stronghold of the rebels, who        have been fighting for five years against Mr Assad. Without it, they could become a             rural rebellion with far less pressure to bear on political negotiations that world powers   hope will end the bloodshed.

De verwachting is dan ook dat de Turkse steun niet plots zal ophouden, althans niet voor een politieke en militaire oplossing is gevonden.

Naar een driestappenplan
Voor de punten waar Turkije en Rusland overeenstemming hebben gevonden, heeft Ankara een driestappenplan uitgebracht. De Turkse premier, Binali Yildirim, vatte deze tijdens een persconferentie op 15 augustus als volgt samen:

  • Het behouden en beschermen van de territoriale integriteit van Syrië.
  • Een inclusieve, seculiere overheid.
  • Het terug laten keren van de Syrische vluchtelingen.

De Turkse premier Yildirim bevestigt dat de vorming van een autonome Koerdistan (in het noorden van Syrië) bepalend was om de bevroren relaties met Rusland te ontdooien. Ook significant aan dit driestappenplan was welke rol het lot van Assad inneemt. Voor het eerst sinds vijf plus jaar lieten de Turken hun wens dat de huidige president van Syrië weg moest los. Althans, niet op korte termijn maar wel op “the long run” — wat betekent dat er ruimte wordt gelaten zodat Assad deel uit te maken van een transitieregering of kan meedoen aan verkiezingen.

De stapsgewijze Turkse toenadering tot de Russische is een demonstratie van de invloed en macht van Moskou en de huidige geopolitieke verhoudingen. Op algemene beginselen zijn de Turken op lijn van de Russen gekomen en daarmee is er voldoende grond gecreëerd om daarop de toekomstige samenwerkingen op te bouwen. Moskou heeft genoeg om mee samen te werken. Daarnaast was het Ankara die haar best moest doen om aanknopingspunten te vinden met de Russen. Dit geeft weer dat de Russen over de betere kaarten bezaten (en zitten). Verder heeft Moskou een invloedrijke partner er bij voor de komende onderhandelingen. Dat is iets wat met name Washington zal hekelen.

Turkije: ex-lid van het westen en vriend van Rusland?
De vraag die rest is: heeft Turkije nu afscheid genomen van het westen en aansluiting gevonden bij Rusland? Nee, een afscheiding van het westen gaat niet gebeuren en sterker nog: dat kan ook niet. Dat heeft te maken met de Turkse integratie in de westerse (financieel)economische en militaire wereld (daarover in een volgend stuk meer).

Echter, in geopolitiek perspectief, en in het bijzonder de crisis in Syrië, hebben spanningen tussen de VS en Turkije Ankara doen kijken naar andere partners om haar Koerdische zorgen weg te nemen. Daar komen de Russen in spel. Naast het belang van Rusland in het kader van de Turkse ‘2023 visie’, heeft Moskou de geopolitieke kaarten in handen. Sinds de Russische interventie september 2015 heeft Moskou haar plek in de regio terug weten op te eisen. De Turks-Russische rapprochement is een getuigenis en uitkomst van die status. En in die nieuwe realiteit is Ankara gedwongen om rekening te houden met de Russen, zoals de historische ontmoeting van 9 augustus bewijst.

In conclusie, Turkije zal zich niet scheiden van het westen, maar heeft zich in ieder geval ten opzichte van Syrië aan kant van Rusland gepositioneerd. Daarmee leveren ze een enorme klap uit aan vijf jaar regime change beleid van de VS (in relatie tot Syrië) én Rusland herclaimt haar status als grootmacht. Ongetwijfeld zullen beleidsmakers in Washington denken aan een countermove. The game is on.

Mislukte putsch overtuigt Erdogan van aansluiting bij Poetin

De mislukte putsch van 15 juli 2016 tegen de Turkse president, Recep Tayyip Erdogan, lijkt de Turkse integratie met Eurazië (ie. Rusland en China) in een stroomversnelling te hebben geplaatst. Was de Turkse president op 15 mei nog van mening dat de Zwarte Zee dreigde een “Russische meer” te worden, onderneemt hij post-coup de nodige stappen om de gebroken betrekkingen te repareren. De Turken voelen in toenemende mate verminderde steun en vertrouwen vanuit het westen, wat na de gefaalde staatsgreep alleen maar versterkt is geworden. Bovendien dwingen feiten op de grond Ankara om haar buitenlandbeleid aan te passen. De eerste post-coup buitenlandbezoek van Erdogan geeft duidelijk weer waar de Turkse prioriteiten gaan komen te liggen: Moskou.

Veranderende geopolitieke setting motiveert beleid Ankara
De Turks-Russische betrekkingen worden van oudsher gekenmerkt door wantrouwen en spanningen. In de huidige context is dat o.a. op te merken in het Syrische conflict: Ankara eist het aftreden van de Syrische president, terwijl Moskou hem in het zadel wilt houden. Deze tegenstellingen bereikten afgelopen november een hoogtepunt toen de Turken een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig uit de lucht hadden geschoten. Als gevolg daarvan werden alle betrekkingen bevroren.

Recente ontwikkelingen hebben Ankara echter doen dwingen om hun opstelling vis-à-vis Moskou aan te passen en van koers te wijzigen. De Russische interventie in Syrië, gestart sinds eind september 2015, heeft de Syrische president, Bashar al-Assad, namelijk fermer in zijn zetel geplaatst en deelde mokerslagen uit aan (de door de Turken gesteunde) gematigde oppositie. Daarnaast zijn de Syrische Koerden hard op weg om een eigen staat te vormen — wat als een rode lijn beschouwd wordt voor de Turkse republiek. Kortom, het Turkse buitenlandbeleid ging van het bekende “zero problems” naar “only problems”.

Daarbij komt ook nog dat de Verenigde Staten en andere NAVO-bondgenoten de Syrische Koerden steunen — die gelieerd zijn aan de in Turkse ogen terroristische groepering PKK. Tevens hebben ze militaire basissen opgezet in de Koerdische delen van Syrië. De impliciete boodschap voor Ankara is evident: de traditionele (westerse) partners scharen zich aan zijde van haar gezworen vijanden.

De Koerden: bindende factor Erdogan en Assad
Gedwongen door deze nieuwe, geopolitieke context besloten de Turken om van tactiek te veranderen. De prioriteit ligt nog steeds bij het ondermijnen van een Syrische Koerdistan, maar nu langs Syrië, en daarvoor is Rusland nodig. Echter, om als een serieuze partner gezien te worden, moest Erdogan dat ook laten zien. Zoveel maakte de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sergey Lavrov, op 22 juli duidelijk tegen zijn Turkse tegenhanger. “Much will depend on how we will cooperate on the settlement of the Syrian crisis”, werd Lavrov geciteerd zeggende.

En dat deed Erdogan ook. Hij zette ten eerste op 5 mei zijn toenmalige premier, Ahmet Davutoglu, af. Davutoglu werd gezien als de architect achter het Turkse buitenlandbeleid en was een voorstander van hardere maatregelen tegen Syrië. Verder schreef Erdogan zelf op 12 juni een excuusbrief aan Poetin voor het in november 2015 neerhalen van een Russische Su-24 gevechtsvliegtuig (waarbij de piloot omkwam).

Deze publieke omwenteling kwam na maandenlange geheime onderhandelingen met Syrische diplomaten. Volgens Foreign Policy waren onderhandelaars, namens de zittende regering in Ankara, sinds januari 2016 bezig om een normalisatieproces op gang te krijgen. Een anonieme senior AKP-official rationaliseerde dit besluit tegen Reuters (17 juni) als volgt: “Assad (…) doesn’t support Kurdish autonomy. We may dislike one another, but we pursue similar politics with that regard”. Oftewel, de Turken hopen de vorming van een onafhankelijke Syrisch Koerdistan te ondermijnen, door de Syrische staat als unitaire entiteit te behouden. Daarvoor moet Ankara de betrekkingen normaliseren met Poetin en Assad, iets wat meer dan een maand geleden nog ondenkbaar was.

Hierbij is belangrijk om op te merken dat deze rappochement met Rusland niet spontaan is ontstaan, maar waarvoor de fundamenten reeds aangelegd waren: in 2015 bood Turkije zich aan om lid te worden van de ‘Aziatische NAVO’ (de Shanghai-samenwerkingsorganisatie, waar Rusland en China de oprichters van zijn); was tot voor kort van plan om een Chinees luchtverdedigingssysteem te kopen (significant hieraan is dat dit systeem niet geïntegreerd kan worden in de bredere NAVO luchtverdedigingsinfrastructuur); ging akkoord om Russische gas af te nemen (genaamd Turkish Stream, maar werd in de ijskast gezet na de crisis die ontstand als gevolg van het neerhalen van de Russische gevechtsvliegtuig). Kortom, de Turkse aansluiting bij Rusland (en in breder verband China) volgt een reeds ingezette trend, maar die tijdelijk bevroren was wegens (geo)politieke omstandigheden.

Rusland vs. de VS: warm vs koud.
De mislukte putsch van 15 juli tegen Erdogan volgde op met zijn eigen heuse coup: het zuiveren van het staatsapparaat van oppositionele elementen. Hoewel dit ongetwijfeld bedoeld is om de positie van de Turkse leider te verstevigen, lijkt de gefaalde couppoging ook de Turkse re-oriëntatie van het Westen en naar Rusland (en China) te hebben geacceleerd. De daaruit volgende uitval met de Verenigde Staten spreekt boekdelen.

Terwijl de couppoging onderweg was, hield Washington zich afzijdig en veroordeelde de gepoogde machtsovername door het leger van meet af aan niet. Althans, dat is de heersende perceptie in Ankara. Toen eenmaal duidelijk werd dat deze putsch falende was, spraken de Amerikanen pas hun steun uit voor de zittende machthebbers. Deze aarzelende uiting van support werd door de Turkse regering niet in dank afgenomen.

De diplomatieke onenigheid tussen Ankara en Washington verergerde door de situatie rondom geestelijke leider Fethullah Gülen. Gülen, die verblijft in de VS, wordt door Ankara verantwoordelijk gehouden voor de mislukte putsch en eist zijn uitlevering. Washington weigert echter (bij gebrek aan juridisch bewijs) daar gehoor aan te geven. De Turken lieten het daar niet bij en begonnen druk uit te oefenen op hun langdurige NAVO-bondgenoot: op 19 juli werd de stroom voor de militaire basis in Incirlik uitgezet (waar er minimaal 2.500 Amerikaanse soldaten gestationeerd zijn, alsmede 50 tactische nucleaire raketten en wat de uitvalsbasis vormt voor de strijd tegen Daesh in Syrië en Irak); Ankara zette hoger in door op 26 juli president Obama er direct van te beschuldigen om de vermeende couppleger (Gülen) onderdak en rugdekking te geven. Dat werd gedaan door Bekir Bozdag, de minister van Justitie en vertrouweling van Erdogan; op 29 juli uitte ook Erdogan fel kritiek uit op zijn NAVO-partner, toen hij stelde dat de Amerikanen de “kant van de coupplegers” hadden genomen en op 31 juli werd de Incirlik-vliegtuigbasis afgesloten door 1.000 politiekrachten.

In schril contrast staan de (warme) reacties van de Russische president. Russische inlichtingendienst hadden volgens Arabische en Iraanse media hun Turkse collega’s  geïnformeerd over de aanstaande putsch en de volgende dag belde Poetin Erdogan persoonlijk op om zijn steun en vertrouwen in hem uit te spreken. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken, Mevlut Cavusoglu, was (25 juli) lofend hierover: “Russia has provided us with complete and unconditional support during the coup attempt, for that we are grateful to Putin and all Russian officials”.

Dat Ankara bereid is om de kwestie rondom Gülen zo ver te laten escaleren, is een duidelijke signaal dat de Turken de limieten van hun Atlantische partnerschap opzoeken. Belangrijker nog, dit geeft weer dat de Turkse regering ervan overtuigd is dat de VS een aandeel had in de mislukte putsch. In hoeverre er een zaak hiervoor te maken is, is irrelevant. Het gaat er om wat de Turkse machthebbers denken. Dat is cruciaal, want dat zal Turks beleid beïnvloeden en vormgeven.

Ook in relatie tot de Europese Unie (EU) is te zien dat de Turken hun betrekkingen anders willen vormgeven. Het voornemen om de doodstraf weer in te voeren reflecteert dat. Het introduceren van een dergelijke maatregel zou een potentiële lidmaatschap van de EU namelijk onmogelijk maken. Indien de Turken serieus zijn (om de doodstraf in te voeren), kan afgevraagd worden of ze überhaupt nog lid willen worden van de EU.

Het tijdperk van realisme
De Russische respons (op de mislukte putsch) creëerde een opening om de bevroren relaties met Ankara te ontdooien. Die kans werd ook gelijk gegrepen door de Turken. Vicepremier Mehmet Simsek reisde in de week van 27 juli af naar Moskou om de handelsrelaties weer te herstellen. Verder zijn de onderhandelingen over de gaspijplijn Turkish Stream herstart alsmede over de Akkuyu nucleaire kerncentrale. Bovendien laat de eerste buitenland bezoek (op 9 augustus) van president Erdogan duidelijk zien waar de prioriteit voor Turkije ligt: Rusland. Verwacht wordt dat tijdens deze ontmoeting, in de woorden van de minister van Economie Nihat Zeybekci, “the final impetus” zal worden gegeven aan bovengenoemde projecten. Belangrijker nog: hiermee zal een mijlpaal bereikt worden in de Turkse re-oriëntatie van het westen en naar Rusland en China. Een gebeurtenis die, volgens oud-topdiplomaat M.K. Bhadrakumar, gezien de centrale rol die Turkije speelt in het westerse alliantiesysteem, wellicht significanter zal kunnen uitpakken dan de 1979 Iraanse revolutie.

Een afscheiding zal echter niet gebeuren. EU landen als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijven de belangrijkste bestemmingen voor de Turkse export. Daarentegen staat wel dat de nummer één en drie importpartners respectievelijk China en Rusland zijn. Het Turkse buitenlandbeleid lijkt deze realiteit te volgen. Abdulkader Selvi, senior journalist bij de Turkse krant Hürriyet, typeert deze transitie (van het Turkse buitenlandbeleid) als een omschakeling van een “tijdperk van idealisme” naar een “tijdperk van realisme”. En in dat nieuwe tijdperk spelen Moskou en Peking een belangrijke rol.